Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Op 15 juli 1945 moest het gehele gezelschap er aan geloven. Aan de grote verhuizing was niet meer te ontkomen. We wisten wat ons boven het hoofd zou komen hangen. De reis ging naar het kamp van Aek Paminke, een volkomen onbekend oord. Op de 14e hadden we kisten, teilen, en de slechtste emmers al naar de kamppoort moeten brengen en nu kwamen de bultzakken of matrassen en de handkoffers aan de beurt. We moesten om 4 uur opstaan en na een sobere viering met gebed, meditatie en communie-uitreiking stond het ontbijt klaar van uitsluitend maiskorrels alsof daarmee alle magen voldoende gevuld zouden zijn. Integendeel, maar meer kregen we niet. Het was nu wachten op de vrachtwagens voor transport.
Na enige tijd reden ze voor en kon het inladen beginnen. Eerst de bultzakken, dan de koffers die tevens als zitbank zouden moeten dienen. De kisten werden op een andere vrachtwagen vervoerd. Alle zestien zusters klommen vervolgens op de wagen die hen was toegewezen. Stel je voor, vier uur lang in de brandende zon zittend op koffers die eigenlijk veel te hard waren voor onze inmiddels magere botten. Het hotste en botste alle kanten uit, af en toe viel je tegen elkaar of raakten je benen bekneld en sommige zusters hadden veel last van wagenziekte. Een erbarmelijke tocht op het onmenselijke af, maar je had je maar te schikken naar de moedwil van de Jappen. Doodmoe kwamen we in Medan aan bij een ander Jappenkamp waar nog tachtig dames verbleven, die voor ons gekookt hadden.
Alle vrachtwagens moesten vervolgens uitgeladen worden, want het transport ging nu verder met de trein. De hele bagage lag door elkaar in het vuile zand en niemand had eigenlijk nog toezicht op z’n eigen spullen. Alles van maar liefst 700 mensen werd nu naar klaar staande wagons gesleurd om daar weer zo ordelijk mogelijk gestapeld te kunnen worden. Je voelde je spierkracht steeds minder worden en nadat dit karwei in de verzengende hitte was geklaard werd ons een slaapplaats aangewezen. We zouden de volgende dag pas afreizen, zodat de bultzakken nu mee naar binnen moesten. Van slapen kwam niet veel terecht zo vermoeid was iedereen. Maar goed ….. we konden in ieder geval wat op adem komen.
Daags daarna, zo rond zes uur in de namiddag kwam een groep Jappen binnen en de commandant deelde zijn orders uit nl. 4 aan 4 gaan staan en groepen van 40 personen vormen. Daar stonden we met een zware rugzak, een handkoffer of mand met spullen en wij droegen om beurten ook nog een groot kruisbeeld mee onder de arm. Bij elke groep werd een dubbele wacht geplaatst. Het tellen begon, maar omdat de kinderen niet op hun plaats bleven staan, werd weer herteld. Zieken werden op brancards gelegd of op veldbedden meegedragen. Zuster Francisca zelfs met een gebroken knie! Het werd een trieste aftocht. Sommigen verzuchtten al….”Komt er nu nooit een einde aan die oorlog?”. Bij een aantal zakte de moed werkelijk in de schoenen.
Bron:
Dagboek van Zuster Wilmino van Roosmalen – congregatie-archief Zusters van Schijndel [A 87] inv.nr.1108. incl. tekeningen.
Oorspronkelijke publicatiedatum: 22 mei 2018 (nr. 24)
Illustratie via Leiden University Libraries, Digital Collections.
