Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Textielnijverheid en de koloniale handel

Textiel was verreweg het belangrijkste product dat als ruilmiddel werd gebruikt in de mensenhandel op de West-Afrikaanse kust van de zestiende eeuw tot ver in de negentiende eeuw. De volgeladen schepen vertrokken vanuit de Nederlandse havensteden naar Afrika, waar de goederen geruild werden tegen tot slaaf gemaakten.

Verschillende soorten textiel werden gebruikt in de ruilhandel op de West-Afrikaanse kust, voornamelijk katoen, maar ook linnen en in mindere mate wollen stoffen. De katoenen stoffen kwamen grotendeels uit Azië en werden aangekocht bij de VOC. Naast de Azatische katoenen stoffen, werden ook verschillende Europese stoffen naar West-Afrika geëxporteerd.[1] Hoewel de Aziatische stoffen van superieure kwaliteit waren, werden er om aan de vraag te voldoen ook Europese (namaak)stoffen gemaakt. Hierbij ging het met name om Europese stoffen zoals linnen uit Silezië en Bohemen, maar ook wollen stoffen uit Engeland.[2]

In de Nederlanden waren ook verschillende regio’s waar stoffen vervaardigd werden voor internationale markten. Die bevonden zich met name in Holland en Vlaanderen maar ook in Brabant.[3] Met name in het gebied van de Meierij van Den Bosch werden al eeuwenlang verschillende soorten textiel geproduceerd. Wol, linnen en later katoen werden verwerkt in de huisnijverheid en proto-industrie (die zich later ontwikkelde tot volwaardige industrie).[4] In de zeventiende en achttiende eeuw waren Tilburg, Helmond en Eindhoven de belangrijkste centra van de textielproductie in Brabant. Naast de stedelijke centra van productie waren ook veel van de omringende dorpen betrokken bij het weven, verven en bleken van verschillende soorten textiel.[5]

De productie van deze stoffen maakte van de regio een belangrijk knooppunt in een globaal handelsnetwerk waarin grondstoffen en producten rouleerden. Zo werd er bijvoorbeeld wol ingevoerd uit Spanje en vlas uit de Zuidelijke Nederlanden.[6] Omgekeerd werden veel van deze Brabantse stoffen uitgevoerd naar het buitenland. Bestemmingen varieerden van andere delen van Europa, zoals Spanje en Frankrijk, tot de Levant.[7]

In dit stuk zal worden aangetoond dat niet alleen wol en vlas, maar ook katoen, geproduceerd op de West-Indische en Amerikaanse plantages, in Brabant werd verwerkt tot verschillende soorten geweven stoffen. Daarnaast zal blijken dat deze Brabantse stoffen onderdeel waren van de koloniale handel en bestemd waren voor de kust van Afrika en de plantages in West-Indië.

Zowel de invoer van het plantageproduct katoen, als de uitvoer van geweven stoffen naar West-Indië en de Afrikaanse kust, maken van de Brabantse textielnijverheid een interessante casus om te bekijken hoe de koloniale handel reikte tot in Brabant.

Ruilhandel in Afrika

Veel van de stoffen die geweven werden in Brabant, werden gemaakt in commissie voor Hollandse kooplieden, die met name afkomstig waren uit Amsterdam, Leiden en Haarlem. Deze zogenaamde commissionaire nijverheid was van belang voor de regio.[8] Ruwe grondstoffen werden aangevoerd vanuit de opdrachtgevende stad en vervolgens verwerkt en geweven in Brabant, om daarna weer uitgevoerd te worden naar Holland. Later, aan het begin van de achttiende eeuw, zouden geen ruwe grondstoffen maar vooral garens worden ingevoerd, om daarna verwerkt te worden tot eindproduct. De zogenaamde ‘bontjes’ of ‘bonten, weefsels gemaakt van zowel linnen als katoen, konden in Brabant goedkoper geproduceerd worden vanwege de lage lonen.[9] Eenmaal aangekomen in de Hollandse steden valt de herkomst van de stoffen niet meer te achterhalen. De Brabantse bontjes werden daar als Haarlemmer bont of Vries bont verkocht. Om deze reden vinden we geen Brabantse bontjes in de cargalijsten van de verschillende uitgetreden schepen, maar is het aanemelijk dat deze er wél tussen zaten.

