Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Vissen

Vissen

Wim van de Kerkhof

10 december 2025

Bijgewerkt op 11 december 2025

Achter in onze tuin ligt een kleine vijver. Een tiental goudvissen geeft daar kleur aan. Als je dat spel gadeslaat, brengen je mijmeringen je al snel terug naar de jaren van je jeugd.

Meetstuw in infiltratiegebied in Westerhoven (bron: BHIC,
beeldcollectie Waterschap De Dommel, inv.nr. 1926-001277)

In de zuidelijke Nederlandse Kempen ligt een klein pittoresk dorpje. Het is Westerhoven. Langs de provinciale weg van Luyksgestel naar Valkenswaard liggen in een lange lintbebouwing de boerderijen en woonhuizen. Centraal in het dorpje staat de parochiekerk met daaromheen nog enkele straatjes met een bonte verzameling van woonhuizen. In het midden van de vorige eeuw tikt het inwonertal bijna de elfhonderd aan. Het merendeel van de inwoners is agrariër. De rest van de beroepsbevolking vindt zijn emplooi in de sigarenfabrieken van Valkenswaard of op de melkfabriek St. Bernardus ('t Stoom) op het Loo in Bergeijk.

Al eeuwenlang stromen ten oosten van dit dorpje een tweetal beekjes. Het zijn de Keersop en de Beekloop. Ter hoogte van 'de Witte brug' vloeien ze samen en gaan ze verder als de Keersop. Rustig kabbelt het beekje langs de Valentinuskapel en achter de Dommelse Bierbrouwerij, om bij de Volmolen in Waalre uit te monden in de Dommel.

De Keersop ontspringt in de vloeiweiden van het Belgische Pelt. Het is een regenbeek met helder kabbelend water. Hoewel, helder? Geregeld is het water vaalwit, omdat 't Stoom zijn melktanks heeft gespoeld en het afvalwater daarna in deze beek loost. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft er een uit de twaalfde eeuw stammende watermolen gestaan. Door de industriële vernieuwing verliest die zijn maalfunctie en wordt helaas in het midden van de vorige eeuw vervangen door een moderne dubbele stuw. 

Het oude molenwiel is nog behoorlijk diep, maar in de rest van deze beek komt het water niet hoger dan onze kinderknietjes. Dat is dus ideaal om te vissen met behulp van een rieten aardappelmandje, dat in elk Nederlands huishouden tot de standaard inventaris hoort. We maken vooral jacht op de stekelbaarsjes. Met hun scharlakenrode borstje en hun kobaltblauwe iriserende oogjes zijn die een geweldige vangst. Vol trots doen we ze zorgvuldig in een grote weckfles. In moeders kelder staan er genoeg. Ondanks dat we de grootste weckfles gebruiken drijft het visje helaas al snel met zijn buikje naar boven. Zuurstofgebrek is natuurlijk de oorzaak. De volgende stekelbaars krijgt dus wat plantjes uit zijn beekje mee. Ook dat is niet de oplossing. Dus weer terug naar de beek en nieuwe vangen. Dit keer krijgen ze alle ruimte. Onder het afdak achter mijn ouderlijk huis staat een grote zinken badkuip. Die wordt vol gepompt, zodat onze vangst alle ruimte en vrijheid heeft. Althans, dat denken we, maar ook de nieuwe gevangen stekelbaarsjes leggen (te) snel het loodje.

We verleggen ons jachtdoel en gaan in de Keersop op strooptocht naar echt eetbaar materiaal. Deze keer nemen we de grote aardappelmand mee. Die is van gevlochten wilgentenen en dus uitermate geschikt om te vissen. Met tweeën slepen we die mand stroomopwaarts. Al snel hebben we dan ook beet. Twee zilveren bliekjes spartelen op de bodem van de mand. Onder het groen van de oever vangen we ook nog een rietvoorn. We stoppen de visjes in onze zwembroekjes. Dat kriebelt wel, maar ja, je moet wel je handen vrij hebben.

Westerhoven, Provincialeweg 35. Twee meisjes staan links van
een scheprad bij de watermolen, ca. 1948 (bron: collectie BHIC,
nr. 1572-04-029)

Vol trots gaan we huiswaarts. Uiteraard willen we onze vangst ook opeten. Onder toezicht van en met de nodige aanwijzingen van ons moeder maken we de visjes panklaar. Dus eerst alle ingewanden eruit en dan alle schubben eraf. Dat is wel opletten, want het mes is scherp en de visjes weerbarstig. We kunnen bijna niet wachten, totdat uiteindelijk een van die visjes op ons bord ligt. Het resultaat valt eigenlijk wat tegen. Het smaakt wel, maar een echte delicatesse is het nog niet. 

