Op deze website behandelde Gerard Strijards de “Inhuldigingsintogt” van Koning Willem II in 1841-1843. De nieuwe vorst, aangetreden in 1840, maakte veel werk van een charme-offensief door de Brabantse dreven. Het was nodig, wist Den Haag. Want Willem was niet erg geliefd bij de Brabo’s. En dat was zacht uitgedrukt. Wat had hij misgepeuterd, dat hij nu een regen van koninklijke onderscheidingen, medailles, rinkelende zilverstukken en privileges uitstortte over de verbijsterde bewoners van dit wingewest? Deel 2 van de trilogie.
Willems Wapenroep in 1831
In begin 1831 riep Willem I in pathetische termen de nationale mobilisatie uit. Prachtig, maar er was geen inzetbaar staand leger. Er waren rijkbetreste opperofficieren, die het krijgsambacht perfect beheersten. Maar verder leek het echt wel op een Mexicaans Volksleger tijdens de bevrijdingsoorlogen tegen de Spanjaarden in 1899. Op één soldaat twintig opperofficieren. En er was natuurlijk, ik gaf het al aan, geen cent in de krijgskas. Daarin zag Willen geen graten: de Brabo’s zouden moeten dokken, want vertrouwen deed Willem die roomse snuiters niet.
Die kwamen misschien ook nog in opstand. De encadrering in actieve zelfstandige legerkorpsen kon dan maar het beste op de heides van Braboland gebeuren. Want mochten de Brabo’s inderdaad ook revolutionair worden, dan konden die Hollandse miliciens meteen een effectieve bezetting leggen in Brabant en eventueel notabelen gijzelen. Ook dat was in 1842 bepaald niet vergeten in Breda en Den Bosch.
De jeugdige luitenantjes die keffend en blaffend kwartier kwamen maken lieten daarover ook geen misverstanden bestaan. Ze arriveerden per stoomboot over de Maas en via het Zeeuwse water. En ze beschreven in brieven aan hun ouders hoe bevreesd de Brabo’s waren. Maar óók, hoe onverschillig jegens het Oranjehuis. Het maakte de Brabo’s niets uit of ze nu vanuit Brussel of Den Haag werden geregeerd of, nog erger, als kolonialen werden geadministreerd.
De vrees voor de aansluiting bij het Belgisch Muitendrot

En die konden zich best wel eens verenigen met de Belgische muiters. Daaronder rekruteren, dat was wel het laatste dat Willem wijs docht. Willem moest het voornamelijk van Hollandse vrijwilligers hebben. Hij dacht: wat in 1815 goed ging, dat zal nu ook wel weer goed gaan, ik zet die drie generaals maar weer in. Die kennen in Brabant, waar de troepen gelegerd moeten worden, nog van oudsher de weg. Die weten hoe ze aan ravitaillering moeten komen en ook welke wegen begaanbaar zijn. Ze zijn gewend aan de rare fratsen van de kroonprins, dus die zet ik als joker en opperbevelhebber in. Ik geef hem mooie schouderpassanten belegd met de gekruiste staven van een commanderend veldmaarschalk. Dan ziet Londen ook, dat ik erg mijn best doe. Als Willem met boos opzet Wellington had willen bruuskeren, had hij niet beter kunnen doen. Want Wellington hechtte erg aan zijn rang. Zeer.
Willem verklaarde niet de oorlog aan België, waar net Leopold I van Saksen-Coburg was ingehuldigd als koning. Koning der Belgen. Dat riekte naar volkssoevereiniteit, die aanduiding van deze illegale en illegitimistische Monarch van opstandelingen, strijdig met het Verdrag van Wenen van 1815 waaraan Willem I zelf zijn onvoorwaardelijke soevereiniteit aan dacht te ontlenen. Een dergelijke vent zonder geldige kredietpapieren kon hij niet erkennen en dus kon hij daaraan ook niet de oorlog verklaren.
De dolende derde divisie
Ik zet in een apart stuk nog uiteen hoe de derde divisie onder generaal Meijer zich concentreerde in Eindhoven: de officieren bij deftige particulieren ingekwartierd, het lagere kader in "Mariënhage" en de soldaten op de weide in de kom van de Dommel. Het was geen nationaal leger, zeker niet, en verder waren de meeste soldaten niet dienstplichtig. Er wás geen universele dienstplicht, er was een lotingssysteem waarbij het lot aanwees wie de pineut was om op te komen en daarvan kon je je bevrijden door een plaatsvervanger tegen duur geld aan te stellen. Dat konden natuurlijk alleen de rijken betalen.

