De Kulturkampf was de strijd die de Rijksoverheid van het pas opgerichte Duitse Rijk onder Otto von Bismarck van 1872 tot 1879 voerde tegen de Katholieke Kerk. Deze vond voornamelijk plaats in Pruisen, maar in mindere mate ook in Baden, Hessen-Darmstadt en Saksen.
Bismarcks Kulturkampf
Het loog er niet om. Maar omdat Pruisen het sterkste landleger ter wereld – het Franse – in 1870 verpletterend had verslagen, vroegen Europese mogendheden maar even niet verder. Nederland ook niet. Maar dat ervoer die strijd wel door massale immigratie vanuit de oosterburen. Kultuurstrijd, wat was dat? De term werd ingevoerd door Rudolf Virchow, een Pruisisch afgevaardigde, omdat het in zijn ogen een strijd was tussen de 'moderne beschaving' en het obscurantisme.

De protestantse Pruisische Junker Bismarck, die overigens niets om religie gaf, wantrouwde de katholieke 'Deutsche Zentrumspartei' (Duitse Centrumpartij), kortweg "Zentrum" genoemd, die onder leiding van Ludwig Windthorst stond. De nieuwe Rijkskanselier vond dat katholieken eigenlijk geen volwaardige Duitsers waren vanwege hun hang naar Rome. Joden nog minder. Die zaten ook veel aan te schurken tegen die Centrumpartij.
Ze kwamen naar het zuidoosten van Noord-Brabant, waar ze opvallend hergroepeerden. Eindhoven merkte het door de aanvrage van een vergunning om een grote synagoge te mogen bouwen, nog wel in de Kerkstraat tegenover de Sint-Catharinakerk. Ze lieten blijken dat ze dat nieuwe Keizerrijk gevaarlijk vonden en roerden zich. Elias bijvoorbeeld ook. Nederland was neutraal, tot iedere prijs. Dat vond al die verongelijkte Rijnlanders en hun families toch maar vervelend. Berlijn keek argwanend toe. Hield Nederland deze nakketikkers wel goed in de smiezen? Bismarck liet meedelen dat hij iedere aanslag op zijn nieuwe regeringsvorm Den Haag euvel zou duiden.
De Roomsen gaan zich organiseren in Nederland, de Joden ook
Hij vond deze Centrumpartij een 'onnationale' partij. Ze zag de paus eigenlijk als het echte staatshoofd en ze voerde correspondenties met de Romeinse Curie. Er was immers ooit een Heilig Rooms Rijk der Duitse Natie geweest met een katholieke keizer aan het hoofd. Als er dan toch een Duits Keizerrijk moest zijn, waarom dan dat Roomse Rijk niet met zijn fantastische middeleeuwse wortels tot ver vóór de Vrede van Münster van 1648? Van dat Roomse Rijk maakten de Nederlanden ooit deel uit. Hertogdom Brabant was toen zelfs heel welvarend geweest via de Hanzebetrekkingen.
Dat waren ook de gedachten die Elias en de zijnen wel zagen zitten, ze waren nu toch in dat Brabant en de bijbehorende schaalvergroting van handelsdebiet zonder douanebelemmeringen zagen ze voor hun ondernemingen bepaald zitten. Niet via Berlijn, maar via Utrecht of Den Haag. Dat vonden nu de Nederlandse katholieken zoals Joseph Alberdingk Thijm, Victor de Stuers, Schaepman en de bouwmeester Cuypers ook. Ze zagen aan de Kultuurstrijd ook hoe kwetsbaar ze konden zijn. Ze keerden van Dreesmann, Vroom en de Brenninkmeijers dat ze zich maar politiek moesten organiseren in een eigen zuil. Daar ging het Episcopaat ook iets van vinden. Straks werden de Roomsen ook vervolgd! Er kwam een Verbond van Roomsch Katholieke Kieskringen, duidelijk ook voorstander van een politiek waarbij Berlijn op afstand werd gehouden.

