De strijd in een troosteloos barrièregebied ontwikkelde zich langzaam.
De oorlog start aarzelend
Beide partijen – Frankrijk en Gelre enerzijds, de Habsburgers anderdeels – hadden vooral moeite met de ontzagwekkend lange en gecompliceerde aanvoerlijnen, die ook nog eens door bezwaarlijk berggebied liepen, want buiten het Maasdal weigerden de landen van transit voor deze bevoorradingstroepen iedere medewerking en soms pleegden ze verzet. Die staten zagen in, dat zij belang hadden bij een vrij toegankelijke delta van Schelde en Rijn tot aan de Noordzee en dat militaire bezettingen en annexaties nooit in die regio in hun voordeel konden uitpakken.
In 1528 trokken de Gelrese destabilisatietroepen weer eens Kempenland binnen. Een ultieme laatste krachtsinspanning van de Gelrese hertog, want Karel V had nu een mobiel veldleger geconcentreerd paraat. Karel drong ze terug. Maar in Strijp hielden de voorhoeden van Van Rossum toch huis. En niemand hield ze tegen. In dat beekdal waren de troepencommandanten verder niet erg geïnteresseerd. De Gelrese troepen werden slecht betaald en ze plunderden veel, maar er was in Strijp weinig waardevols te vinden.

De Fransen zijn geen betrouwbare geallieerden
De Fransen hielpen niet. Ze zonden verkenningstroepen, maar die deinsden af bij de eerste kenmerken van mogelijk geregelde defensie in opdracht van de Habsburgers. Wel kwamen ze in de Kempen, zelfs in Woensel, waar hun rudimenten nog traceerbaar zijn. Maar ze waren op dat moment al uit hun logistiek gelopen en, omdat verder geen geregelde ravitaillering kon worden geborgd, moesten ze leven van het veld, en daar hadden de huurlingen geen zin in. Habsburg was te goed georganiseerd en kon op de steden vaak terugvallen ter ondersteuning en dat konden de verkenners niet. Verder stond de hele boel blank en roestten de verkenners uit hun pantsers. Hun Koning kon niet tegen Karel op.
De Roomse Keizer heeft tijdelijk de overhand
In 1543 zag Gelre van iedere verovering af. Bourgondië had gewonnen. Dus de Roomse Keizer. Karel wilde nu voorzichtig beginnen met zijn belastingstelsel. Hij wilde dat hij een centrale regering zou kunnen vestigen in Brussel, toen nog echt een Brabantse stad. Hij zou van daaruit een net van waterstaatsvoorzieningen kunnen ontwikkelen tot ruim boven de grote rivieren, vervolgens de watergangen kunnen kanaliseren en grintwegen interregionaal kunnen dóórtrekken, want de steden waren daarvoor te belazerd. Was dat gebeurd dan zou de welvaart aanmerkelijk wassen en in het nieuwe stelsel zou dat nieuwe fiscaliteiten genereren. Hij vroeg aan de paus of hij bereid was tot de oprichting van die nieuwe bisdommen als nieuwe bestuurscentra. Karel wilde dan wel de bisschoppen kunnen voordragen en de paus zou niet buiten de voordracht om mogen gaan.

Karel dacht aan lijstjes, waaruit de paus welgevallige ambtenaren zou kunnen kiezen, maar nooit dan na overleg en in overeenstemming met Karel. Dat vond de stedehouder van Christus toch nogal wat. Hij was net begonnen met de bijeenroeping van het Concilie van Trente (1545-1563) ter recodificatie van geloofsleer en ter sanering van de sacramentele bedieningen, want die waren nogal uit de hand gelopen. Te Trente werd officieel vastgesteld dat het priesterambt een soort ambtelijk voorportaal was geworden voor een schitterende bureaucratische carrière waarbij vroomheid, geleerdheid en menslievendheid nauwelijks een rol speelde.
De reorganisatie van de kerk als rechtsgemeenschap
Daarom werden de opleidingen voor dat ambt wettelijk vastgelegd met exameneisen en verplichte curricula in de opleidingen. Een bisschop moest minstens op licentiaatsniveau theologie hebben gestudeerd en priesters moesten kunnen lezen en schrijven, in de landstaal en in het canoniek Latijn. Onmiddellijk kwam overal de adel in opstand: die had bastaarden gefokt bij het leven die via de kerk lucratieve baantjes konden krijgen zonder dat ze het alfabet machtig waren. Vooral in de Lage Landen maakten de graven van Egmond, Horne en Nassau-Breda sporreling.
In zonderheid omdat ze ook nog eens lucht hadden gekregen van de gedetailleerde fiscale voornemens van Karel. In onderlinge samenhang waren die opleidingseisen en de opheffing van fiscale immuniteiten een soort revolte. Dat kón echt niet. Daar gingen hun privileges! Karel besloot daarop te dimmen en het vooral via de schemeringen van de achterkamertjes te spelen: hij had nu genoeg gestudeerde klerken in dienst die niet van adel waren en die de pest hadden aan de nachtbrakende nathalzen van jonkertjes in Brussel en ommelanden die god noch gebod respecteerden en toch straks hun ambtelijke directeurs zouden worden.
Een bureaucratische apparatsjik ziet zijn kans

