De oud-rechterlijke aktes van de gemeente Lithoijen van rond 1800 bieden een inkijk in een kleine gemeenschap van bewoners aan de rivier de Maas onder de vleugels van de stad ’s-Hertogenbosch, de vrijheid Oss en het graafschap Megen. Voor deze notitie heb ik aktes geselecteerd die een bijzonder relaas beschrijven, een bijzonder feit belichten of juist het alledaagse weergeven. Het leert ons dat, de essentie van “samen leven” in zo’n gemeenschap door de eeuwen heen niet is veranderd. In het zesde deel: de vroedmeester.

Het is donderdag 26 november 1800, ’s avonds laat, en Clasina van Rijswijk, echtgenote van Geert de Laat, staat op het punt van bevallen. Maar de bevalling verloopt problematisch en Clasina vraagt haar man om samen met de knecht W. Veltman te halen. Hij moet helpen bij de bevalling. Geen vroedvrouw - maar een vroedmeester.
Veltman woont in Lithoijen en is koopman in wijn en gedistilleerd water. Geen chirurgijn of iets in die richting maar Clasina weet precies wie haar het beste kan bijstaan nu de bevalling van haar zoontje moeizaam verloopt. Haar man en de knecht halen de koopman op en Veltman doet waar hij bekend om staat: hij ‘verlost Clasina uit haar barensnood’, zo lezen we in de schepenbank van Lithoijen.
Want op 3 januari van 1801, ruim een maand na de bevalling, legt de jonge moeder een verklaring af voor de schepenen van Lithoijen. Hoe Veltman haar heeft bijgestaan en dat wordt bevestigd door diverse getuigen die er op dat moment waren. Het moet een drukte van belang zijn geweest want naast haar man waren dat ook Jan de Laat en zijn vrouw, Johanna van der Putten, de weduwe van Cornelis Govers, Goudes van Ballegooij, de echtgenote van Willem Baijens en Teun van Lent, de echtgenote van Willem van Leutken.
Gespecialiseerde chirurgijn
Doorgaans zijn het vroedvrouwen die bevallingen begeleiden maar de term vroedmeesters komen we sporadisch maar toch vaker tegen in de archieven. Dan vaak als een in verloskunde gespecialiseerde chirurgijn, of ‘medicus-doctor’, niet een koopman zoals Veltman. Vroedmeester is niet per definitie een mannelijk equivalent voor het woord vroedvrouw; deze man heeft wel extra kennis in moeilijke verloskundige situaties. Hoe precair dit lag, die bevoegdheden van een vroedmeester, zien we terug in een geschrift uit 1701, van Hendrik van Deventer:
‘De Christelijke en Natuurlijke Eerbaarheijdt leerdt het Vrouwelijk geslagt, soo veel als mogelijk is, haar Teeldeelen te bedecken, selfs voor malkanderen, hoe veel te meer voor de Mannen. Soo nu een uyterste noodt haar verpligt in een swaren Arbeijdt een Man of Mans-persoon tot hulp te roepen, soo eijscht de rede (...) dat een Vroedmeester in sulck een geval met woorden en daden soodanig te werke ga, dat nog de Barende Vrouw, nog de Omstanders of Omstanderessen geen oorsaken van schaamte nog aan droefheijdt worde gegeven.’
Los daarvan weet Veltman de bevalling van Clasina in goede banen te leiden: het jongetje, Hendricus de Laat, zal later bakker in Lithoijen worden.

