Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Militair Gezag in Brabant, 1944-1946 (2)

Militair Gezag in Brabant, 1944-1946 (2)

Gerard Strijards

3 september 2024

Bijgewerkt op 6 september 2024

De minister-president De Geer had opvallend weinig gevoel voor de interstatelijke geopolitieke verhoudingen. Dat mocht de minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens graag meesmuilend releveren. Hij placht dan te zeggen: de Geer die had een evenaar die ging van De Hoek tot Zevenaar.

Uiteraard nadat de koningin De Geer had gedwongen tot aftreden, eind 1940. Van Kleffens zei er niet bij dat dat óók gold voor de andere ministers en voor hemzelf allereerst. Nederlandse politici dachten niet in Angelsaksische termen. Niet Transatlantisch.

Engels spraken ze doorgaans niet. De actieve beheersing van die wereldtaal werd op hun gymnasia niet onderricht. Zij waren georiënteerd op Miteuropa, Centraal-Europa, met Berlijn als middelpunt. Zeker nadat al in 1939 gebleken was dat het roemruchte Franse Veldleger inert was en nauwelijks mobilisabel, weggekropen in de spelonken van de Maginotlinie, tot aan de wapenstilstand in Compiègne. Daarom duurde het ook lang voordat het oorlogskabinet in de smiezen kreeg dat Duitsland toch de oorlog niet kon winnen, hetgeen niet gelijk staat aan ”verliezen”.  Pas nadat Duitsland in 1943 de tankslag bij Koersk verpletterend had verpest en geen triomf meer wist te behalen, ging het Londens kabinet denken over een Terugkeer van de regering, maar nog niet over de daarbij passende constitutionele verhoudingen.

Competentievetes

Diverse bewindspersonen gingen zich nu bezighouden met de voorbereiding van deze Terugkeer. Ze overlegden nauwelijks, omdat ze elkaar steeds minder vertrouwden. Ze zetten daarom onafhankelijk van elkaar organisaties op, die deze Terugkeer moesten voorbereiden, maar ook de repatriëring van grote bevolkingsgroepen ván Nederland naar het oosten en omgekeerd vanuit Centraal-Europa naar het westen. Bij de eersten moet men denken aan de honderdduizenden die als arbeidskrachten gedwongen waren ingezet bij de Duitse oorlogsindustrie en de kolonisaties in Oekraïne, Belarus en Georgië, toen de Duitse opmars daar nog onstuitbaar scheen.

Maar denk ook aan de krijgsgevangenen uit de westerse Angelsaksische legers, de massaal gedeporteerden en vooral de oorlogsgedetineerden uit de Sovjetlegers, door de Duitsers naar hun westelijk achterland gezonden om daar slavenarbeid te verrichten. Er zaten er nogal wat in Nederland. En omgekeerd de tweede influx die te verwachten was bij de terugkeer van de regering: die van de krijgsgevangenen en uit Duitsland en uit de legers waarmede de Berlijn allianties had gesloten, zoals Italianen, Hongaren, Roemenen, Kroaten en de geallieerden daarvan. Velen waren tewerkgesteld in de oorlogsindustrie van de bezette landen, zoals de mijnen.

Prins Bernhard in Eindhoven
Prins Bernhard in Eindhoven, kort na de bevrijding in september 1944. (Foto: collectie BHIC, nr. 1915-003331.)

Schuinsmarcheerder Bernilo

In het oorlogskabinet zaten twee geharnaste socialisten: Jan van den Tempel, minister van Arbeid en Willem Albarda, minister van Waterstaat. Die vertrouwden Wilhelmina en Pieter Gerbrandy voor geen meter - wat de Terugkeerregelingen voor de regering betreft, dan. Ze wisten te goed dat Wilhelmina een koninklijk bewind wilde. Monarchale autocratie. Prins Bernhard was er de kampioen van met de militaire ambities van een generalissimus. Daaraan wensten deze rode ministers niet mee te werken. Ze wilden zuivere democratie, terstond na de feitelijke militaire bevrijding en niet pas na een ingewikkeld vredesverdrag.

Onder die invalshoek bekeken ze de blinde ambitie van de generaal Kruls, de gedoodverfde chef-staf van het te vestigen Militair Gezag in welk bevrijd gebied dan ook. Die man wilde veldmaarschalk worden en daarin vergiste men zich niet.* Aan die eigenschap kon later Kruls zijn ontslag op staande voet als chef-staf van de Landmacht wijten, maar of hij dat ingezien heeft, valt zeer te betwijfelen.

Zo stond de USA-generaal Eisenhower er ook in. Hij wilde niet veel overlaten aan dat Gezag, vooral toen de nathals, nachtbraker en womanizer Bernhard van dat Gezag de opperbevelhebber dreigde te worden. Bernilo, noemde Wilhelmina deze kwant destijds nog liefkozend. Toen nog wel.

