De oud-rechterlijke aktes van de gemeente Lithoijen van rond 1800 bieden een inkijk in een kleine gemeenschap van bewoners aan de rivier de Maas onder de vleugels van de stad ’s-Hertogenbosch, de vrijheid Oss en het graafschap Megen. Voor deze notitie heb ik aktes geselecteerd die een bijzonder relaas beschrijven, een bijzonder feit belichten of juist het alledaagse weergeven. Het leert ons dat, de essentie van “samen leven” in zo’n gemeenschap door de eeuwen heen niet is veranderd. In het derde deel: wie betaalt het zeil?

In de dam aan de Varkensmarkt van Lith is in het jaar 1784 een nieuwe waterkering (zeil) aangebracht. Dit zeil moet regelmatig worden gerepareerd of gedeeltelijk vernieuwd. Maar wie gaat dat betalen? Dit is zeker een interessante vraag als er getwijfeld wordt aan de mate van functioneren van het zeil. Uit de verklaringen van buurtbewoners blijkt dat zij niet erg genegen zijn gehoor te geven aan het verzoek van de drossaard van Lith om bij te dragen aan de kosten. Het relaas, verspreid over vier aktes, start met een verzoek bij de dingbank van Lithoijen.
Op 4 november 1802 melden Gijsbert van Drunen, Toon Mathijs van Ingen, Peter Gijs Kling, Eijke Willem Jan van Maaren – de weduwe van Ruth van Kessel – Jacob de Bijl en Jacob Koppens zich bij de schepenen van Lithoijen. Zij machtigen Piet Jan de Goeij en Anton Reuser, die wonen te Lith, om hen te vertegenwoordigen bij een gerechtelijke procedure bij de dingbank aldaar. Het betreft een geschil over de bijdrage aan de kosten van een nieuw te plaatsen zeil in de dam bij de Varkensmarkt te Lith. De drossaard van Lith, Johan Eliza de Vrij, heeft betaling verordonneerd aan de buurtbewoners. Piet Jan de Goeij en Anton Reuser krijgen de opdracht om alles in het werk te stellen om elke bijdrage aan kosten van een nieuw zeil te voorkomen. Mocht er uiteindelijk vonnis worden gewezen dat hun ten nadeel strekt, dan moeten de twee gemachtigden daar tegen beroep aantekenen.
Waarheidsvinding
Waarheidsvinding is één van de middelen die De Goeij en Reuser ter beschikking staan bij de uitvoering van hun opdracht. Dertien personen, die wonen aan de Varkensmarkt of bij de molen te Lith, leggenop hun verzoek op 4 november 1802 een verklaring af onder ede voor de dingbank van Lithoijen.
(i)
Eijke van Maaren, weduwe van Ruth van Kessel, 76 jaar oud, en Jacob Jan de Bijl, oud-secretaris van Lithoijen, 70 jaar oud, hebben hun jeugd doorgebracht in Lith aan de Varkensmarkt. Zij hebben wijlen Jacob van den Bogaard nog goed gekend. Jacob van den Bogaard woonde ook aan de Varkensmarkt naast het huis van wijlen Gerrit Schuijlenburg en het huis van de overste Zweldens. Van den Boogaard en Schuijlenburg beheerden het zeil. Nog steeds vormt een zandpad de scheiding tussen die twee huizen en het huis van Anton Reuser. Dit pad loopt van de gemene straat langs de Varkensmarkt tot aan de Maasdijk. Als de Beerse Maas over de waterkering stroomt en de velden, hoven en boomgaarden onder water zet, blijft dit pad droog, zodat de buurt nog met droge voeten naar de dijk kan lopen. De drossaard en burgemeesters van Lith willen een nieuw zeil bij de dam aanbrengen en de kosten verhalen op de buurt.
Zij zijn echter in het verleden nooit door Jacob van den Boogaard benaderd om bij te dragen aan de kosten van het zeil dat bij de genoemde dam ligt, noch voor vernieuwing van het zeil, noch anderszins. Bovendien ondervinden zij geen nut noch genot van het zeil in de dam. De kering biedt hun namelijk niet de mogelijkheid om water te lozen in de Maas als hun hoven en boomgaarden overstroomd zijn. Bovendien, zoals gezegd, hebben zij niet bijgedragen aan de kosten van het leggen van het zeil in de dam in het jaar 1788. Het zou kunnen zijn dat een inwoner van één van de huizen in de buurt toen wel wat heeft betaald aan Jan Geert Schuijlenburg voor de gemaakte kosten van een nieuw zeil, maar zij weten dit niet en hebben daartoe ook nooit toestemming verleend. Hoewel de huizen in de buurt van waar Jacob van den Bogaart en Jan Geert Schuijlenburg hebben gewoond middels een sloot in verbinding staan met het zeil, blijven de hoven van die huizen onder water staan. Het zeil bevordert zelfs de hoeveelheid kwelwater en is dus eerder ten nadele in verband met afvoer van overtollig water dan dat het van voordeel is voor de bewoners aan de Varkensmarkt. Overigens, zo verklaren zij, heeft Francis van Mil daar recent een huis en hof gekocht van wijlen Ruth van Kessel en ook wijlen Aart Kling had daar een huis. Maar beiden hebben nooit enige bijdrage geleverd aan de kosten van reparatie van het zeil.