Onder hen een man met blinde ambitie. Een kanselarij-intrigant die likkend, trappend en ellebogend naar boven trachtte te werken. De vent heette Sus van de Velde. Fransiscus Sonnius. Geboren te Son. Zijn familie was rijk, maar niet van adel - zelfs niet notabel. Sus was de bolleboos die het vér ging brengen. Hij deed de Latijnse school te Den Bosch. Hij kwam daar Erasmus ook nog tegen, maar lang voordat die Europees beroemd was. Sonnius was een pedante appetanterik. Hij slaagde met glans en ging eerst naar Utrecht, naar de Stichtse kapittelschool en daarna naar Leuven, waar hij eerst medicijnen probeerde, maar toch eindigde met een licentiaat in de theologie. Hij promoveerde tot doctor in 1539 en werd hoogleraar.
Maar hij wilde ambtelijk hogerop. Hij wist precies waar hij naar de recepties moest om zich prettig kenbaar te maken bij mensen waar hij wat aan zou kunnen hebben. Kruiwagens. Niet wat je kunt, maar wie je ként. Daar was hij handig in. Hij werd dan ook rector te Leuven in 1543. En in 1545 kerkelijk inquisiteur. Hij kon als rechter-commissaris overal zijn snuffel insteken en kwam al spoedig achter de reorganisatieplannen van Karel V. Daar wilde hij in méé surfen. Dus ging hij in de diverse ambtelijke voorbereidingscommissies zitten, want hij was niet van adel en als burger die niet eens patriciaatsachtergronden had kon hij de mijter wel vergeten. Zijn kans kwam in 1547, toe hij als theologisch raadadviseur voor Kamerijk naar Trente werd gestuurd.
De veronderstelde rijkdom van Brabant
Daar kwamen de voorziene reorganisaties van de bisdommen aan de orde en de nieuwe ambtelijke schalenpiramide. Brabant stond nog steeds bekend als een uiterst lucratief ambtsgebied. Een topambtenaar die dáár niet slapende rijk wist te worden, was stomweg een hinderlijke sukkel, een loser. Dat was Brabant op dat moment al lang niet meer, maar dat drong maar niet door tot de hovelingen rond Karel V te Madrid. Die zaten gewoon te ver weg van dat werkterrein.
Karel voerde enorm veel oorlogen, tegen de protestanten en tegen de Ottomanen. Dat kostte geld. En volgens de topambtenaren te Madrid – Karel was tenslotte ook koning van Spanje – was dat geld gemakkelijk in de Lage Landen te halen mits de daarheen te zenden topambtenaren maar een beetje goochem omsprongen met de nieuwere belastingwetgeving die voorzag in een soort belasting toegevoegde waarde om zowat alle uitwisseling van goederen en diensten.
De ervaring leerde dat de Brabo’s doorgaans de aanslagen tijdig en regelmatig honoreerden en dat de inningen niet al te veel problemen op plachten te leveren. De bisschoppen zouden daarbij optreden als hoofdinspecteurs die provisiegerechtigd waren, dus die zouden flink wat binnen kunnen halen, ook in hun eigen belang.
De implementatie regionaal
Sonnius had veel vóórkennis over de tariefschalen, de progressiviteit bij de inkomstenbelastingen en de accijnzen over sacramentaliën en wist aan welke kant zijn boterham gesmeerd was. De steden in Braboland waren verder nooit gegarnizoeneerd en hadden geen schutterij van betekenis, dus die konden makkelijk óverlopen worden door een mobiel professioneel bezettingsleger, dus kat in het bakkie.
Sonnius was ook vast van plan om bezettingskosten door te berekenen en eventueel over te gaan tot verbeurdverklaringen. Dat was in Brabant algemeen bekend. Ook dat hij een opportunist was met een uitgekiende strategie. Het zou allemaal, tot schade van vooral de Kempen, waar blijken te zijn. Dat zouden de Stripers aan den lijve ondervinden. Letterlijk. Ze zouden, wederom letterlijk, tot op het bot uitgekleed worden en nergens gehoor vinden. Een plunderage van zeker honderdvijftig jaar dreigde.

Sonnius zorgde dat hij in de overlegcommissie kwam die dat uitwerkte. Want hij wilde bisschop worden van Den Bosch. Dat lukte niet direct. Hij was te astrant. Hij werd flink afgeremd door de kardinalen. Maar toen Karel V was afgetreden in 1555 kreeg Sonnius toch de kans, omdat diens opvolger in de Lage Landen, Koning Filips II, van toeten noch blazen wist met betrekking tot de delineaties van de nieuwe bisdommen, de omschrijvingen en taakstellingen van de nieuwe kerkvorsten. Sonnius herschreef het profiel van de Bossche zetbaas van Spanje, zó, dat het hem inderdaad op het lijf geschreven was.
Filips II laat Sonnius de teugel
Filips, die een soort nerd was en een lijder aan het syndroom van Asperger, zette hem dus op de voordracht. Eigenlijk zag iedereen destijds de toeleg van Sonnius wel in. Behalve zijn zoon Philips, die mij doet denken aan prof. mr. dr. E.M.H. Hirsch Ballin, die als minister van justitie ook altijd bij voorkeur topambtenaren benoemde die deel waren van een bureaucratisch probleem en dat krachtig verergerden. Sonnius wist het nieuwe bestuursjargon goed te serveren in zijn oplegnota’s aan Rome en Madrid en verder hóóg op te geven, ook weer in precies de juiste bureaucratische taal, van zijn efficiëntie en dereguleringsmaatregelen. Dat doet het goed. Zeker als de baas persoonlijk nooit komt inspecteren en graag in zijn bubble blijft.
Lees hier verder in Oud Strijp (9): Gedwongen legeringen en leveringen te Strijp.
Ga hier terug naar Oud Strijp (7): Habsburgse begunstiging van Braboland.
