Voor de exploitant van het Eindhovens Bels Lijntje was de oktobermaand 1918 bijzonder onoverzichtelijk.
Die verwarrende oktobermaand 1918 en het baanvak Hasselt/Eindhoven

Het was chaos, enerzijds vanwege de exploitatie en het onderhoud van de diverse dienstregelingen die elkaar kruisten op het enkel spoorlijntje, anderzijds voor het te dezen toepasselijk volkerenrechtelijk neutraliteitsrecht. Nederland was namelijk nog altijd neutraal en vooral de westelijke geallieerden keken daar nu met argwaan tegenaan. België was uiteraard nog steeds in onvoorwaardelijke oorlogstoestand en behoorde tot de legermacht waarover generalissimus Foch het oppercommando sinds kort voerde. Tot zijn leedwezen, want hij oordeelde komende slagen reeds verloren, omdat zijn infanteristen aan het eind van hun spreekwoordelijk Latijn waren.
Hij zag de spoorverbindingen die vanuit de zuidoostelijke hoek van Noord-Brabant werden onderhouden als mogelijke vijandelijke transportaderen voor een ultiem tegenoffensief dat hij ieder ogenblik verwachtte. Wat hij niet wist, was dat het binnenland van Keizerlijk Duitsland gistte van revoluties in de deelstaten terwijl in Berlijn een rijkskanselier op bed lag te slapen die bijna niet meer wakker te krijgen was, omdat hij te veel slaapdrank had ingenomen ter bekamping van een veronderstelde aanval van Spaanse Griep. Max von Baden lag in coma en werd daaruit nauwelijks verlost. Hij kon het niet meer aan. Ludendorff in deze fase ook niet.
De Duitse bezetters breken alvast maar op
De bezettende Duitse etappediensten in de Belgische Kempen hadden hun legeronderdelen massaal verlaten. Ze bestormden de Brabantse buurtspoordiensten, vorderden karren en paarden en levensmiddelen, eventueel op het lijf gedragen vivres: te voet naar huis. Naar de rechter Rijnoever. Met trossen lummelden ze rond op de stationnetjes bij Neerpelt en de rangeerperrons in Hamont, soms zelfs hangend op de treeplanken van afgerangeerde treinstellen, aan de goederenwagons van de lokale stoomtrams. Het Eindhovens Bels Lijntje bleef op en neer rijden tussen neutraal gebied in staat van beleg en vijandelijk gebied.
Op de lijnen zaten nu veel documentlozen die ook nog eens smokkelden en veel wapens, munitie, drank, dekens, linnen, koperdraad, telefoontoestellen van de velddiensten en uniformstukken met alle onderscheidingen met zich torsten, omdat ze wisten dat ze geen reguliere soldij meer gingen krijgen. Er zijn veel wanhopige processen-verbaal over en ook onafgedane verzoeken om wederzijdse rechtshulp ter opsporing en inbeslagneming.
Maar de rechterlijke organisaties werkten internationaal niet meer samen. De veldwachters gaven niet thuis, de politiediensten nog minder. Vandaar dat achteraf ook niemand een overzicht had van de treinpassages en hun vrachten, al helemaal niet na de reeksen explosies die zich soms dagen achtereen doorontwikkelden toen ladingen waren gaan smeulen. Daartussen, levensgevaarlijk, onaangemelde Rode Kruistreinen vol kermende gewonden, soms ook afgestampt met lijken.

