In het begin van de negentiende eeuw vernam de gouverneur van Brabant dat het aantal ‘landloopers’ met name op het Brabantse platteland was toegenomen. Dit was niet enkel in Brabant het geval maar in het hele – nog jonge - koninkrijk. Wat was de reactie vanuit het provinciaal bestuur? Dit stuk behandelt (in drie delen) zeven besluiten gepubliceerd in de Provinciale Bladen.
Een korte terugblik

Rijksmuseum Amsterdam RP-P-OB-229 (opent in een nieuw tabblad))
Er werden met name vanaf de vijftiende eeuw – eerst door de Bourgondisch-Habsburgse vorsten en later door de Staten-Generaal – steeds meer resoluties uitgevaardigd waarin aanvullende maatregelen werden opgesomd gericht op de opsporing en berechting van zogenoemde ‘vagebonden, landloopers, heydenen en Egyptenaren’. Zo vaardigden in 1723 de Staten-Generaal zo’n resolutie uit (gepubliceerd in het Groot Placaatboek vol. 6, pp. 546-548) waarbij werd aangegeven dat de officieren in het district van de generaliteit (waaronder de Meijerij van ‘s-Hertogenbosch, de Drosten van Breda en de Schout van Venlo) ‘alle mogelijke devoiren’ moesten aanwenden om de ‘heydenen, landloopers en vagebonden’ te weren, als gevolg van de toenemende plattelandscriminaliteit en rondtrekkende bendes. Daarin werd onder andere de samenwerking met ‘bygeleegen Provincien van Gelderland, Holland en Utregt’ en de officieren van districten binnen Brabant onderling aangemoedigd. In deze en daaropvolgende besluiten werden onder meer de juridische bevoegdheden van de schepenbanken verruimd. Met andere woorden: voor ‘grensoverschrijdende’ zaken mochten schepenbanken nu ook rechtspreken over strafbare feiten die buiten het rechtsgebied waren gepleegd (waar aanvankelijk de bevoegdheid van de schepenbank beperkt was tot het eigen rechtsgebied). Daarnaast werden lokale autoriteiten aangemoedigd om klopjachten te organiseren. Er werden opsporingslijsten opgesteld, waarin namen en omschrijvingen waren opgenomen van bekende verdachten. En het snelrecht mocht toegepast worden. Ofwel, werd iemand verdacht van landloperij of bedelarij? Dan hoefde de lokale justitie niet het reguliere proces te volgen en kon het zonder vooronderzoek de verdachte arresteren en berechten via een versneld proces (zie ook het onderzoek van E.J. Broers onder ‘Verder lezen’). Dit betrof de vroegmoderne periode. Maar hoe zag dit beleid er in het begin van de negentiende eeuw uit met de komst van de nieuwe landelijke wetgeving?

Een kijkje in de negentiende-eeuwse provinciale bladen
Noord-Brabant onderging in het begin van de negentiende eeuw een aanzienlijke bestuurlijke reorganisatie als gevolg van de val van Napoleon en de oprichting van het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Binnen deze nieuwe organisatie – die geleidelijk vorm kreeg - vormden de Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de gouverneur samen het provinciaal bestuur. De gouverneur en de Gedeputeerde staten waren overwegend verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur. De gouverneur moest er onder andere ook op toezien dat landelijke koninklijke besluiten en algemene wetten werden doorgegeven aan de plaatselijke besturen. De besluiten, reglementen en verordeningen die het provinciaal bestuur uitvaardigde, werden vanaf 1814 jaarlijks uitgegeven in de Provinciale Bladen. Hoe komt het verschijnsel landloperij terug in deze bladen?
1815. ‘Veldwachten en verdere supposten van Politie’
(No. 75) Besluit van den 1en mei 1815 no. 14, houdende bepalingen, nopens de behoorlijke uitoefening der politie door de plaatselijke besturen (BHIC: 17-8191-91 (opent in een nieuw tabblad))

In het besluit van 1 mei 1815 gaf de gouverneur Carel Gerard Hultman – de eerste gouverneur van Noord-Brabant - aan dat de plaatselijke autoriteiten niet voldoende waakzaam waren en ‘menig vreemdeling, althans buiten de besloten Steden om, deze Provincie onopgemerkt zouden traverseren’. De gouverneur bekritiseerde de burgemeesters die niet voldoende gehoor hadden gegeven aan zijn eerdere verzoeken om waakzaamheid, met het gevolg: ‘Dat, onverminderd de verwaarlozing van Zijner Majesteits heilzame bedoelingen, zoo doende gelijktijdig in de hand zoude worden gewerkt de dagelijksche weder meer en meer toenemende Landlooperij, en de notoire gevolgen van dien.’ Hij vroeg de lokale autoriteiten daarom onder andere om de veldwachters, suppoosten van politie en eventuele (periodieke) burger(nacht)wachten (gekozen uit de ‘meest vertrouwdste en gegoedste Ingezetenen’) dagelijkse rondes door de gemeentes te laten maken. Bovendien moesten alle passerende rijtuigen gecontroleerd worden. Ieder die verdacht overkwam, moest worden aangehouden voor verder verhoor. Indien de aangehouden persoon wel in het bezit was van een paspoort of veiligheidskaart of voldoende gegronde reden had voor de reis, dan mochten ze hun tocht voortzetten. Wel werd hun naam in een register opgenomen. In het begin van de negentiende eeuw voerde de gouverneur, vaak op verzoek van de landelijke overheid, verschillende van zulke besluiten door waarin hij lokale autoriteiten aanspoorde om een nauwlettend oog te houden op mogelijke binnenlandse en buitenlandse mensen (zowel zogenoemde ‘vreemdelingen’ als ‘ingezetenen van den staat’) die door Brabant trokken. Met name langs de grensgebieden werd om extra alertheid gevraagd.