Walter Daris is onze overbuurjongen. Hij heeft kennelijk een grote portie genen van de jager-verzamelaar meegekregen. Op een dag heeft hij in de Beekloop een hele mooie snoek ontdekt. Het wordt zijn uitdaging om die te verschalken. Uit een oude fietsdynamo sloopt hij de koperen spoel. Van die koperdraad vlecht hij een soepel lopende strop, om die vervolgens aan een lange bonenstaak te knopen. Geluidloos loopt hij stroomopwaarts langs het heldere water. De strop wordt stil meegesleept en uiterst behoedzaam om de kop van de snoek gemanoeuvreerd. Dan volgt een flinke ruk en een ferme zwaai. Spartelend ligt de vangst op het zandpad. Met een flinke tik van een zwerfkei wordt zijn kop verbrijzeld en de buit triomfantelijk in de lucht gestoken. Niet veel later ligt zijn vangst, schoongemaakt en wel, thuis in een braadpan te pruttelen.

Dat smaakt echt naar meer. Vol enthousiasme gaan dus de strooptochten uiteraard verder. Vanaf de oude ijsbaan loopt er een drainagesloot naar de Beekloop. De bodem is roodbruin van het overvloedig aanwezige ijzeroer. Maar Walter heeft in die sloot een ferme paling ontdekt. Hij weet ook hoe hij die kan verschalken. Bij hem thuis hebben ze een cafeetje, dus bierdopjes genoeg. Met een spijker slaat hij er twee gaatjes in en vlecht er een leren vetertje door. Met de kroonkurken aan de binnenkant op zijn handpalmen, heeft hij zo voldoende grip om deze gladde paling toch te vangen. En, dat lukt! Niet veel later ligt deze dan ook in de boter te sudderen, maar hij 'beweegt' nog wel een beetje.

Gewelddadige vangsten

Je levenspad kan onverwachte en verrassende wendingen krijgen. Een daarvan is als de militaire dienstplicht moet worden vervuld. Wonderlijk genoeg wordt deze Kempische jongen ingedeeld bij de Koninklijke Marine. Na de eerste militaire vorming en een halfjaar extra opleiding op de Navigatieschool, volgt een boordplaatsing. Het wordt de HMS Hadda. Een patrouillevaartuig uit de Balder-klasse. De basisopdracht is vooral kustbewaking en... jawel: visserij-inspectie.

Van de Texelaars, de Heldersen en de Urker-vissers moeten periodiek zowel de vangsten als de maten van het vistuig en de administratie worden gecontroleerd. Beroepsvissers zijn een bijzondere beroepsgroep op het economisch palet. De onderlinge familie- en vriendschapsbanden zijn bewonderingswaardig sterk en zeker ook hartverwarmend. Het is dan ook een heel plezierige tijd.

Maar het is niet alleen visserij-inspectie. Uiteraard moet er ook geoefend worden voor de essentiële Marinetaken. Dus brand- en schietoefeningen, onderzeebootbestrijding en manoeuvreeroefeningen vullen de dagelijkse routine. Schip en bemanning raken goed op elkaar ingespeeld en dit versterkt de onderlinge vaardigheden en teamspirit. Er zijn weinig commando's nodig om snel en efficiënt te werken.

In februari 1967 woedt er een zeer zware noordwesterstorm in het Engels Kanaal. Met de HMS Hadda zijn we op thuisvaart naar den Helder als er een noodsein binnenkomt. De olietanker Thory Canion is bij Het Welse Landsend op de klippen gelopen en vraagt assistentie bij het "schip verlaten". Gelukkig zijn er inmiddels voldoende hulpdiensten toegesneld. Met helikopters en reddingsvaartuigen wordt de bemanning gered. 

Hr. Ms. mijnenveger "Hadda" (rechts), jaartal onbekend (bron: Nationaal Archief, Fotocollectie Spaarnestad Onderwerpen, publiek domein, inv.nr. 9025_013 (opent in een nieuw tabblad))

We worden bedankt voor ons hulpaanbod en verleggen de koers met honderdtachtig graden naar de thuishaven: den Helder. De weersomstandigheden zijn wel heel erg slecht. Er staat niet alleen een zeer zware storm, maar vooral een zeer zware zeegang. Daardoor loopt het schip steeds "uit zijn roer" en is het - als roerganger - extra hard werken om steeds op koers te blijven. Het schip stampt en slingert en maakt soms echt flink slagzij. Vaak verdwijnen reling en gangboord onder de waterlijn. Het merendeel van de bemanning kiest ervoor om een veilige plek te zoeken in het stuurhuis en de commandocentrale. Je weet maar nooit! Als veiligheidsmaatregel worden dus alle luiken en patrijspoorten gesloten en de deuren "gekneveld". In het stuurhuis geeft de inclinatiemeter een slagzij van zelfs negenenveertig graden aan. Dat is niet alleen sensationeel om te ervaren, maar wekt vooral bewondering voor de manier waarop het schip met deze woeste elementen omgaat.

Maar de zeegang is zo zwaar, dat we maar snel de visserijhaven van Scheveningen binnenlopen om te schuilen. Achteraf blijkt, dat die keuze toch wel een juiste is geweest. De dag erna (23 februari 1967) komt toch het bevel om weer naar de thuishaven op te stomen. Het wordt een memorabele dag, want er gebeurt voor onze ogen een scheepsramp.

