Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht

Deze vuist op deze vuist: knokken in de negentiende eeuw

Stef van Eijndhoven

3 december 2025

Bijgewerkt op 29 juni 2026

De oud-rechterlijke aktes van de gemeente Lithoijen van rond 1800 bieden een inkijk in een kleine gemeenschap van bewoners aan de rivier de Maas onder de vleugels van de stad ’s-Hertogenbosch, de vrijheid Oss en het graafschap Megen. Voor deze notitie heb ik aktes geselecteerd die een bijzonder relaas beschrijven, een bijzonder feit belichten of juist het alledaagse weergeven. Het leert ons dat, de essentie van “samen leven” in zo’n gemeenschap door de eeuwen heen niet is veranderd. In het negende deel: knokpartijen.

handtekeningen van enkele betrokkenen onder de getuigenis van 28-08-1802 Lithoijen (T 7324 I 65)

Knokpartijen zijn van alle tijden, vaak zonder duidelijke aanleiding. Zo beschrijven de Lithoijense aktes er een drietal, waarbij het gebruik van een mes tot dermate verwondingen leidde dat aangifte van de steekpartij werd gedaan bij de lokale rechtbank.

Aart de Bruijn en Baltus van Lent

Op 28 augustus 1802 leggen Dirk Jan de Bruijn en Wouter Jan de Laat een verklaring af op verzoek van de officier Hendrik Coolen. Dirk is 22 jaar en Wouter 20 jaar oud. Op zondag 8 augustus 1802 tussen acht en negen uur wandelden zij ’s avonds terug vanuit Lith in gezelschap van Jan Aart de Bruijn. Halverwege bij de Kloosterkamp van Hendrik van de Merwe, op de Lithoijense akkers, kwamen ze Baltus van Lent tegen. Hij vroeg hen om tabaksgeld, waarop ze antwoordden: “tabak en vuur kunde krijgen”.

Zonder enige aanleiding begon Jan Aart de Bruijn te schelden op Baltus van Lent. Hij sloeg hem met zijn blote vuisten op zijn gezicht. Daarop vluchtte Baltus het korenveld in. Jan Aart ging hem achterna met een mes in zijn hand. Toen Baltus terugkwam uit het korenveld had hij een diepe snee over zijn hoofd. Dirk Jan de Bruijn en Wouter Jan de Laat brachten hem naar Francis Ulijn, chirurgijn te Lith. Nadat deze de wond verzorgd en verbonden had, brachten de twee Baltus van Lent naar huis.

Adriaan van Grinsven en Toon van Hoorn

Op 6 mei 1803 worden Coen Jan Janse van Hoorn en Toon Willem van Hoorn gehoord naar aanleiding van een handgemeen. Aan Coen van Hoorn, 34 jaar oud en broodbakker van beroep, worden 14 vragen voorgelegd. Op 28 april 1803 liep hij na een bezoek aan de Geffense markt samen met Toon Willem van Hoorn en Gijsbert van Drunen terug naar huis. Bij de schutplaats aangekomen kwamen ze Adriaan van Grinsven tegen. Hij had een koekenpan in zijn hand. Adriaan van Grinsven begon om onduidelijke redenen te schelden op Toon van Hoorn. Ze trokken zich daar niet al te veel van aan en liepen gedrieën verder.

Maar Adriaan haalde hen in en trok een mes richting Toon van Hoorn. Toon trachtte te vluchten door over de sloot te springen en het veld in te rennen. Maar Adriaan achterhaalde hem en stak hem in de schouder. Uiteindelijk wist Geurt van Teeffelen het handgemeen te beëindigen. Coen van Hoorn verklaart nog dat Toon van Hoorn geen enkele aanleiding gaf tot deze ruzie of dit handgemeen. De getuigenis van Toon Willem van Hoorn is van gelijke strekking. Op donderdag 28 april komt hij van de Geffense markt gelopen samen met Coen Jan Janse van Hoorn en Gijsbert van Drunen, wonend te Lith. Bij het huis van Adriaan van Grinsven te Lithoijen gekomen, begint Van Grinsven zonder reden hem voor alles en nog wat uit te schelden.

Toon van Hoorn vroeg Adriaan wat hem bezielde en of hij hem ook maar iets in de weg had gelegd. Daarop kwam geen antwoord. Ze liepen gedrieën verder. Aangekomen bij de Nieuwe Steeg aan de Achterste Plak haalde Adriaan van Grinsven hen in en begon opnieuw te schelden. Het werd nu menens. Hoewel Toon van Hoorn probeerde te vluchten, vond Adriaan van Grinsven een mes en stak hem in de rug. Geurt van Teeffelen bemerkte de ruzie en wist de partijen te bedaren. Jacob Croes en Hendrick Kok Op 14 november 1804 legt Jan van Breugel een getuigenis af op verzoek van meester Antonij van Hanswijk, hoogschout van de stad en meierij van ’s-Hertogenbosch.

Op zondag 18 september 1804 omstreeks 4 uur in de middag was hij in de nieuwe hospes onder Oss. Daar waren ook Hendrick Kok en Jacob Croes, inwoners van Lithoijen. Jacob Croes vroeg plots wie hem beschuldigde van het vertellen van leugens, waarop Hendrick Kok antwoordde: “Dat ben ik!” Croes herhaalde zijn vraag en voegde daar aan toe “Wat lieg ik dan?”, waarop Kok zei: “Dat gij vorster bent geweest.” Croes suggereerde dat Kok niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Daarop begon Kok te vloeken en te schelden. Hij pakte Croes bij de borst en probeerde hem met geweld het huis uit te werken. Ondanks al zijn getier en geduw, lukte dat Kok niet. Uiteindelijk ging Croes uit eigener beweging naar buiten en Kok volgde hem.

Daar ontstond een handgemeen. Er werden messen getrokken. Hendrick Kok viel, stond weer op en wederom staken ze elkaar met ontblote messen. Samen met de gebroeders Louis en Ambrosius Nefkens was Jan van Breugel getuige van het handgemeen dat buiten plaats vond. Ze gingen wederom naar binnen en zo ook Hendrick Kok. Hij legde zijn mes op tafel en toonde een messteek in zijn rechterzij. De gebroeders Nefkens trokken hem zijn kleren uit en zagen een diepe bloedende wond die ze met doeken probeerde te stelpen. Toen dat niet lukte, plukten ze een bundel gras die ze op de wond legden om het bloeden te stelpen. Ze bezworen Hendrick Kok naar een dokter te gaan om zijn wond te laten verzorgen. Hendrick Kok zei dat niet te zullen doen. Hij waste zijn handen en vertrok.

Lees ook Bladeren door het Lithoijens Journaal 1798-1805

De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Deze vuist op deze vuist: knokken in de negentiende eeuw | BHIC