De schuimende dagen van de Binnenlandsche Strijdkrachten (BS)

Het was Eisenhower en zijn staf duidelijk dat de inzet van deze Bernilo niet echt gewenst was in het feitelijk bevrijde gebied bij de ontplooiing van de operaties van Market Garden. Bernilo gold als notoir onbetrouwbaar. Iemand voor de show, maar niet serieus te nemen. Niettemin had Washington verzekerd dat, wanneer de geallieerden feitelijk bevrijd gebied hadden kunnen consolideren bij de opmars, het Nederlandse Militair Gezag mocht optreden ter publieke rechtshandhaving. Het Nederlandse recht zou daarbij toepasselijk zijn en de Nederlandse magistratuur zou daarbij de leiding hebben, dus ook het Openbaar Ministerie te Den Bosch onder leiding van de Procureur-Generaal Speyart van Woerden. Dat was een oerkatholiek die de schavuiten van de BS in hoge mate misprees vanwege hun oriëntatie, via Bernilo, op wijntje, trijntje, hoeren en snoeren, waarbij de foerage van Brussel van SHAEF aardige dienst bewees, zij het noch van tactische noch van strategische aard.

Kruls was inmiddels doende gezeten regenten aan te zoeken als gemilitariseerde districtscommissarissen om het Militair Gezag uit te oefenen, waaronder mijn leraar Nederlands Harry Weijtens die bezwaarlijk kon figureren als karakterkomiek. Kortom, alles scheen op alles gezet om te bewerkstelligen dat BS, MG en magistratuur binnen de zuidoostelijke corridor daverend onderling in botsing kwamen en niet alleen bij plundering van de SHAEFvoorraden en het rondrijden in gevorderde stafauto’s.

H.J Kruls
Hendrik Johan Kruls, chef-staf van het Militair Gezag, in 1946. (Foto: coll. Nationaal Archief, nr. 254-2256 via Wikimedia Commons.)

De bevrijding als feestje

De bevrijding van de eerste delen van Nederland zorgde dus bepaald niet alleen voor vaderlandsliefde, vreugde, hernieuwd ethisch élan en opluchting. Deze bevrijding bracht ook onzekerheid en chaotische toestanden. Met het vertrek van de Duitse bezetter en de komst van de geallieerden ontstond een machtsvacuüm. Plaatselijke verzetsgroepen kwamen ‘bovengronds’ en pakten mensen op die zij van verraad verdachten. Arrestanten werden bespot en mishandeld en onschuldigen werden lang vastgehouden.  Het liep de spuigaten uit. Daarom beval Eisenhower om nadere arrangements op te stellen om partijen uit elkaar te houden.

Dat liet hij over aan de rasbureaucraat Luitenant-generaal Grasset die weer eens een bureautje oprichtte. Grasset was goed in de papieren oorlog, maar dat was dan ook alles. Hij kwam verder zijn kamer niet uit en dat ontging Bernilo en de zijnen niet. Er ontstonden chaotische situaties, waarin mensen voor eigen rechter speelden en plunderden, niet alleen de BS maar ook de PAN'ners, de Partizanen.  Zo schreef Johan Pekelharing, de tweede man van de zogeheten Zeelstertak van de PAN, in zijn memoires over een rit die hij door net bevrijd gebied maakte: “zowel op de heen- als op de terugweg werden we beschoten door net bevrijde, wild geworden PAN-mannen...”. Net alsof het een natuurverschijnsel was, zoals het stijgen van de zeespiegel. Je bent ertegen, maar je kan er niets aan doen.

Het volkerenrechtelijk basisverdrag tussen regering en SHAEF

De Nederlandse regering-in-ballingschap had genoeg tijd gehad om na te denken over hoe bestuur en ordehandhaving direct na de bevrijding moesten worden geregeld. Op 16 mei 1944 had zij daarover een overeenkomst gesloten met de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (SHAEF). Bevrijde gebieden zouden direct onder het gezag komen te staan van de opperbevelhebber van SHAEF, generaal Dwight D. Eisenhower. Praktisch waren echter de arrangements van Grasset beslissend, maar omdat Grasset nooit controleerde, stelde ook dat weinig voor.

Op 31 augustus gaf SHAEF, op wens van koningin Wilhelmina en op aandringen van prins Bernhard, uiteindelijk, maar toch met kenbare tegenzin, toestemming voor de vorming van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Prins Bernhard werd opperbevelhebber, onder Eisenhower. Op 5 september, Dolle Dinsdag, was de oprichting van de BS per Koninklijk Besluit een feit. Vervolgens werd op 14 september het Militair Gezag (MG) opgericht, onder generaal-majoor H.G. Kruls. Het MG was verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de bevrijde gebieden tot de terugkeer van de Nederlandse regering. De BS moest het MG hierin bijstaan. Daar kwam niet veel van terecht. Tegenwerking was aan de orde van de dag en verder kwam het MG altijd pas aanzetten als de BS giechelend met buit, gegijzelden en meiden ervan tussen was.

* = Nederland kent sinds 1881 geen veldmaarschalk meer. In 1914 werd de rang bij Koninklijk Besluit afgeschaft. [noot van de redactie]

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Militair Gezag in Brabant, 1944-1946 (2) | BHIC