Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
We zijn nog niet aan het eind van ons latijn als het om Thomas Gerbrands gaat, de Schijndelse vorster, die blijkbaar niet op handen is gedragen door de Schijndelse bevolking en zeker niet door de leden van het dorpsbestuur. Toch was het in die tijd kennelijk niet zó simpel om een eenmaal benoemde functionaris uit zijn functie ontheven te krijgen. Vandaag nog enige slotopmerkingen rond deze bijzondere dorpsfiguur als ‘sfeerbeeld’ van het leven in de 18e eeuw.
Verandering van standplaats
Vorster Thomas Gerbrands heeft ook nog een broer die luistert naar de naam Anthony en die inmiddels ook bekend staat als iemand die vreselijk kan vloeken en bovendien maakt hij zich regelmatig schuldig aan dronkenschap. Men maakt zich in zijn directe omgeving dan ook gruwelijk veel zorgen over de opvoeding van zijn jonge kind Sara waar hij kennelijk slecht voor zorgt. Intussen is onze vorster van standplaats gewisseld en heeft blijkbaar sinds februari 1747 van Francis van der Eerden uit Boxtel herberg de Keulse Kar gehuurd.
Daar speelt zich natuurlijk ook weer het een en ander af. Op een dag komt de schepen Lucas van Habraken de Keulse Kar binnenwandelen om te komen afrekenen. Nog maar net over de dorpel duwt Gerbrands hem op een enigszins agressieve manier een glas jenever onder zijn neus en prompt daarop werkt hij de dorpsbestuurder als ongewenste gast naar buiten. Zelfs op straat zit hij hem nog met een geweer achterna. Pal na die affaire stapt meester-bierbrouwer Van Abeelen de herberg binnen. Die schijnt nogal wat bier afgeleverd te hebben en wil graag zijn centen zien. Voordat de bierbrouwer van wal kan steken met zijn verhaal krijgt hij al de nodige dreigementen naar zijn hoofd geslingerd in de sfeer van: “Schurk…maak dat je mijn huis uit komt of ik schop je er uit!”. Van Abeelen, die zijn pappenheimers onderhand kent, kiest de wijste partij en trekt zich terug.
Na goed een jaar verlaat Gerbrands de Keulse Kar weer en wordt hem een woning toegewezen die toebehoort aan juffrouw Maria de Jong, de weduwe van wijlen Johan van Oisterwijk in de Rechtestraat, thans de Hoofdstraat.
Nog meer slachtoffers
Op 22 maart 1748 leggen Adriaan Jansen Schoenmakers en Gordina Gijsbers, de dienstbode van de vorster, een verklaring af. Volgens hun getuigenis is er een heftige ruzie ontstaan tussen Evert Janssen van Delft en vorster Thomas Gerbrands. Van Delft loopt daarbij de nodige verwondingen op en meester-chirurgijn Innocentius Egidius Bernuly moet er aan te pas komen. Overigens….deze Evert was allesbehalve een lieverdje, getuige zijn eerdere gevangenschap in ’s-Hertogenbosch. De dorpschirurgijn constateert na de vechtpartij een fikse hoofdwond en de nodige verwondingen aan Van Delfts arm.
Jaren later verklaren Gerbrands, diens vrouw en dochter Mechelina, dat die bewuste Van Delft opnieuw een felle ruzie met de vorster heeft gehad, maar zelf is begonnen. De vrouw van Gerbrands heeft hem op die bewuste dag uitdrukkelijk gemaand a.u.b. naar huis te gaan. Immers ….als de dader zich bij het portaal van het huis meldt, wil vrouw Gerbrands meteen de deur dicht doen, maar de ruziemaker trekt acuut zijn mes. Hij loopt op de vrouw des huizes in. Zij raakt gelukkig niet gewond, maar er blijft wel een stevige kras op de deur achter.
Die dienstbode heeft het ook niet al te gemakkelijk in huize Gerbrands. Op een dag vraagt ze vrouw Gerbrands iets en haar woorden zijn nog niet koud of de vorster mept er op los en geeft haar een klap recht in haar gezicht, waardoor haar neus stevig begint te bloeden.
