Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Brabant en de landlopers (2)

Brabant en de landlopers (2)

Ianthe van Beuningen

19 september 2024

Bijgewerkt op 23 oktober 2024

In het begin van de negentiende eeuw vernam de gouverneur van Brabant dat het aantal ‘landloopers’ met name op het Brabantse platteland was toegenomen. Dit was niet enkel in Brabant het geval maar in het hele – nog jonge - koninkrijk. Wat was de reactie vanuit het provinciaal bestuur? Dit stuk behandelt (in drie delen) zeven besluiten gepubliceerd in de Provinciale Bladen.

Lees ook deel 1

1820. ‘De Marechaussée met verdubbelden ijver’

(No. 63) Besluit van den 19en julij 1820 no 5. Houdende maatregelen tot wering van Vagabonden en Landloopers (BHIC: 17-8196-122 (opent in een nieuw tabblad))

Provinciaal Blad 19 juli 1820 no. 63

In 1820 was Hultmans inmiddels gestopt als gouverneur en had Benedictus Josephus Holvoet het stokje overgenomen. Op 19 juli 1820 vaardigde Holvoet een besluit uit met maatregelen wat betreft ‘vagabonden en landloopers’ aan wie hij tevens ‘menigvuldige huisbraken en diefstallen’ toeschreef die in de provincie zouden zijn gepleegd. Holvoets omschrijvingen lijken feller; hij sprak zelfs over een ‘zuivering der Gemeenten van zoodanig misdadig volk en ter voorkoming van euveldaden’. Hij gaf aan dat de Marechaussee haar activiteiten moest verdubbelen en dat plaatselijke autoriteiten aan hen moesten doorgeven als zij meer wisten over het ‘rondzwerven van landloopers’ of eventuele schuilplaatsen. Dit was niet de eerste keer dat de nadruk werd gelegd op de samenwerking met de in 1814 opgerichte Marechaussee. Deze militaire tak was onder andere verantwoordelijk voor de ordehandhaving op het platteland in de grensgebieden. Volgens een eerder besluit van 22 april 1819 werden alle plaatselijke autoriteiten al verzocht de Marechaussee op de hoogte te stellen van alle gepleegde misdrijven en eventuele verdachte ‘landloopers of bedriegers’ (zie o.a. ook: BHIC: 17-8195-92 (opent in een nieuw tabblad); BHIC: 17-8196-157 (opent in een nieuw tabblad)).

1821. ‘Verlof- of bedelbrieven’

(No 49) Besluit van den 21en Mei 1821 no. 30, houdende bepalingen tot wering der bedelarij (BHIC: 17-8197-97 (opent in een nieuw tabblad))

In de jaren twintig van de negentiende eeuw lag de focus in de Provinciale Bladen met name op bepalingen gericht op het weren van bedelarij. Men werd onder andere aangespoord om ondersteuning te bieden aan oude en arme mensen binnen de gemeente; jongeren die konden werken, moesten zij werk bieden; alle vreemde bedelaars moesten uit de gemeente geweerd worden en verlof- of bedelbrieven werden verboden. Op 6 november 1822 volgde tevens een koninklijk besluit dat als publicatie werd rondgestuurd, waarbij werd herinnerd dat ‘bedelarij, volgens ’s lands wetten verboden is’. Hierbij keek men in het bijzonder afkeurend naar de personen die ‘buiten de gemeente waar zij woonachtig zijn’, zouden bedelen, dan werden ze naar een van de koloniën van de maatschappij gestuurd. Daarbij werd aangegeven dat deze maatregel later ook toegepast zou worden op de mensen die binnen de gemeente waar zij woonachtig waren bedelden (zie ook: BHIC: 17-8198-213 (opent in een nieuw tabblad)).

Nagenoeg elk jaar werd er opnieuw een besluit in de Provinciale Bladen opgenomen die de maatregelen benadrukte die bedelarij moesten tegengaan (zie o.a. BHIC: 17-8198-216 (opent in een nieuw tabblad) (1822); BHIC: 17-8199-142 (opent in een nieuw tabblad) (1823); BHIC: 17-8200-89 (opent in een nieuw tabblad) (1824); BHIC: 17-8201-261 (opent in een nieuw tabblad) (1825). De strafbepalingen wisselden naar de omstandigheden. Zij die door ziekte/omstandigheden niet konden werken en voor bedelarij werden opgepakt, werden veelal naar de bedelaarsgestichten in Hoorn en Veere gestuurd (zie ook BHIC: 17-8199-146 (opent in een nieuw tabblad)). Zij die nog wel konden werken, konden naar een van de koloniën gestuurd worden (veelal Ommerschans of later Veenhuizen). ‘Vreemdelingen’ uit het buitenland die bedelende waren gearresteerd, konden over de grenzen worden gezet.