Veel van de kooplieden en producenten in Amsterdam, Leiden en Haarlem hadden nauwe banden met rederijen en andere handelshuizen, die op hun beurt weer verbonden waren met de koloniën en slavenhandel.[10] Zo waren de wollen stoffen, de zogenaamde ‘Leidse Saaiens’, een belangrijk ruilmiddel in de handel voor tot slaaf gemaakte Afrikanen. Ook deze stof werd in commissie geproduceerd in Brabant, bijvoorbeeld in opdracht van Leidse lakenhandelaren zoals Daniel van Eijs (1688-1739). Van Eijs liet in de periode 1731-1736 verschillende keren textiel produceren in Oisterwijk door verschillende wevers.[11] Het is op dit punt van belang om op te merken dat niet al het Leids textiel naar Afrika werd verstuurd, maar dat dit wel een belangrijk element was van de Leidse textielhandel.[12]

Handel met de koloniën

Er werd niet alleen textiel geproduceerd voor de ruilhandel in Afrika, er werden ook andere stoffen geweven voor de West-Indische markt. Vooral linnen werd vaak verstuurd naar West-Indië. Met name zogeheten ‘Frans linnen’, ‘lijnwaden’, en al eerder genoemd Haarlemmer en Vries bont, gekleurde of witte linnen stukken die ook grotendeels in commissie voor Hollandse steden als Haarlem en Leiden werden gemaakt.

In het provinciaal archief is een overzicht van de handel en fabrieken uit de jaren 1815-1830 opgenomen. Dit overzicht bevat informatie over de staat van de industrie maar ook de bestemming van de in Brabant geproduceerde goederen. Meerdere keren komt naar voren dat het linnen dat in Helmond geweven wordt grotendeels naar West-Indië wordt verscheept.[13] Helaas zijn er in het archief geen namen van de ondernemingen opgenomen en blijft het onduidelijk welke bedrijven linnen verscheepten naar West-Indië.

Niet alleen uit Helmond, maar ook vanuit Eindhoven werd linnen op commissie gemaakt en vervolgens verstuurd naar West-Indië. Bijvoorbeeld in het jaar 1738 werd er in Eindhoven in opdracht van Gerard van den Bergh gekleurd linnen (‘bonte lijwaeten’) voor de plantages in West-Indië geproduceerd. Het garen werd uit Holland naar Eindhoven gestuurd, waar er linnen van geweven werd, dat daarna werd teruggestuurd naar Holland.[14] Naast de commissionaire nijverheid waren er ook families die zelf contacten onderhielden met handelaren in West-Indië. Een van die families was de familie Van Moorsel uit Eindhoven, die jarenlang actief was in de linnenhandel. Die linnenhandel verliep met name in de eerste helft van de achttiende eeuw gunstig, maar verminderde daarna sterk. Toch blijkt uit een brief dat de handel niet geheel stopte, wanneer Maria van Moorsel schrijft aan een tussenpersoon in Amsterdam, dat hij het linnen maar beter kon verkopen, mits er voldoende vraag naar was op Sint Eustatius en Curaçao.[15]

Dit strookt met het algemene beeld van de linnenhandel, waarvan bekend is dat die grotendeels verliep via de Hollandse steden en vervolgens via de eilanden Sint Eustatius of Curaçao naar de rest van de Cariben en Zuid-Amerika verscheept werd.[16] Binnen de Nederlanden werden de goederen doorgaans in kisten per kar naar Den Bosch vervoerd en vervolgens vanaf Den Bosch per schip naar Holland.[17] Dat Sint-Eustatius een sleutelpositie innam in de linnenhandel bleek toen het eiland in 1781 veroverd werd door de Engelsen, en de linnenhandel nagenoeg stil kwam te liggen.[18] In meer algemene zin was het aan het eind van de achttiende eeuw slecht gesteld met de Brabantse textielnijverheid. Onder andere door de concurrentie met Silezië, waarvan eerder al is vastgesteld dat een groot deel van de stoffen die daar geproduceerd werden, gebruikt werden om slaafgemaakten te kopen of voor kleding op de plantages.[19]