Zo rond drie uur 's-middags naderen we de rede van Den Helder. Voor ons uit varen er drie vissersschepen met hun boomkorren omlaag gedraaid. Het zwaartepunt van het schip wordt op die manier verlaagd en dat geeft aanzienlijk meer stabiliteit. Maar met zo'n zware zeegang is dat ook erg riskant. Bij het invaren van de Haaksgronden raakt bij een van de vissersschepen een topgolf de stuurboords-boomkor. Het noodlot slaat toe. De zware golf trekt het schip (de Maartje (UK223)) op de Den Helderse Noorderhaaks vast op een zandbank, ze maakt slagzij, splijt en kapseist. Helaas komen daarbij alle vijf bemanningsleden om. Een paar dagen later bergt het duikersschip HMS Hydra hun lichamen. De roerganger staat zelfs nog achter het roer. Zijn lichaam beweegt zachtjes op het ritme van de grondzee. Arme kerel, hij heeft geen schijn van kans gekregen om het vege lijf te redden. Ja, de vis wordt duur betaald.

Van de schepen van de Koninklijke Marine wordt vereist, dat zij te allen tijde optimaal zijn voorbereid op hun taken. Het is dus vanzelfsprekend dat er eindeloos wordt geoefend. Uiteraard zijn dat de primaire oefeningen als de brandrol en sloepenrol. Maar natuurlijk ook de nautische oefeningen als 'man over boord', lasten en personen overzetten en natuurlijk het voor anker gaan.

Tot een van de primaire taken van de HMS Hadda behoort ook de onderzeebootbestrijding. Op het voordek zijn daarvoor twee 'mousetraps' raketwerpers geïnstalleerd. Daarmee kunnen van elk 6 kleine dieptebommen in een cirkel worden geschoten. Aan de beide kanten van het achterdek zijn twee 'glijrails' met 60 kg zware dieptebommen gemonteerd. Om effectief te oefenen wordt op de zeekaarten een recent scheepswrak opgezocht. Met behulp van de sonar en asdic wordt de positie van het wrak exact gelocaliseerd en gemarkeerd. Het sein quarantaine (= blijf uit mijn buurt) wordt in de seinmast gehesen. Dan wordt naar de aanvalspositie gevaren en de detonatiepatroon in de de dieptebom geschroefd. Daarop gaat ook de rode munitievlag de seinmast in.

De aanwezige beroepsvissers weten al wat er gaat komen. Voor hen kan het heel winstgevend worden. Met een beetje geluk kunnen die dadelijk in een uur vangen, waar ze normaliter een hele week werk aan hebben. Met de netten al uitgedraaid liggen ze gespannen te wachten op de dingen die komen gaan.

Na een laatste controle gaat het met vol vermogen van de machinekamer naar het gemarkeerde wrak. De bom wordt gelost en met een maximale topsnelheid wordt weer een veilige afstand gecreëerd. Dan volgt de detonatie! Een twintig tot dertig meter hoge waterzuil rijst op. Het zeeoppervlak kleurt zwart, ten teken dat het doelwit met een voltreffer is geraakt. 

In en rondom een wrak zit altijd enorm veel vis. Dus zodra de rode munitievlag wordt gestreken, snellen de Texelse vissers toe om hun 'gratis maal' binnen te halen. Maar ook de bemanningsleden van de HMS Hadda weten van wanten. De bootsman heeft al uit voorzorg op de relingen van het achterdek een juten scherm laten monteren. Zodoende vormt het achterdek een grote provisorische bak. Met boots- en enterhaken hijst de bemanning zoveel mogelijk vissen aan boord. Er zijn reusachtige kabeljauwen bij van meer dan een meter groot en wel vijftien kilo zwaar. Op de thuisvaart worden er alvast twee van die mooie exemplaren in de mast gehesen. Vanaf de centrale seinpost op Fort Harssenz wordt al enthousiast 'geflashd'. We zijn nog niet eens aangemeerd, of we worden al opgewacht door een vrachttruck van de Centrale Bottelarij. Die neemt uiteraard nagenoeg de hele vangst over. De hele vloot en de kazernes kan worden voorzien van gratis vis. Als beloning krijgen we een paar kratjes bier en extra vlees.

Aan boord hebben we als matroos een ervaren visserman uit Katwijk. Met zijn scherp mes en zijn vaardige hand maakt die een aantal mooie kabeljauwen schoon voor: 'eigen gebruik'. Een mooi exemplaar gaat - goed verpakt in een plastic zak - natuurlijk met mij mee naar huis naar Westerhoven. Elke vrijdag staat Jan Zwarthoed uit Valkenswaard op het Mgr. Biermansplein met zijn viskraam. Vol bewondering staart hij naar mijn kabeljauw. "Ja, die wil ik wel hebben", is zijn reactie. Voor honderd gulden wisselt de vis van eigenaar. Dat bedrag is bijna net zoveel als het soldij van een hele maand als milicien bij de Koninklijke Marine. Zoveel kun je met stekelbaarsjes vangen in de Beekloop echt niet verdienen.

De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie (opent in een nieuw tabblad). Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.

Dit verhaal verscheen eerder in dorpsblad de MikMak (opent in een nieuw tabblad) (1 december 2025).

Bekijk hier alle verhalen in de serie

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.