Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Anneke werd via Sociaal Werk aan een gastgezin toevertrouwd waar ze in die maand augustus zou logeren. Als stadsmeisje werd ze nu dagelijks geconfronteerd met het leven op het platteland. Ze beschrijft dan ook hoe ze op dat boerenbedrijf water leerde putten, omgaan met een dorsvlegel, paardrijden, zowel in galop als in gestrekte draf, zelfs het melken werd haar bijgebracht. En als de avond was gevallen over het stille land en de boeren voor het huis op de bank zaten, vaak met hun pijp in de mond, dan klonken er Brabantse liedjes.
Het ontroerde Anneke af en toe. Maar het doel van haar stageperiode was uiteindelijk om kennis te maken met een uitgesproken probleemgezin waar van alles op haar af zou komen. Ze zou het aan den lijve ondervinden nadat enkele heren van de sociale dienst haar begeleid hadden naar haar praktijkadres. Naarmate ze het kleine huisje naderden steeg bij Anneke de spanning en haar gevoel van onzekerheid nam alleen maar toe. Plotseling dook een krotwoninkje op met een geranium voor een kapotte ruit, wat franjes van gescheurde gordijnen en om het huisje alleen maar wat distels en doornen. Anneke klopte wat zenuwachtig op de deur, een hond sloeg meteen aan en de vrouw des huizes begroette haar, want die was al op de hoogte gebracht van haar komst.
De eerste kennismaking beschrijft Anneke vrij gedetailleerd en verhaalt: “Het vrouwke gaat wat scheef gezakt op een stoel zitten zonder leuning, lange sluikse haren hangen over haar rug, links draagt ze een klomp en rechts een schoen en daarin wat afgezakte en gerafelde kousen. Haar handen zijn mager en vuil, haar gezicht slap en bleek. De kleine kinderen bekijken mij van boven tot onder, enkelen van hen met een snottebelneus of een kwijlende mond en bij eentje zag ik de nodige zweren op haar lijfje. Vader, evenals zijn oudste dochter, werkt op een fabriek.
Moreel, dat is het oordeel van Anneke op dat moment, is het gezin niet slecht. Op ’n bepaald moment kijkt ze nog eens wat nauwkeuriger rond, wandelt eens door de paar kamers waar nauwelijks meubilair te bespeuren valt. Hoe kan men zó leven is Annekes eerste gedachte, om van te walgen en alles wat je aanraakt is glibberig van de viezigheid. Het gevoel komt bij haar op dat ze echt in een zwijnenstal terecht is gekomen. Het water wordt uit een put gehaald die nog nooit is schoongemaakt als ze de modderige bodem bekijkt. Het eten wordt buiten gekookt. Ze stoken een vuurtje, halen wat takken en hout, een scheut benzine en dan laait het op, een prairiebrand gelijk.
De juffrouw, want zo wordt Anneke genoemd, laat niets merken van wat ze hier moet zien te overwinnen want het is zo anders als in het gezin waarin ze zelf is grootgebracht. Wat denk je van die snottebellen, zweren, verouderde poepluiers, dooie vliegen, wespen, pissebedden en vlooien. De kinderen lijken wel echte natuurproducten!
Oorspronkelijke publicatiedatum: 28 november 2018 (nr. 36)