Eindhovense artsen houden het hoofd koel
Deze beschouwingen schrijf ik voor BHIC ter plaatsing in deze oktobermaand 2025, omdat de bebedding van dat Eindhovens Bels Lijntje dan tijdelijk een echte plaats van herinnering kan zijn. Want die bedding is nog traceerbaar en hier en daar kan men zelfs nog een halteplaats ontwaren die destijds ongetwijfeld op deze druk bereden trajecten brancards heeft ontladen of juist ingenomen.
Er zijn twee Eindhovense artsen die ambtshalve op het geluid van de explosies zijn afgekomen en geen deel namen aan alle emotionele ontremmingen die de chaos, de absente overheden, de plunderende Saksers en Beieren, de brandstichtingen, opbrekingen en versperringen moesten teweegbrengen. Daarbij valt vooral op dat de politionele handhaving door de nationale autoriteiten van Nederland en België eigenlijk volkomen afwezig is. Dat constateren deze artsen ook laconiek. Het gaat om dr. C. Roëll, Rode Kruisarts uit Eindhoven en dr. Schürmann, chef geneeskundige dienst van de gemeente Eindhoven, die geheel vrijwillig naar de brandhaarden tijgen en ook al in oktober waarschuwingen aan hun superieuren doen uitgaan, dat er een grote volksverhuizing dreigt aan te komen met alle gevaren van dien.
Een demografische verschuiving met onberekenbare gevolgen
Dan wijzen ze op de besmettelijke ziekten waarom de gemelde legeronderdelen ook berucht zijn en hun mateloze ongedisciplineerdheden, omdat ze de pest hebben aan de Pruisische opperofficieren die maar blijven snauwen, bulken en privileges geldend maken wanneer het gaat om vervoer, voedingsverschaffing, ligging, bordeelbezoek en private logies met inkwartiering.
De artsen geven hun minachting voor het ontbindende Keizerlijk Leger wel te kennen, maar ook voor de Belgische magistraten die hun egoïsme, egotisme en egocentrie in hun bedieningen volledig laten domineren. Ook zij jatten als de raven en ook zij hebben later onverklaarbare voorraden goederen in beheer uit het zwarte circuit.
Dat zijn waarachtig juist niet de Nederlanders, zeggen die artsen. Ze spreken veel Duitse gewonden die op de banken achterbleven op de perrons van Hamont. Daar liggen ze te creperen, dood te bloeden en nog worden ze bestolen! Ze vragen de artsen om hun kameraden te redden en naar Nederland te brengen, waar het nog veilig schijnt te zijn. Die artsen willen daaraan gevolg geven, maar mág dat eigenlijk wel?
Wie weet wat het neutraliteitsrecht gebiedt?
Deze armzaligen zijn immers Duitse soldaten. Nederland mag ze, neutraal zijnde, niet toelaten ook al liggen ze weg te kwijnen. Komen ze desondanks toch via Achel in Nederland, dan moeten ze in Valkenswaard geïnterneerd worden, want ze horen tot de oorlogvoerende partij Duitsland en Nederland mag ze dus niet helpen. Ze vragen het aan een General-Oberarzt, prof. dr. Martins, een martiale, hakkenklapperige en schneidige chirurg uit Berlijn. Die zegt dat hij uit deze hellespelonken verlost wil worden. Hij kan het niet meer aanzien. Maar hij wil eervol naar die Heimat.

Hij wil dus niet geïnterneerd worden, want dat is Fahnenflucht, desertie in het aangezicht van de vijand - en hij is generaal! De artsen besluiten dat ze deze stakkers met die generaal maar via Budel naar Vlodorp zullen laten treinen, dat is nog mogelijk. Maar dan moet de bevoegde Bahnhofsvorsteher uit Hamont die de verantwoordelijkheid voor de Duitse treinbewegingen heeft mee als supervisor en verder mag die generaal niet terugkomen, zeker niet via Achel.
Op hun noodroep om hulp ervaren de twee artsen dat Prins Hendrik komt opdagen in generaalsuniform. Hij komt pas de 22e november en spreekt dan zwaargewonden toe die op de perrons liggen te wachten op transport, kan niet schelen waarheen. Dat blijkt dan toch Den Bosch te zijn, maar niet als men slechts oogverwondingen heeft. Dan moet men naar Utrecht. Maar die trein staat nog in Rotterdam te dampen. De artsen zijn weinig gesticht, ook omdat de prins een Brabantse koffiemaaltijd krijgt en de gewonden niks. Het is voorwaar van alle tijden.