1817. ‘Eene Generale Jagt’
(No. 3) Besluit van den 6en januarij 1817 no. 13, bevelende het houden eener generale jagt op gaauwdieven, struikrovers, vagabonden en suspecte vreemdelingen. (BHIC: 17-8193-8 (opent in een nieuw tabblad))
In Staats-Brabant werden ten tijde van de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw zo nu en dan klopjachten georganiseerd, met name gericht op dieven en plattelandsbendes, maar ook op landlopers en bedelaars. Daarbij werden ontsnappingsroutes in de gaten gehouden, verdachte nachtverblijven onderzocht en veel mensen opgepakt en verbannen. In het begin van de negentiende eeuw riep de gouverneur op tot eenzelfde drastische maatregel. Op 6 januari 1817 werd er een geheim besluit doorgestuurd door de gouverneur. Hij schreef: ‘De Gouverneur der Provincie Noord-Brabant geïnformeerd zijn dat zich binnen deze provincie thans vele landloopers ophouden, waardoor de veiligheid van personen en goederen bedreigd wordt, zoo dat het noodzakelijk is daartegen de meest efficacieuste maatregelen te nemen’. Hij riep op tot een ‘Generale Jagt’ op 16, 17 en 18 januari op ‘Gaauwdieven, Struikrovers, Vagebonden en suspecte vreemdelingen’. De aangeschreven burgemeesters en andere betrokkenen moesten ervoor zorgen dat de veldwachters en burgerwachten op deze dagen overdag en ’s nachts wegen in de gaten hielden en huizen onderzochten waarvan men vermoedde dat het nachtverblijven waren.
1818. ‘De oprigting eener Maatschappij van Weldadigheid’
(No. 32.) Circulaire aan de burgemeesters der gemeenten ten platte lande in deze provincie, de dato 30en maart no 21, houdende aanschrijving aan dezelve, om hunne ingezetenen optewekken en aantesporen tot het aanvaarden van het lidmaatschap der opterigten Maatschappij van Weldadigheid (BHIC: 17-8194-49)
Nog voordat de Maatschappij van Weldadigheid daadwerkelijk opgericht werd, schreef de Gouverneur op 30 maart 1818 de burgemeesters op het Brabantse platteland aan om inwoners aan te sporen lid te worden en deel te nemen.

Voor de gouverneur Hultman was er weinig twijfel. Hij meende dat iedereen achter het – mede door de koning gesteunde - idee van de Maatschappij van Weldadigheid moest staan. Hultman stuurde intekenlijsten toe, waarmee gemeentes nieuwe leden konden opgeven die geïnteresseerd zouden zijn om deel te nemen als arbeider in de koloniën. Hultman was overtuigd, maar sommige gemeentes leken minder enthousiast over de intekenlijst: op 5 mei stuurde Hultman namelijk opnieuw een herinnering, waarin hij aangaf dat meer dan vijftig gemeentes nog geen lijsten van intekening hadden toegestuurd. Hij vroeg de burgemeesters van deze gemeentes om alsnog deze lijsten in te zenden (BHIC: 17-8194-68 (opent in een nieuw tabblad)). Ook later werd er op verschillende momenten gesproken over een ‘verflaauwing’ van de plaatselijke subcommissies van Weldadigheid die niet naar voldoening van de provincie leden zouden werven (zie o.a. in 1823 BHIC: 17-8199-154 (opent in een nieuw tabblad)). Op verschillende manieren werd vanuit het provinciale bestuur de samenwerking met de maatschappij zoveel mogelijk aangespoord in de daaropvolgende jaren. Zo werden er intekenlijsten toegestuurd voor een jaarlijkse opgave van nieuwe ‘leden’ en stond de koning het toe dat gemeentes zelf contracten konden afsluiten met de maatschappij ‘tot overneming van wees- of arme kinderen en behoeftige huisgezinnen’ (zie o.a. BHIC: 17-8194-3 (opent in een nieuw tabblad)).
Waar het in 1818 nog met name ging om arme mensen/huisgezinnen die zich vrijwillig konden opgeven voor deelname, werden vanaf het begin van de jaren ’20 van de negentiende eeuw ook steeds meer wezen, vondelingen, bedelaars en landlopers naar de nieuwe inrichtingen gestuurd, eerst naar Ommerschans en daarna ook Veenhuizen. Zo werd in 1822 - vanuit koninklijk besluit – al aangegeven dat alle ‘tot den arbeid bekwame bedelaars’ in bedelaarswerkhuizen naar de daarvoor ingerichte koloniën in Ommerschans gestuurd moesten worden (zie o.a: BHIC: 17-8198-73 (opent in een nieuw tabblad) en BHIC: 17-8197-242 (opent in een nieuw tabblad)).
Meer weten over Ianthes onderzoek naar Landloperij in Brabant in de 19e eeuw? Klik hier
Meer over de Maatschappij van Weldadigheid (opent in een nieuw tabblad)