Annexatie van Nederland door het Duitse keizerrijk?
Bismarck zag deze Roomse partijvorming als een obstakel op de weg naar Duitse unificatie zoals hij die zich voorstelde: een hoofdzakelijk protestants Duitsland, zonder het katholieke Oostenrijk, maar misschien wel met Nederland als deelstaat erbij? Rotterdam dat was toch een Rijnhaven - een Duitse haven, eigenlijk? Vooral nu daar fantastische bekkens waren gevormd op Feyenoord met directe spoorverbindingen naar de ertsgebieden in de Ruhr?
Hij was bang dat de katholieke Zentrumspartei – die haar aanhang vooral in het meest katholieke zuiden van Duitsland had – een bedreiging zou gaan vormen voor het door de protestants-Pruisische elite gedomineerde keizerrijk. Hij vreesde dat Duitse katholieken zouden samenspannen met Franse en Oostenrijkse katholieken in een supranationale organisatie. Die kant ging het ook wel op, maar dan kon een mogelijke annexatie van Nederland als zeeoeverstaat weleens problematisch worden. Bismarck ging dus de Nederlandse liberalen flink onder druk zetten. Hij wilde nu gemeenschappelijke spoorwegverdragen, om zeker te zijn dat Pruisen ook straks via Nederland kon mobiliseren tegen erfvijand Frankrijk. Dat bleef een te grote smoel houden. Den Haag wilde niet, maar het wilde dat ook niet zeggen. Van Bismarck kon je alles verwachten; die bemoeide zich werkelijk overal mee.
Samen met politici uit liberale kringen was Bismarck tevens gekant tegen het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870), waarop het dogma over de pauselijke onfeilbaarheid werd geformuleerd in de constitutie Pastor Aeternus. De Nederlandse Roomsen vonden het prachtig. Dat lieten ze het Vaticaan merken, bijvoorbeeld toen Leo XIII zijn Gouden Priesterfeest vierde, met een enorm prachtboek. U vindt het op de BHIC-site vaak in fraaie illustraties. Dat vond Bismarck een provocatie; het was anti-Duits.

Het herlevend continentaal katholicisme
Om deze redenen wilden ze de invloed van de Katholieke Kerk fnuiken en startten ze een reeks antiklerikale maatregelen. Dat terwijl het katholicisme mondiaal juist weer herleefde, ook in Nederland, tot ongenoegen van de liberalen. De Kulturkampf was in Bismarcks ogen een "preventieve oorlog tegen een interne vijand".
Nederland was eigenlijk Germaans, vonden Duitse nationalisten. Het maakte eens immers goeddeels onderdeel uit van de Burgundischer Kreis van het Heilige Roomse Rijk. Dat was bij de Vrede van Venlo in 1543 zo geregeld. Alleen wist Nederland dat niet goed (meer).
De eerste maatregel om het gehele Duitse Rijk aan te sporen tot het lutherse geloof, ging van start in 1871 toen de katholieke afdeling van het Pruisische ministerie van Eredienst werd opgeheven. In 1873 werd het burgerlijk huwelijk verplicht; een echtpaar kon pas daarna kerkelijk trouwen. Ook werden weerspannige priesters en bisschoppen gevangengenomen of het land uitgezet.
Draconische bestrijdingen van het katholicisme
In juli 1872 werden de jezuïeten uit Pruisen verbannen. Later werden ook andere kloosterorden opgeheven en eveneens het land uitgezet. In 1873 werden de Mei-wetten uitgevaardigd, hetgeen een hoogtepunt in de strijd tegen de Katholieke Kerk betekende. Kandidaat-priesters werden verplicht om voor een periode van ten minste drie jaar aan een Duitse universiteit te studeren. In 1874 was het Pruisisch gezantschap bij de Heilige Stoel opgeheven. Nederland had dat in 1870 al gedaan. Dat had de ogen van de Nederlandse katholieken geopend. Liberalen, dat waren hun vrienden toch niet.