Dat Van Delft een berucht figuur is in Schijndel blijkt ook wel meerdere delicten die hij heeft gepleegd. Zo ontmoet hij in de herberg van Gerbrands een zekere Corst van Gerwen. Die bestelt een glas jenever en zet dat voor de snoodaard neer.
De geboren vechtersbaas geeft nogal luidruchtig te kennen, dat hij het vertikt met Van Gerwen een jenevertje te drinken. Ze vliegen elkaar in de haren , maar Van Gerwen trekt zich snel terug in de kamer waar Antony van Hanswijk, een broer van Antonetta, en dochter Mechelina Gerbrands zitten. Van Delft grijpt zijn mes en Van Gerwen verdedigt zich met een stoel. Toch loopt de laatste een stevige messteek in zijn arm op. Hij wordt acuut naar chirurgijn Bernuly gebracht om verbonden te worden.
Soldaten op de Slender
Hendrik Eimbert Voets komt op verzoek bij het dorpsbestuur aan met een verklaring, dat Gerbrands op 18 november 1748 ’s morgens om half acht al met vier soldaten aan de deur heeft gestaan van het huis van Bartel Teunis Verhagen, gelegen aan de Slender. De knecht van Bartel, die zelf nog op bed ligt, is het paard van zijn baas aan her roskammen en ziet plotseling de dragonders op hem af komen. Hij rent naar binnen, maar Thomas Gerbrands staat plotseling voor hem en roept hem toe: “Godt doome, hier heb ik den schelm!”. Hij grijpt de knecht bij de keel, die geen woord meer kan uitbrengen. Even later ontdekt Gerbrands dat hij de verkeerde te pakken heeft en zegt: “Godt doome, dit is de regte man niet!”.
Bartel Verhagen zelf, het geraas en de dreigementen aanhoord te hebben, is snel zijn huis uit gelopen, niets meer aan hebbende dan een hemd, broek en sokken. Gerbrands ziet hem vluchten en schreeuwt de soldaten toe: “Daar loopt den schelm heenen; Godt doome, schiet, schiet!”. Bartel valt van schrik ter aarde, maar is even later toch weten te ontkomen. Die val levert hem overigens wel een ontsteking aan zijn knie op, waarvan hij maar langzaam herstelt.
Op 30 november 1748 is het ook weer raak. Op dat moment is een zekere Francis Claas van Weer pachter van de houtschat. Hij moet de opbrengst van de houtschatpenningen bij Gerbrands gaan betalen. Houtschat betekent concreet, dat men van de opbrengst van elke gekapte boom een gedeelte moet afdragen aan de pachter van de houtschat. Na een woordenwisseling tussen beide heren is het Gerbrands die hem de deur wijst en schreeuwt: “Gij kanalje, schurk, kerel scheer u de deur uyt, ik heb u niet van doen”. Van Weert maakt hem duidelijk, dat hij er zich in kan vinden dat Gerbrands schelmen en dieven buiten de deur zet, maar tot die categorie rekent hij zichzelf niet. Hij beschouwt zich als een eerlijk man, die ook uit eerlijke en oprechte ouders is geboren. Slot van het liedje is dat Gerbrands en zijn vrouw bezoeker Van Weert bij de arm grijpen en hem buiten zetten. Ze roepen hem nog na dat er alle dagen nog drie of vier boeren opgehangen moesten worden omdat ze veel te ‘struijs’ of brutaal worden.
Ruim een half jaar later komen er weer nieuwe klachten binnen over het ergerlijk en aanstootgevend gedrag van Gerbrands. Men weet er geen raad meer mee. Zijn misstappen, wandaden en buitensporig gedrag duldt men niet langer. Op 27 juni 1749 wordt hij provisioneel of voorlopig uit zijn functie gezet in afwachting van een definitieve uitzetting, waarover men in de Staten Generaal in Den Haag moet beslissen.
Deze roemruchte figuur zal tijdens ons historisch onderzoek in andere archieven vast en zeker nog eens meer opduiken!
[Bron: www.henkbeijersarchiefcollectie.nl, met name oud-rechterlijk archief van Schijndel 1530-1811 en aan het notarieel archief van notaris Jellico uit de 18de eeuw; BHIC proces voor de Raad van Brabant inv.nr. 447.219]
Oorspronkelijke publicatiedatum: 2 augustus 2007 (nr. 14)