(ii)
Andries de Hezelaar, oud-borgermeester van Lith, 66 jaar oud, en Adriaan van Berchem, oud-heemraad van de polder ’t Hooghemaal, 68 jaar oud, wonen in een huis naast het molenhuis ten oosten en het huis van Hector Vermeulen ten westen. Zij hebben door de jaren heen hun pomp-, geut- en regenwater in de sloot geloosd die in directe verbinding staat met het zeil in de dam bij de Varkensmarkt. Dit zeil is onlangs vernieuwd. Voor zover zij weten hebben bezitters van de huizen in de buurt nooit enige kosten voor reparatie betaald of aan enige kosten ten behoeve van een nieuw zeil bijgedragen.
(iii)
Antoon van den Bogaard, 76 jaar oud en Jan van de Coeveringh, 72 jaar oud, bezitten een hof en boomgaard bij de Varkensmarkt. Ook zij verklaren dat zij nooit hebben bijgedragen aan kosten voor reparatie of vernieuwing van het zeil in de dam.
(iv)
Willem Aart Klinge, 42 jaar oud, verklaart dat zijn ouders nooit hebben bijgedragen aan kosten ten behoeve van het zeil in de dam bij de varkensmarkt.
(v)
Johannes Wakker, 37 jaar oud en Johannes van Amstel, 46 jaar oud, verklaren dat, wanneer de Beerse Maas de landerijen te Lith doet overstromen, de dam nabij de varkensmarkt onder water staat en het pad van de Varkensmarkt tot aan de dijk droog blijft en gebruikt kan worden om met droge voeten op de dijk te komen. De hoven en boomgaarden oostwaarts en ook bovenwaarts dit pad kunnen hun water niet geloosd krijgen door het zeil in de dam. Veel van het water loopt over de straat achter de huizen naar lager gelegen delen.
(vi)
Maria Buekentop, de weduwe van Peter van den Bogaard, 60 jaar oud, en Jan van den Bogaard, 48 jaar oud, verklaren dat zij meer dan 20 jaar in het molenhuis hebben gewoond. Op hen zijn nooit enige kosten voor reparatie of vernieuwing van het zeil verhaald.
(vii)
Peter Gijs Klinge en Willem Ruth van Kessel, beiden 44 jaar oud, verklaren dat zij op 30 oktober 1802 in het huis van Gerardus van Dijk te Lith waren. Het was half acht ’s avonds. Daar waren ook Anton Reuser en Willem Jan de Bijl, Gevieren speelden ze kaart. Het gesprek ging over de kosten van het zeil. Alle vier zeiden dat ze nooit een cent hadden betaald.
(viii)
De laatste twee getuigen, Willem Jan de Bijl, 60 jaar oud, en Francis van Mil verklaren als de anderen nooit op welke manier dan ook voorzien te hebben in de kosten van het zeil in de dam.
Meer verklaringen
Een paar weken later leggen, op verzoek van dezelfde Piet Jan de Goeij en Anton Reuser, Carel du Sands, 29 jaar oud, Jan Anton de Bijl, 28 jaar oud, en Toon Aard van Kessel, 44 jaar oud, ook een verklaring af. Du Sands en De Bijl zijn timmerlieden en Van Kessel is metselaar.
Op 1 november 1802 hebben zij de laagte bij het pad tussen het huis, hof en boomgaard van Anton Reuser oostwaarts en het huis en hof van wijlen Jan Gerrit Schuijlenburg westwaarts gemeten en gewaterpast. Vervolgens zijn zij al waterpassend van de Varkensmarkt tot aan het nieuwe zeil in de dam gelopen. Zij stelden vast dat het pad een halve voet Amsterdamse maat hoger ligt dan de dam. Het hof en de boomgaard van Anton Reuser ligt 2 voet en 4 duim lager op het laagste punt dan het pad. Deze metingen hebben zij met grote nauwkeurigheid en met groot vakmanschap uitgevoerd. Ze stelden ook nog vast dat het water over de dam was gestroomd; erf en hof van Willem Nijs waren overstroomd. Het water bereikte daar een diepte van maar liefst 3½ voet. Ondanks het zeil in de dam kon het water niet worden gelost in de Beerse Maas. Alle erven en hoven bij het pad hadden hetzelfde probleem als het erf en hof van Willem Nijs. Maar het pad bleef droog. Hun conclusie is dat van enig genot van het zeil in de dam voor de aanliggende bewoners geen sprake kan zijn.