De politieke leiders (vooral Windthorst) en de kerkleiders (vooral het episcopaat, met voorop mgr. Ledóchowski van Posen en Gnesen en mgr. Melchers van Keulen) boden veel weerstand tegen Bismarcks maatregelen, maar Bismarck sloeg hard terug met boetes, gevangenisstraffen en ontheffing van het geestelijk ambt.
In 1877 waren er van de twaalf bisschopszetels in Pruisen nog slechts vier bezet. In 1875 escaleerde de Kulturkampf nogmaals toen paus Pius IX, die een rechtlijnige koers voer, de antikatholieke wetten van Bismarck ongeldig verklaarde en niet-bindend voor de Duitse katholieken. Bismarck had aangekondigd dat hij deze strijd tot het bittere eind zou aanhouden ("Wij gaan niet naar Canossa!") maar moest ervaren dat men in politieke kringen vond dat hij te ver ging.
De onbeoogde braindrain naar Noord-Brabant
Bismarck schoot er weinig mee op. Voorlopig was zijn grote project economisch er nogal op achteruitgegaan. Hij had grote ondernemingen verjaagd en Beieren was nog weerbarstiger geworden dan het in 1870 al was. Grote rederijen in Rotterdam begonnen zich af te vragen wat ze binnenhaalden wanneer de Rijnhaven daar exterritoriaal zou worden om de overslag te faciliteren.
Den Haag zag het ineens toch niet zo zitten om het stelsel van fortificaties, linies, gegarnizoeneerde vestingen en stellingen – waaronder de gloednieuwe stellingen van Amsterdam en Hoek van Holland – maar op te geven en spoorwegbelemmeringen op te heffen. De gedachte dat de Pruisen wel eens gevaarlijk konden worden, werd steeds meer onderdeel van ’s lands buitenlandpolitiek aan het Plein in Den Haag. Men begon waarachtig over nieuwe defensiemaatregelen te denken en over een slagvloot. Er kwam alvast een mobiel veldleger en een nieuw strategisch plan voor Noord-Brabant.
De Teutoonse dreiging en de breedte van het Eindhovens Bels lijntje
Wat, als de zuiderspoorweg die een Belgisch concern had uit- en aangelegd via Moerdijk, Breda, Tilburg en Eindhoven naar het Ruhrgebied dezelfde spoorbreedte had als het Duitse net? Met verbindingen via buurtspoorwegen en raccordementen? Dan stond een pantsertrein met Duitse infanteristen en zware artillerie in een mum van tijd in Amsterdam, Den Haag maar ook in Brussel. Wat had het dan nog voor zin om zware pantserforten aan te leggen in de Hoek van Holland, op Pampus en in Vlissingen? Die konden dan achterwaarts omtrokken worden door het Keizerlijk Leger, met zijn afdeling militaire spoorwegen die vakwerk had geleverd waar Europa in 1870 nog raar van stond te kijken.
Dat Belgisch lijntje dat men de Strijper textiel magnaat Elias en zijn kornuiten met hun emballage-industrieën zo welwillend had gegund, met langgerekte laadperrons in de Genderbeemden, had warempel óók normaalspoor! Dat ging straks de doorgangsroute worden voor een nieuwe massale inval op Parijs. Men ging nu de gelijktijdige doorontwikkeling van de Zuiderspoorweg met het openleggen van het Ruhrgebied en de vertakkingen via Hasselt door vriendelijk Belgenland ineens anders bekijken. Minister-president Thorbecke had in 1870 gezien dat de spoorwegen stomweg open hadden gelegen voor de Duitsers die tegen de Fransen optrokken. Ook had hij gezien dat de Generale Staf aan het Plein er een enorme rotzooi van had gemaakt. Dat Berlijn daar geen gebruik van had gemaakt was pure mazzel. Daar mocht een staatsman niet op rekenen, niet nog eens.