Directe handel met Suriname

Ondanks de moeilijkheden van de textielindustrie, bleven er echter directe contacten bestaan tussen textielproducenten en de toenmalige West-Indische kolonie, Suriname. Het beste voorbeeld van dergelijke directe contacten zijn de ondernemingen van de gebroeders Bots uit Helmond. De broers Amandus Hubertus (Helmond 1816 - Paramaribo 1879) en Arnoldus Gerardus Bots (Helmond 1826 – Lieshout 1882) behoorden tot een van de meest vermogende families in Helmond. Inmiddels is welbekend dat zij twee plantages in Suriname, de katoenplantage Estersrust en de koffieplantage Killenstein, bezaten en veel van de discussie omtrent het slavernijverleden van Helmond draait dan ook om deze personen.[20] Echter, hun betrekkingen met de voormalige Nederlandse kolonie dateren al van voor de aankoop van de twee plantages en waren voornamelijk gebaseerd op de handel van verschillende geweven stoffen.

De familie Bots was zoals zoveel andere Helmondse families actief in de textielnijverheid. In het archief van de verwante familie Coovels zijn twee brievenboeken van de gebroeders Bots bewaard gebleven. Op basis van deze bronnen kan worden nagegaan hoe de handel met Suriname er ongeveer uitzag aan het eind van de jaren veertig van de achttiende eeuw. De in Helmond geproduceerde stoffen werden met behulp van de firma J. Haase & Zoon, handelaren in scheepsprovisiën gevestigd in Amsterdam, verscheept naar Suriname. J. Haase was gevestigd in Amsterdam en zijn zoon J.P. Haase jr. behartigde de belangen van de broers in Paramaribo.

Met enige regelmaat werden kisten ‘bonten’ naar Paramaribo verzonden, waarbij de firma Haase het vervoer en de verzekering verzorgde. De korte instructies maken de gangbaarheid van dergelijk handel duidelijk:

“Gepasseerde vrijdag hebben wij 2 kisten met pool bont en boekjes streep aan uw adres afgezonden en verzoeken uw vriendelijk dezelven bij aankomst aan uw Zoon de heer J. P. Haase te Paramaribo, met eerste gelegenheid voor onzer rekening verder af te zenden.”[21]

De handel betrof met name verschillende soorten ‘bonten’ zoals ‘pool bont’ en ‘vries bont’. Deze werden in Helmond geproduceerd en daarna per beurtschipper via ’s-Hertogenbosch verscheept. Sporadisch werden ook andere producten naar Suriname verzonden, maar dan lijkt het eerder te gaan om goederen waar J.P. Haase jr. specifiek behoefte aan had, zoals wijnen en sigaren.[22]

In het contact met J.P. Haase te Paramaribo worden verschillende aspecten van de koloniale handel uitgelicht, zoals de prijzen en de situatie op de Europese en Surinaamse markten. Wanneer de goederen in Suriname goed verkocht worden tegen een gunstige prijs, wordt Haase gecomplimenteerd. De productie in Helmond wordt zelfs aangepast als blijkt dat een bepaalde soort stof gretig aftrek vindt in Suriname. Zo schrijven de broers:

“Wij zijn nu voornemens nog verdere poolbonten te vervaardigen alsmede vriese bonten in groote ligte patroonen van Surinaamse smaak. Is er een of ander dat uwe voor Suriname van ons fabrikeurs thans beter denkt zoo gelieve ons zulks te communiceren.”

