Minister Jan van den Tempel was een van de laatsten van de gestaalde kaders van de Sociaaldemocratische Arbeidspartij (SDAP) die de orginaire dogmata van het Marxisme trouw bleef, óók als minister van Arbeid en Werkgelegenheid in het kabinet-De Geer dat in augustus 1939 aantrad.
Regeringscommissariaat voor de arbeidersrepatriëring
Verhoudingsgewijs was hij onverzettelijker en compromislozer dan Willem Albarda, ook een SDAP-er, maar dan een te Delft opgeleid ingenieur van de betere stand. Beiden hadden aarzelend zitting genomen in De Geers’ kabinet onder de overweging dat hier nu kansen lagen om de werkomstandigheden en de sociale zekerheden van de arbeidersklassen wettelijk grondig en principieel te verbeteren. De mobilisatie 1939 had daaraan een einde gemaakt. Node was Van den Tempel meegegaan in de vlucht naar Londen, wetende, dat hij zijn aspiraties nooit meer persoonlijk politiek zou kunnen realiseren.
In 1942 kwam hij erachter dat de Duitsers steeds meer arbeiders wisten te doen ronselen via de Dienst Werkverruiming en Uitvoering Werken, opgezet door de door hem inmiddels intens gehate roomse Romme. De Nederlandse werkloze die niet bereid was in Duitsland te gaan werken – altijd ten behoeve van de oorlogsindustrie – werd gekort op de steunuitkering of totaal uitgetrokken van iedere voorziening. Voor dezen zou Van den Tempel opkomen via een aparte dienst, die zou borgen dat zij na een Duitse capitulatie versneld zouden repatriëren en integreren in de Nederlandse arbeidsmarkt. En wel via een apart regeringscommissariaat dat hij in het geheim opzette. Dat commissariaat zou opgezet worden in het eerste bevrijde gebied dat daartoe geschikt was: Zuidoost Brabant. Het zou ook aanspraak mogen maken op alle logistiek waarover ook het MG zou beschikken.

Institutioneel wantrouwen tegen het MG
De SDAP kon zich ook in 1944 niet losmaken van een basaal wantrouwen tegen het militaire apparaat van welke nationaliteit ook, het beruchte militair-industriële complex waartegen ook de Derde Communistische Internationale al met kracht gewaarschuwd had. De Tweede Wereldoorlog had weer overtuigend aangetoond tot welke universele rampen dat apparaat moest leiden, een vooringenomenheid die later door veel socialisten ook jegens de NAVO zou worden gekoesterd. Van den Tempel besloot daarom dit regeringscommissariaat onder leiding, merkwaardigerwijze, van een ex-directielid van de Unilever, een zekere G.E. Ferwerda, op te zetten als bestrijder van het MG en diens repatriëringsmonopolie over de gedwongen tewerkgestelde Nederlandse arbeiders in Centraal-Europa.
Ook ten behoeve van Ferwerda wist Van den Tempel machtiging te verkrijgen via de minister van Oorlog Van Lidth de Jeude in 1944 om onbeperkt te putten uit de Brusselse fourage van SHAEF ter kleding en ter logistieke ondersteuning van de ambtenaren van deze repatriëringsdienst. Deze ambtenaren kregen uniformen aangemeten zonder militaire distinctieven en rangonderscheidingstekens, maar onderscheidden zich verder in niets van de ambtenaren MG of van de geallieerde personeelsleden ten behoeve van de afdeling civil affairs van Grasset.
Massale illegalen-influx via Eindhoven
Zij kregen tot taak af te reizen naar Centraal-Europa en daar inspecties te doen in de fabriekscomplexen en kampementen waar gedwongen oorlogsarbeid werd verricht ten behoeve van de Wehrmacht. Troffen zij dan arbeiders aan die zich beriepen op herkomst uit Nederland, dan waren zij bevoegd deze af te zonderen en af te doen reizen naar Nederland, vaak per spoor. In Nederland zou dan bekeken worden of deze personen inderdaad behoorden tot de doelgroep.
Dat bleek betreurenswaardig vaak niet het geval te zijn. Zelfs zware criminelen bleken op deze wijze tot Nederlandse opvangfaciliteiten toegelaten te worden binnen de corridor of zich te manifesteren als militairen die voor de As-mogendheden hadden gevochten. Uiteraard kreeg vooral het MG daar last van, mede omdat het vaak geen rechtsgrond kon ontwikkelen deze personen te detineren op wettelijke basis. Aangezien Ferwerda ervan uitging dat deze groep doorgeleid zou worden via een centraal opvangapparaat aan de sporen door Eindhoven werd dat oord ook op deze wijze een toneel van voortdurende bonje.