En die vervangers of remplaҫanten, dat waren vaak buitenlanders. Deze derde divisie was druk belegd met goudgeschubde verwende luitenantjes van zeer goede huize. Ze hadden nog nooit een kogel horen fluiten. Maar van adel waren ze wel. Kaart lezen hadden ze nog nooit geleerd. Daarom raakte deze divisie ook voortdurend de weg kwijt op weg naar de onvindbare dorpsgemeenschap Ravels bij Poppel. Dat was geen wonder. Ze bedienden zich van een kaart die nog gemaakt was door Jacob van Deventer ten behoeve van koning Philips II. In de laatste decennia van de zestiende eeuw. Maar er was in die tussentijd wel het een en ander veranderd. Daar kwamen deze studentjes gaandeweg wel achter. En óók dat mammie of de hospita niet iedere ochtend een zachtgekookt eitje kwam serveren bij de zoetemelkse ochtendpap.
Een deerlijk zootje ongeregeld
Zo kwam in Eindhoven dus een zootje ongeregeld samen. Want de luitenants waren niet alleen voornamelijk herkomstig uit deftige Leidse studentengelederen die nog nooit een schot hadden gelost, zeker niet uit de zware ouderwetse geweren die werden uitgereikt. Ze hadden zich in een vlaag van nationaal élan opgegeven, maar wisten van het militair bedrijf zo goed als niets af. Ze vonden het helemaal niet goed geregeld dat ze in de avonden eerst latrines moesten graven en zeiknatte tenten moesten opzetten in de stromende regen. Waar waren de bedienden? En waarom werd er geen warme chambertin met kaneel uitgereikt? Wist generaal Meijer dan niet dat sommigen hunner zwakjes waren op de longen en dat ze bedsokken plachten aan te trekken voorzien van kamgaren hieltjes tegen het zweten?
Ze commandeerden een troep, die onderling onverstaanbare dialecten uitwisselden, want Groningse schutters of jagers konden de Overijsselse pioniers echt niet verstaan. Daartussen de soldaten, vaak uit een Duits vorstendom, Zwitserland of Savoye, want daar kwamen gespecialiseerde huurlingen vandaan.
Zij vochten stug en bekwaam, maar alleen tegen goed en regelmatig betaald loon door de familie die hen als remplaҫant had ingehuurd. Daarom was de troepenparade op de Woenselse Heide zo belangrijk: niet alleen konden de soldaten nu eens zien wie hun kolonels en generaals waren en hoe je die kon herkennen, maar ook konden ze nu voor het eerst als gesloten divisie oefenen op begaanbaar heideterrein, waarbij infanterie en artillerie voor het eerst samen organisch opereerden. Het strekt immers niet tot aanbeveling als de artillerie de eerste lading schroot jaagt in de achterhoede van de infanterie die net carré probeert te maken.

De logistieke defecten
Natuurlijk ging het niet goed bij de veldtocht. De aanvoer van proviand en munitie was schandalig georganiseerd. Er waren geen tenten en het regende oude wijven met klompen. De soldaten hadden vaak de verkeerde ammunitie en konden de trompetsignalen van hun bevelhebbers niet thuis brengen. Troepen schoten op elkaar omdat ze dachten dat Groningers Belgen waren of Tesselnaren Walen.

Het was verschrikkelijk, maar bij de Belgen die nooit gedacht hadden dat de Hollanders krijgsvaardig waren en zouden aanvallen, was het nog erger. De Nederlanders wonnen, want ze stonden aan de goede kant van de kanonlopen en hadden wél munitie, alleen steeds te weinig. Maar waar Cort Heijligers het commandeurskruis van de Militaire Willemsorde aan verdiend heeft, is niet zo duidelijk. Misschien aan de kwaliteit van de bruine bonensoep die rondgedeeld werd op de weide bij "Mariënhage".
(wordt vervolgd)