Daarnaast worden verschillende handelsactiviteiten besproken. Zo ontstaat de indruk dat de broers al vanaf 1850 geïnteresseerd zijn om plantages te kopen in Suriname, iets wat zij enkele jaren later ook zouden doen. Zij informeren bij J.P. Haase wat hij denkt over drie in Suriname gelegen plantages die op korte termijn geveild zullen worden in Amsterdam.[23] Tevens is er sprake van ‘betaling’ in de vorm van plantageproducten zoals suiker en katoen, in plaats van de gebruikelijke wissels. De broers staan hier zeer welwillend tegenover en gaan akkoord, mits zij er geen verlies op maken in Nederland.[24]

Verwerking van katoen

In omgekeerde richting kwam ruwe katoen van de plantages naar Brabant en werd hier verwerkt tot verschillende soorten stof. Tal van kleinere ondernemingen waren daarbij betrokken, zoals W. en L  Dams te Tilburg, en L. Swinkels, H. Rooyakkers en J.R. van Eupen te Helmond.[25] Een van de grootste ondernemingen in de regio was van de Eindhovense familie Smits van Oijen.

De herkomst van de katoen die gebruikt werd in deze spinnerijen en weverijen is in veel gevallen niet te achterhalen, Veel bedrijfsarchieven zijn verdwenen of nog steeds in privébezit. Het archief van de familie Smits van Oijen is wél bewaard gebleven en biedt een interessante inkijk in het functioneren van een Brabantse textielfabriek in de negentiende eeuw en verbanden met slavernij. Zo blijkt óók uit het in 2024 gepresenteerde rapport De Stad Vertelt, een vooronderzoek naar het Slavernijverleden van Eindhoven (aldaar bladzijde 31) (opent in een nieuw tabblad).

Download hier (opent in een nieuw tabblad) De Stad Vertelt (vooronderzoek Slavernijverleden Eindhoven)

De firma J.T. Smits en zn. stamt uit 1810 en kwam voort uit de in 1780 gestichte firma Janssen en Smits. Na de ontbinding van de firma Janssen en Smits ging J.T. Smits in zijn eentje verder met de productie van textielgoederen. In 1812 omvatte het bedrijf vijf fabrieken gelegen aan de Dommel in Eindhoven, te weten een linnenweverij, katoenspinnerij, linnen-wolkatoenweverij, lakenfabriek en wolspinnerij.[27] Vanaf 1820 werd er gebruik gemaakt van een stoommachine, een van de eerste in Nederland.[28]

De herkomst van de katoen, die gebruikt werd om garen van te spinnen, werd bijgehouden. Bij de verschillende ontvangen ‘balen katoen’ werd simpelweg de plaats van herkomst genoteerd. Uit de stukken van de jaren 1840 tot 1841 blijkt dat veel van de katoen uit de Verenigde Staten kwam. Soms werd het ‘Amerikaans katoen’ genoemd, soms werd de afkomst ook nauwkeuriger bijgehouden en werden plaatsen als Georgia en New Orleans benoemd.[29] Van de katoen uit de Verenigde Staten is bekend dat deze zeer waarschijnlijk geproduceerd werd met behulp van de arbeid van tot slaaf gemaakten. Ook wordt Surat genoemd, een plaats in India (zie afbeelding 1).[30]

De katoen die gebruikt werd in de katoenspinnerij kwam dus zowel uit het westen als het oosten. Over deze katoen kan nagenoeg zeker gesteld worden dat deze met onvrije arbeid geproduceerd werd. Bovenstaande bevestigt dus wat al eerder is gebleken uit het onderzoek naar het Eindhovense slavernijverleden.[31]

Maar hoe bereikte deze katoen de spinnerij in Eindhoven? Wie waren de tussenhandelaren? En, ter reflectie: maakt het nog uit dat men wist waar deze katoen geproduceerd werd? Uit de archiefstukken kan worden opgemaakt dat de inkomende koloniale goederen in de grote havensteden nauwlettend in de gaten werden gehouden. De zogenaamde cargalijsten - met daarop de binnengekomen scheepsladingen van havensteden als Rotterdam, Amsterdam, Antwerpen maar ook verder gelegen steden als Hamburg en Bremen - zijn bewaard gebleven.[32] 