Knokkende BS'ers tegen het MG
De nogal vrijgevochten BS'ers waren, uiteraard, niet bereid zich te laten ringeloren door de namaak-kapiteins, majoors, oversten en kolonels van het MG die zich ook zwaarwichtig lieten voorstaan op de hen aangewaaide hoge rangen en die preferentie claimden bij de uitnutting van de SHAEF-fourages. De BS was op 5 september 1944 opgezet als bundeling van verzetsgroepen tegen de Duitse bezettingsautoriteiten. Maar ook hier gold: hoe stelt men eigenlijk vast dat iemand inderdaad feitelijk tot “het verzet” heeft behoord? Welke bewijsminima zijn daartoe vereist en wie stelt de geldigheid daarvan vast? Bedenk dat het maandenlang in de corridor die hierboven beschreven werd redelijk anarchistisch toe ging en voorts dat veel politioneel ingezette beambten tijdens de bezettingsjaren inderdaad gecorrumpeerd waren als collaborateurs.

Hooggeplaatste collaborateurs
Collaborateurs die op hun beurt weer ooit, vóór de oorlog, flink aangepakt waren door de thans vrij hoog van de toren blazende hogere officieren-MG. Sommigen daarvan hadden behoord tot magistratuur, politiewezen, zittende rechterlijke macht of parket en waren gaandeweg afgegleden tot een faciel collaborantendom.
Vaak burgemeesters, inderdaad, die in oorlogstijd. Maar ook de Brabantse commissaris van de Provincie, Jhr. Mr. Augustinus van Rijckevorsel, was er niet immuun voor gebleven. Te hunner verontschuldiging kan aangevoerd worden dat het instituut dat te dezen een voorbeeldfunctie had moeten hebben zich volledig geplooid had naar de nukken van de bezettingsmacht. Het had diens decreten van algemeen verbindende aard gelijkgesteld aan Nederlandse wetten in formele zin, die niet aan humanitaire minima getoetst mochten worden. Dus óók de deportatiedecreten niet.
Het toetsingsarrest
Ik bedoel hier de Hoge Raad der Nederlanden. Dat maakte de positie van de procureur-generaal te Den Bosch, Baron Speyart, dus zeer precair. Hij ging ervanuit dat op het moment van feitelijke bevrijding binnen de corridor de Nederlandse rechtsorganisatie weer volledig kon herleven en dat (dwang)bevelen vanwege het Openbaar Ministerie weer direct verbindend waren. Dat gold ook voor bevelen tot invrijheidstelling van verdachten van het misdrijf 'hulp aan de vijand in oorlogstijd of gericht tegen het humanitaire recht in tijd van gewapend conflict'.
Het Toetsingsarrest (HR 12 januari 1942, ECLI:NL:HR:1942:244, NJ 1942/271.) is een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden, waarin de Hoge Raad bepaalde dat verordeningen van de Duitse bezetter kracht van wet hadden en dat het de rechter daarom niet was toegestaan ze te toetsen aan de Nederlandse Grondwet en internationaal recht, waaronder het Landoorlogreglement van 1907, dat bijvoorbeeld deportaties ten behoeve van vijandelijke oorlogsindustrie verbiedt. Het arrest betrof een zaak waarin een man wegens een economisch delict (kopen van varkensvlees zonder geldige bonnen) door de economische strafrechter van de rechtbank te Den Haag veroordeeld was; het oordeel hield in hoger beroep stand. De raadsman van de verdachte, de advocaat mr. P. Groeneboom, betoogde in zijn pleidooi voor de Hoge Raad op 27 oktober 1941 dat de rechter de bevoegdheid had verordeningen van de bezetter te toetsen aan het Landoorlogreglement, een decreet van de Führer en de eerste verordening van de rijkscommissaris.
De BS dreigde daarom de Baron koud te maken en tevens om zijn helpers buiten de rechtsorde te plaatsen, of deze ook behoorden tot het MG of niet. De Baron meende dat de rechterlijke organisatie namelijk zonder meer kon herleven, met alle jurisdictionele consequenties van dien, binnen zijn bevrijd ressort. Daar dachten de verzetsstrijders in ieder geval anders over. Zo kwam een kolonel van dat MG ineens in een bewaringshok terecht bij de Rijksveldwacht te Kempenland in afwachting van sinistere berechting van eigen vinding.
Zo werden ministers van het oorlogskabinet, die kwartier kwamen maken te Oisterwijk, eveneens aangehouden en opgeleid voor nader verhoor. Reeds omdat ze geacht werden in connectie te staan met de steile Baron te Den Bosch. Maar daarover op het BHIC een andere keer. Als de lichtjesroute verbonden aan de Achttien Septemberfeesten weer gedoofd is.

