Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Geheimzinnig Gerra II  - De voorovereenkomst van 1812-1813 te Londen

Geheimzinnig Gerra II - De voorovereenkomst van 1812-1813 te Londen

Gerard Strijards

30 april 2025

Bijgewerkt op 30 april 2025

Welke geheim verbergt huize Gerra? Wat heeft dat te maken met de moordaanslag op mgr. Zwijsen? Of uiteindelijk zelfs… met de zaak Marietje Kessels? Onderzoeker Gerard Strijards kenschetst, via onder andere Abe Lenstra, Napoleon en Koning Willem I, vanuit een persoonlijke invalshoek dit bijzondere relaas. In deel 2: De voorovereenkomst van 1812-1813 te Londen.

Lees eerst deel 1

Napoleon I Buonaparte

In 1812 was het Londen duidelijk dat Napoleon I Buonaparte, Keizer der Fransen, zijn hand duchtig overspeeld had in de talloze “bevrijdingsoorlogen” die de Corsicaanse woesteling had aangericht in westelijk Europa. Napoleon was zelfs het onmetelijke Rusland van Tsaar Alexander I binnen gevallen in 1812, had een groot deel van zijn Grote Leger verspeeld in de Slag bij Borodino en had geen bivak kunnen slaan in Moskou iets verderop in het oosten. De Russen hadden die stad stomweg in brand gestoken. Dus kon het restant van dat leger in die stad niet overwinteren. Het moest terugtrekken in de ijzige vrieskou, waarbij dat restant grotendeels omkwam door bevriezing. Napoleon was alvast weggegaan, behaaglijk per reiskoets naar Parijs, waar hij dacht opnieuw te concentreren via lichtingen onder zijn bondgenoten en in de lente weer op te rukken. Dat wenste Londen tot iedere prijs te voorkomen door nieuwe rijken te stichten op Het Continent. Waaronder een Rijk der Vereenigde Nederlanden. Dat moest dienen als militaire bufferstaat waarbinnen een groot expeditieleger zou worden verzameld tegen die nieuwe legers van Frankrijk. De Prins van Oranje, Frederik Willem toch reeds te Engeland, kon dat mooi opzetten.

Een militaire bufferstaat voor een strategische reserve

Dat nieuwe Rijk zou een strategische uitvalsbasis zijn ten behoeve van Whitehall dat het voortdurend gelazer met de Revolutionaire Fransen zat was. Aanvankelijk zou deze Prins het grondgebied krijgen van de oude Republiek der Zeven Verenigde Provinciën mét Rijnland-Westfalen. Maar Pruisen, bondgenoot van de Britten wilde dat laatste territoir hebben. Dus kreeg de Prins de Zuidelijke Nederlanden. België en Luxemburg dus. De Prins wilde dat liever niet. Want daar hadden de katholieken de meerderheid. En die vertrouwde hij voor geen meter. Whitehall zei hem echter aan, dat hij te dezen moest aanvaarden wat hem geboden werd. En óók dat hij het zou bezuren als hij de katholieken niet voor zich had weten te winnen.

Hij had er maar voor te zorgen dat dezen hem zagen zitten en dat hun godsdienst gelijkwaardig werd behandeld als de protestantse. Dat hield mede in dat de Prins een regeling zou moeten treffen met de Heilige Stoel. Daarin zouden de geestelijken uit deze denominatie waarborgen krijgen dat hun hiërarchie door de Prins, ook als staatshoofd, volkomen gerespecteerd zou worden en dat zij géén strafvervolging – hoe dan ook – hoefden te duchten terzake hun bediening als religieuze leiders.

Procesprivileges voor de geestelijkheid

Hun “opperhoofden” zouden nimmer gedagvaard kunnen worden voor commune strafgerechten. Voor hen zou een geprivilegieerde rechtsgang worden voorzien. Waarbij ze een gespecialiseerde rechtbank zouden hebben, ingebed in de nationale rechterlijke organisatie zonder de verdoemelijke juryrechtspraak die teveel deed denken aan de volkssoevereiniteit uit de revolutionaire jaren 1789-1801. Mét bijzonder procesrecht, waarbij openbaarheid van de strafvordering in principe uitgesloten zou zijn. Hoe dat precies uit te voeren ware, dat liet Londen verder over aan de Prins en diens regering.

Maar het wilde daarover verder geen onmin meer in de nieuwe staat. Dat daarop aanmerkelijk risico kon bestaan, dat wist Whitehall al uit volkssonderingen in Vlaanderen en Brabant, de voormalige rijke centrale gewestelijke publieke organisatie der Zuidelijk Nederlanden. Den Bosch, Mechelen. Oudenaerden. Leuven, Het Hart der Zuidelijke Nederlanden, waarin het rooms-katholicisme onder bisschoppen zo hecht in de volksgeest verankerd was sedert de Middeleeuwen.  

De Acht Artikelen van Londen

Dat moest de Prins héél goed begrijpen. Londen zou ingrijpen als de Prins verweten zou kunnen worden dat hij katholieken achterstelde. Daarom zou hij ook inspecties te duchten hebben van Whitehall waarbij de Britten zouden controleren of hij zich wel aan de toescheidingsvoorwaarden hield. De Prins stond dus, hou het in het oog, onder curatele. Van Whitehall. Dit alles wordt beheerst door wat we nu de Acht Artikelen van Londen noemen. Whitehall dicteerde deze. Aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van Nagell, die dat alles deed vertalen in het Hollands in een memorandum of understanding gericht aan de Britse minister Castlereagh die te Parijs vertoefde om Napoleon en de Fransen de oren te wassen. Dat Hollandstalige stuk werd opgesteld door de secretaris van de Prins Anton Reinhard Falck, die opdracht had verder nét te doen of deze redactie herkomstig was van de Prins.

Alsof de Prins zelf royaal de katholieken hun non-discriminatie constitutioneel borgde. Het was een toescheidingsvoorwaarde, geaccepteerd door de geallieerden van Londen.  Zij drukten hun wens uit om de meest perfecte “versmelting” van de twee landen te bewerkstelligen. Zij nodigden de Prins uit het Verdrag, alsmede de benoeming tot Gouverneur-Generaal van België, te accepteren en om in een liberale geest stappen te zetten om de gewenste versmelting te bewerkstelligen.

Willem accepteerde dit morrend op 21 juli 1814 op het allerlaatst. Terwijl die Prins tot die onvoorwaardelijke versmelting eigenlijk hoegenaamd geen lust bezat. Zeker niet, als hij dat moest doen in overeenstemming met de Heilige Stoel in een verdrag. Want de Prins zag in de Paus beslist geen wereldlijk staatshoofd.  Een welgeslaagde volksverlakkerij dus. Want decennialang gingen Nederlanders én Belgen er eigenlijk vanuit dat de Prins wel degelijk deze gelijkstelling zelf had willen invoeren. Omdat hij een wijze Vorst wilde zijn.

 Daarom staat er in artikel 2: Er zal geen verandering in die artikelen van de grondwet zijn welke aan alle godsdiensten gelijke bescherming en voorrechten verzekeren en de toelaatbaarheid waarborgen van alle burgers, onafhankelijk van godsdienst, aan openbare betrekkingen en waardigheden.

En in artikel 4: Alle inwoners van Nederland aldus hebbende gelijke constitutionele rechten, zullen gelijke voorrechten hebben op alle commerciële en andere rechten waartoe hun omstandigheden aanleiding geven, zonder enig belemmering of obstakel op te leggen aan om het even welk profijt van anderen.

Lees ook de andere delen

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.