Ook uit de verschillende brievenboeken van de firma Smits blijkt het internationale karakter van de textielhandel. Deze bevatten kopieën van ontvangen en verzonden brieven en geven een goed beeld van de contacten die de firma Smits in het binnen- en buitenland onderhield. Steden als Leeuwarden, Rotterdam, Zwolle, Amsterdam en Utrecht zijn goed vertegenwoordigd. Ook had de firma contacten in buitenlandse steden als Antwerpen, Luik, Aken en Frankfurt.[33] Veel van de handel liep volgens een vast netwerk van plaatsen en personen. Bestellingen werden vaak in Rotterdam of Amsterdam geplaatst, waarna zij met voerman J. Spoorenberg richting Den Bosch verscheept werden naar de tussenpersoon A. van de Ven. In de brieven werd vaak volstaan met “op de gewone wijze op ’S Bosch aan het bekend adres te zenden”.[34] Ook de levering van katoen verliep via A. van den Ven, zoals blijkt uit een brief van 17 augustus 1841, waarin gevraagd wordt om twee balen katoen met de eerstvolgende zending mee te sturen.[35]

Ook de familie Wesselman is een veelbesproken familie in discussies over het slavernijverleden van Brabant. De familie vestigde zich in 1783 in Helmond. Wanneer we het hebben over de familie Wesselman gaat het met name over Carel Frederik I Wesselman (1746-1825), zijn vrouw Anna Sebilla Wilhelmina Plencker (1740-1817), en zijn broer Daniel Cornelis Wesselman (1752-1804). Hoewel Daniel Cornelis direct betrokken was bij de slavenhandel, waren zijn banden met Brabant slechts beperkt.[36] Ook de activiteiten van Carel Frederik Wesselman II (1780-1853) kunnen in verband worden gebracht met de koloniale handel. Naar de activiteiten van de familie Wesselman is al uitvoerig onderzoek gedaan - zie de publicatie van Bea Brommer (1993) en meer recent die van Ruud Paesie (2016). Ook onderzoek op initiatief van de gemeente Helmond naar de betrokkenheid van de bestuurders van Helmond bij de slavernij hebben een duidelijk beeld van de familie en haar activiteiten naar voren gebracht.[37]

Zeker is dat C.F. Wesselman meerdere keren goederen verzond naar Suriname om daar te verkopen. Hier ging het niet om de beruchte driehoekshandel.[38] Goederen werden direct naar Suriname verscheept en daar verkocht. Zo blijkt dat C.F. Wesselman opdracht heeft gegeven om zowel bier als bouwmaterialen te verschepen naar de plantage in Suriname. Het bier werd ingekocht bij Brouwerij de Roskam in het Brabantse Ulvenhout. De bouwmaterialen kwamen van de steenbakkerij die C.F. Wesselman in bezit had gekregen via de familie van zijn vrouw.[39] Het is echter belangrijk om op te merken dat deze handel plaatsvond voordat C.F. Wesselman zich vestigde in Helmond. Ook is al eerder aangetoond dat deze handel van beperkte mate was. En dat deze niet de financiële basis was voor de aanschaf van het kasteel in Helmond.[40] Toch is het nuttig om deze handel te bespreken omdat het inzicht geeft in hoe dergelijke handel met Suriname verliep.

Naast de handelsactiviteiten was de familie Wesselman ook betrokken bij de textielnijverheid. Zo richtte deze samen met een aantal andere Helmondse families de firma Wesselman, Bogaers en Sanders op, die katoenen en linnen stoffen weefde.[41] De katoen die zij gebruikten voor het weven van de stoffen kwam ook in deze fabriek zowel uit de Oost als de West. In de jaarverslagen werden de verwerkte en onverwerkte voorraden genoteerd maar ook werd in sommige gevallen de herkomst van de verwerkte katoen bijgehouden. Net zoals bij de firma Smits van Ooijen blijkt dat de katoen een aantal keer afkomstig is uit Georgia. Ook wordt Surinaams katoen genoemd.[42] Van het gros van de katoen die verwerkt werd in de fabriek van Wesselman, Bogaers en Sanders valt de herkomst echter niet te achterhalen.

