Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Anneke vervolgt haar stageverslag dat ze tijdens haar rondgang door het dorp een kleine indruk van de mensen had gekregen, een indruk die bovendien werd bekrachtigd door enkele inwoners zelf. Die beweerden nl. over de lieden hier in Wijbosch: “Ze zijn wel goe mar ze hebben zo d’r eigenaardigheden”.
Vrij kort daarop had Anneke een ontmoeting met de burgervader van Schijndel, die volgens haar als een echte vader waakte over zijn geliefde gemeente en zich openstelde voor de problemen van iedere inwoner. Daarna kwam Anneke zoals ze het zelf omschrift oog in oog te staan met de voorzitter van het Sociale Werk in Schijndel, de Heer Bolsius. Boven zijn fabriek ligt het centrum van het maatschappelijk werk en daar krijgen de gezinsverzorgsters hun instructies.
Ten slotte bracht Anneke ook een bezoek aan de toenmalige pastoor Vissers die de geestelijke zorg heeft voor de Wijbossche gemeenschap. Grappig hoe ze de pastorie omschrijft: “Dit pastoorke woont in een huisje van Hans en Grietje zo uit het sprookje weggelopen. Het staat er klein en wit, met groene luiken, lage heesters en kleurige bloemen rondom. Ook binnen ziet het er artistiek en smaakvol uit. Het pastoorke zelf is vriendelijk als zijn omgeving en staat altijd helemaal klaar voor de zorgen van zijn ‘kínderen’.
Anneke heeft de pastoor ervaren als iemand met een rustig en streng gezicht waarin een paar vriendelijke ogen staan. Een stevig meisje zwaait in zijn keuken de scepter en verder heeft hij nog een assistent van een pater van de orde van St.Damiaan in de spreektaal ‘het heilig pastoorke van het Wijbos genoemd’ dat uitmunt in nederigheid en werklust. Blijkbaar kwam Anneke de pater Damiaan al vroeg tegen op zijn fiets als hij over, zoals zij beschrijft, de verlaten en modderige weggetjes op route is naar zijn hulpbehoevenden in de verarmde huizen. En ze vervolgt haar relaas dan als volgt: ”Pruimen en appelen komen dan uit zijn heilige zakken te voorschijn voor hen die hij tegenkomt. Soms ben ik zelf de gelukkige en ik maak dan vol heilig ontzag een kruisteken alvorens dit gezegende fruit te nuttigen”.
Maar ze merkt nog meer zaken op. Zo omschrijft ze hoe naast het huisje van de pastoor het grote half kapot geschoten huis van de ‘nonnetjes’ staat, waar er nog maar slechts acht wonen. Ze leven hier zorgeloos onder de wake van een goede moeder-overste. Ze lachen en zingen en zijn, dat is althans mijn indruk, de befaamde uitzondering die de regels bevestigt. De overste bood mij aan bij hen ’s middags te komen eten en ’s avonds koffie te komen drinken gedurende mijn stagemaand.
Genoeg nu over de eerste verkenningtocht door het gehucht Wijbosch. Ik had de omgeving aardig verkend en zou nu langzamerhand eens gaan kennis maken met het gezin waar ik de hele maand in huis zou zijn.
Oorspronkelijke publicatiedatum: 14 november 2018 (nr. 35)