De oud-rechterlijke aktes van de gemeente Lithoijen van rond 1800 bieden een inkijk in een kleine gemeenschap van bewoners aan de rivier de Maas onder de vleugels van de stad ’s-Hertogenbosch, de vrijheid Oss en het graafschap Megen. Voor deze notitie heb ik aktes geselecteerd die een bijzonder relaas beschrijven, een bijzonder feit belichten of juist het alledaagse weergeven. Het leert ons dat, de essentie van “samen leven” in zo’n gemeenschap door de eeuwen heen niet is veranderd. In het vijfde deel: molendwang.

Rond 1800 werd het feodale systeem, inclusief de molendwang, geleidelijk afgeschaft. De boeren werden vrijer in waar ze hun graan lieten malen. Tot die tijd behoorde dat recht toe aan de landsheer.
Op 20 december 1800 leggen op verzoek van Gijsbert van Drunen, molenaar te Lith, de volgende personen een verklaring af onder ede bij de raadkamer van Lithoijen: Jan de Laat, 63 jaar oud, Adriaan van Grinsven, 36 jaar oud, en Christiaan van den Bosch, gerechtsbode van Lithoijen, 50 jaar oud. Jan de Laat verklaart dat hij gezien heeft, dat de molenaar van de Alphense molen met zijn schuit koren kwam halen bij het huis van Hendrik Coolen, wonend te Lithoijen. Met dezelfde schuit bracht hij het gemalen koren bij hetzelfde huis later terug.
De molenaar te Alphen
Adriaan van Grinsven verklaart dat hij op dinsdag 17 december 1800 in het huis van Hendrik Coolen was. Daar was ook Gijsbert van Drunen. Van Drunen informeerde bij Johanna van Leuken, de vrouw van Hendrik Coolen, of er meel in huis was, gemalen door de molenaar te Alphen. Zij antwoordde daarop bevestigend en zei dat er zo’n twee à drie zakken meel lagen. De derde getuige, Christiaan van den Bosch, bevestigt de verklaring van de tweede getuige. Johanna van Leuken vertelde inderdaad dat er nog zo’n drie zakken meel in huis lagen die gemalen waren door de molenaar te Alphen.