Afbeelding 4 – Melding van ‘Surinaamsche catoen’ uit het archief van de firma Wesselman, Bogaers en Sanders

Wel wordt vermeld waar de katoen is aangekocht. De aanvoerlijnen liepen via Amsterdam en Antwerpen. Ook hier komen namen van tussenpersonen naar voren, die al eerder aan bod zijn gekomen. Zo blijkt J. de Vocht, die ook tussenpersoon was voor de familie Smits van Oijen voor goederen uit Antwerpen, de levering van katoen te verzorgen voor de Helmondse firma.[43]

Naast katoen werd ook indigo ingekocht, waarbij wederom een aantal bekende figuren opduikt. Indigo werd bijvoorbeeld ingekocht bij Kraanstuyver & Zoon te Amsterdam. Zoals bijvoorbeeld ook de firma Prinzen Glabbeek dat deed. Daarnaast blijkt, uit rekeningen, dat die firma Prinzen ook zélf verfstoffen leverde aan Wesselman, Bogaers en Sanders, al wordt het niet duidelijk of het hier om indigo gaat.[44]

De katoenproducenten in Brabant waren zich terdege bewust van de afkomst van de katoen die zij verwerkten. Niet alleen in de bedrijfsarchieven is de herkomst van de katoen terug te vinden, ook uit de provinciale archieven wordt duidelijk dat de katoen uit Amerika werd gehaald. Uit een stuk uit 1858 worden de gevolgen van de Amerikaanse Burgeroorlog besproken op de toevoer van katoen naar Nederland.[45] De toevoer is namelijk sterk afgenomen, waardoor veel textielproducenten minder kunnen produceren.

Al met al heeft dit onderzoek naar de textielnijverheid in Brabant aangetoond dat niet alleen wol en vlas, maar ook katoen, geproduceerd op de West-Indische en Amerikaanse plantages, in Brabant werd verwerkt tot verschillende soorten geweven stoffen. Daarnaast is gebleken dat deze Brabantse stoffen onderdeel waren van de koloniale handel en bestemd waren voor de kust van Afrika en de plantages in West-Indië.

Deze bevindingen sluiten aan bij en worden ondersteund door eerdere onderzoeken naar het slavernijverleden van Brabant, zoals dat van Eindhoven en Helmond.[46]

Eindnoten

[1] Henk den Heijer, ‘Dutch shipping and trade with West Africa, 1674-1740’, International Journal of Maritime History, Vol. ZI, No. 1 (1999), 53-79, 65. Gerhard de Kok, Walcherse ketens. De trans-Atlantische slavenhandel en de economie van Walcheren 1755-1780 (Zutphen 2020) 151.

[2] Ruud Paesie, Lorrendrayen op Africa: de illegale goederen- en slavenhandel op West-Afrika tijdens het achttiende-eeuwse handelsmonopolie van de West-Indische Compagnie 1700-1734 (Amsterdam 2008) 211.

[3] Paesie, Lorrendrayen, 211.

[4] Voor een compleet onverzicht over de ontwikkeling van de Brabantse textielnijverheid zie: Gerard van Gurp, Brabantse stoffen op de wereldmarkt: Proto-industrialisering in de Meierij van ’s-Hertogenbosch 1620-1820 (Tilburg 2004).  

[5] Gerard van Gurp, ‘Proto-Industrialization and World Trade of Textiles in Dutch Brabant, 1620-1820’, Economic history yearbook vol. 1 (2008) 281-312, 284.

[6] Gurp, ‘Textiles in Dutch Brabant’, 294; Gurp, Brabantse stoffen, 147.

[7] Gurp, ‘Textiles in Dutch Brabant’, 303. 

[8] Gurp, Brabantse stoffen, 12.

[9] Gurp, ‘Textiles in Dutch Brabant’, 307.

[10] Museum de Lakenhal, 'Onthullingen over de relatie tussen het Leids laken en slavernij' (opent in een nieuw tabblad), geraadpleegd op 28-06-2024.

[11] Gurp, Brabantse stoffen, 81-82.

[12] Heijer, ‘Dutch shipping and trade with West Africa’, 65.

[13] 17 Provinciaal Bestuur Noord-Brabant, 1814-1820 N.B. Stukken van 1796 – 1936, inv. nr. 4385 Statistieken van handel, fabrieken en trafieken in gemeenten, 1815 - 1830, 1833, 1843, 1848 en 1853.