1828. ‘Na het eindigen der hun opgelegde gevangenisstraf’

(No. 204). Circulaire van den 16en December 1828, A. No 3 – Afdeeling van Policie – betrekkelijk de te volgen wijze van behandeling der Landloopers na het eindigen der hun opgelegde gevangenisstraf (BHIC: 17-8205-264 (opent in een nieuw tabblad))

In 1828 werd er opnieuw melding gemaakt van landloperij in een besluit aangaande de te volgen wijze van ‘behandeling der landloopers, na het uiteinde van de hun door de Regtbanken opgelegde gevangenisstraf’. Hier waren nog enkele vragen over. In het Provinciaal Blad werd vervolgens het eerdere besluit (uit 1826) van koning Willem I geciteerd:

In voorgaand besluit hadden we al gezien dat koning Willem I had aangegeven dat de personen die waren gearresteerd voor bedelen naar de koloniën konden worden gestuurd. Dit zou in de loop van de jaren twintig ook gelden voor mensen die werden beschuldigd van landloperij. De gouverneur die op dat moment werkzaam was, Alexandre François Ghislain burggraaf van der Fosse, vroeg vervolgens de aangeschreven stedelijke en plaatselijke besturen om alle personen – die voor landloperij waren beschuldigd en door de rechtbank ‘tot uwer beschikking worden gesteld’ - naar de ‘bedelaars etablissementen’ van de koloniën van weldadigheid in de noordelijke provincies te zenden, ‘op gelijke wijze als met bedelaars plaats heeft’. (BHIC: 17-8205-264 (opent in een nieuw tabblad))

In 1835 merkte de nieuwe gouverneur van Noord-Brabant, Van den Bogaerde, op dat er zo nu en dan nog enige onduidelijkheden bestonden en ‘eener eenvormige wijze van handelen, ten aanzien der overbrenging van gecondemneerde bedelaars en landloopers naar de bedelaarsgestichten’ ontbrak. Hij vroeg de gemeentes om voor een ‘tijdige overbrenging’ naar de koloniën te zorgen van de door de rechtbank berechte personen uit de eigen gemeente. Indien de persoon na het verstrijken van de gevangenzetting niet werd opgehaald, werd deze vrijgelaten.

De vermelding ‘Ter beschikking stellen’ zien we ook nagenoeg in alle gevallen terug in de vonnissen vanaf ca. 1826-1828.

1834. ‘Gemeenten van hun onderstands-domicilie’

(No. 39.) Besluit van den 21en maart 1834. A. No. 2. – Afdeeling van Policie – houdende dat de kosten van transport, vervanging, enz. van personen, ter zake van landlooperij in de kolonien van weldadigheid gevestigd, moeten worden verhaald op de gemeenten van hun onderstands-domicilie (BHIC: 17-8214-107 (opent in een nieuw tabblad))

Financieel gezien resteerden nog een paar vragen. Wie is er namelijk dan verantwoordelijk voor de kosten? In 1834 informeert de gouverneur van den Bogaerde de Brabantse besturen over een besluit van de koning, waarna een citaat volgt: ‘dat alle kosten van transport, vervanging, vestiging en verpleging, vallende op personen die, ter zake van landlooperij in de gestichten der maatschappij van weldadigheid gevestigd worden, moeten worden verhaald op de gemeenten van hun onderstand-domicilie.’ Nagenoeg alle kosten vielen daarmee bij de onderstands-domicilie – de gemeente die verantwoordelijk was voor de ondersteuning van de persoon in kwestie die voor landloperij in de Maatschappij was opgenomen. Dit was een financiële kwestie die al langere tijd speelde. Zo waren er in het decennium hiervoor ook menig voorwaarden opgenomen wat betreft de transportkosten van mensen die waren gearresteerd voor bedelarij of landloperij, en vervolgens naar het onderstands-domicilie, de koloniën, of de bedelaarswerkhuizen werden gebracht (zie ook: BHIC: 17-8204-240 (opent in een nieuw tabblad) en BHIC: 17-8202-330 (opent in een nieuw tabblad)).

Lees hier het vervolg

Meer weten over Ianthes onderzoek naar Landloperij in Brabant in de 19e eeuw? Klik hier

Meer over de Maatschappij van Weldadigheid (opent in een nieuw tabblad)

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Brabant en de landlopers (2) | BHIC