[14] Gurp, Brabantse stoffen, 92.

[15] Ibidem, 140.

[16] Ibidem, 184.

[17] Gurp, ‘Textiles in Dutch Brabant’, 301.

[18] Ibidem, 307.

[19] Rose Mary Allen, Esther Captain, Matthias van Rossum, Urwin Vyent (red.), Staat & Slavernij: het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen (Amsterdam 2023) 399. 

[20] Zie het onlangs verschenen rapport over het Helmonds slavernijverleden (opent in een nieuw tabblad).

[21] 12138 Familie Coovels, Helmond, inv. 641, p. 54. Brief aan de heer J. Haase te Amsterdam Helmond, 22 oktober 1848.

[22] 12138 Familie Coovels, Helmond, inv. 641, p. 126.

[23] 12138 Familie Coovels, Helmond, inv. 641, p. 105 aan J.P. Haase te Amsterdam 26 januarij 1850.

[24] 12138 Familie Coovels, Helmond, inv. 641, p. 79 aan J.P. Haase jr. te Paramaribo 25 mei 1849.

[25] Gurp, Brabantse stoffen, 208.

[26] W.A.J.M. Harkx, De Helmondse textielnijverheid in de loop der eeuwen (Tilburg 1967) xv. 

[27] Gurp, Brabantse stoffen, 209.

[28] Brabants Historisch Informatie Centrum (hierna: BHIC), inleiding archief Familie Smits van Oijen, geraadpleegd op 30-06-2024.

[29] BHIC, toegangsnummer 321 Familie Smits van Oijen, 1567-1987, inv.nr. 484.

[30] Atlas of Mutual Heritage (opent in een nieuw tabblad), geraadpleegd op 30-06-2024.

[31] De Stad Vertelt. Vooronderzoek naar het Slavernijverleden van Eindhoven (2024) 31. (Download hier (opent in een nieuw tabblad) het hele rapport.)

[32] BHIC, toegangsnummer 321 Familie Smits van Oijen, 1567-1987, inv.nr. 499.

[33] Ibidem, inv.nr. 502.

[34] Idem.

[35] Idem.

[36] Kim Lempereur en Henk Roosenboom, Helmond en zijn slavernijverleden: een verkennend onderzoek naar de rol van de bestuurders van de stad en gemeente Helmond (Helmond 2024) 36.

[37] Lempereur en Roosenboom, Helmond en zijn slavernijverleden. 

[38] Toekomstige publicatie Lia van Zalinge.

[39] Bea Brommer (red.), Ik ben eigendom van… slavenhandel en plantageleven (Wijk en Aalburg 1993) 88.

[40] Brommer (red.), Ik ben eigendom van, 88. 

[41] BHIC, 2214 Familie Wesselman van Helmond¸ inv.nr. 977

[42] Ibidem¸ inv.nr. 978 

[43] Idem.

[44] Idem.

[45] BHIC, toegangsnummer 17 Provinciaal Bestuur Noord-Brabant, 1814-1920. N.B. Stukken van 1796-1936, inv.nr. 11957 notulen enz.

[46] Klik hier voor het onderzoek naar Eindhoven (opent in een nieuw tabblad) en klik hier voor het onderzoek naar Helmond (opent in een nieuw tabblad).

Over de auteur

Joris Martens is afgestudeerd aan de Universiteit Leiden (Master Internationale Betrekkingen en Master Afrika Studies) en was stagiair bij het Forum for Agricultural Research in Africa. Als fellow onderzocht hij de verwevenheid van de Noord-Brabantse economie met de slavenhandel en de overzeese plantages. Hierbij concentreerde hij zich koloniale goederenketens en de plaatsen en personen die dienden als knooppunten en sleutelfiguren in deze globale handelsroutes.

Bekijk ook

Onderzoek Joris Martens (BHIC fellow)

Zoekwijzer slavernijverleden

Handel in koloniale waren en 's-Hertogenbosch als doorvoerhaven

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.