Bij de Vrede van Münster horen dus, zoals aangegeven, weer tal van ingewikkelde uitvoeringsreglementen. Dat is altijd zo bij dit soort verdragen.
Een Brabantse lappendeken
Ze formuleren algemene principes die partijen elkaar garanderen niet langer te betwisten, uit te voeren in regionale regelingen en implementatiebesluiten, waarbij de haalbaarheid op locatie een belangrijke en vaak doorslaggevende rol speelt. Het verdrag biedt alleen maar een juridisch denkraam, dat die partijen elkaar wederkerig beloven te volgen.
Die Vrede had mede betrekking op de beëindiging van de Duitse Dertigjarige Oorlog, die nog veel meer slagvelden en terreuroperaties had omvat dan onze eigenste Tachtigjarige Oorlog, die begonnen zou zijn in 1568 met het onthoofden van de al veel besproken Graaf van Horne, Heer van Eindhoven en randgemeenten, onopgeëiste heerlijkheden, kwartieren, vlekken en vrijheden. Die nationale oorlog had óók veel slagen omvat, tijdelijke bestanden en wapenstrekkingen, regelingen tot uitruil van krijgsgevangenen, gegijzelden en geïnterneerden, schadevergoedingen, schadeloosstellingen en compensaties op middellange termijn. Die werden nu in deze arrangementen mede geregeld.

Dat gebeurde door verschillende redactiecommissies en diplomatieke werkgroepen, die steeds per geval nieuwe regelingen voorzagen. Dat maakte Staats-Brabant op den duur tot een lappendeken van verschillende jurisdictiekringen waarin ook steeds ander recht gold: soms het canonieke, soms het Rooms-Hollandsche en soms het Duitse recht. Logica was geenszins troef. Wat de ingezetenen ervan vonden en hoe ze konden weten wat voor recht toepasselijk was en in welke volgorde interesseerde niemand een zier. Daarom heeft het ook zo lang geduurd voordat in het Nederlandse Wetboek van Strafregt van 1886 eindelijk volledig toepasselijk was in Brabant. Het Hof te Den Bosch had er een apart rechterlijk ambtenaar met de rang van gerechtsauditeur voor doen aanstellen.
De geografische omschrijvingen als bijlagen bij deze arrangementen
Dat gold ook voor de geografische delineaties van de landsgrenzen van de Republiek. Die waren verschrikkelijk ingewikkeld te cartograferen, reeds omdat men soms terug moest naar militaire afwachtingsopstellingen van 1598, 1602, 1609 en 1621. Dan waren er nog de talloze immuniteiten, exterritorialiteiten, protectoraten en enclaves die de Republiek opgaf te zullen respecteren, vooral aan de vorsten van het Heilig Roomse Rijk van de Duitse Natie die geestelijke ridderorden hadden vergund zich neer te laten in Noordelijk Brabant, Het Sticht en het graafschap van Zutphen en die katholiek waren gebleven of het katholicisme wilden blijven laten praktiseren, zoals de Duitse ridders van Gemert en de kloosters in en rondom Luiks-Gestel of Luyksgestel zoals het nu gespeld wordt.
Luyks-Gestel als voorbeeld

Het betrof hier een langgerekte gradiënt in het landschap. De Prins-Bisschop van Luik had daar van den aanvang, ter uitvoering van het Verdrag van Meerssen van 876 een reeks van schansen en legeringsplaatsen aan laten leggen. De Prins-Bisschop liet in Münster aanzeggen, dat hij niet van plan was zijn jurisdictie over deze gestel – dus: een verhevenheid in het landschap – op te zeggen.
Zijn jurisdictionele immuniteits- en exteritorrialiteitsrechten waren ouder en herkomstig uit een verdrag waarbij de Apostolische Keizer van het Heilige Rijk der Teutoonse Naties waarachtig ook borgende partij was. Hij had ter plaatse een enclave, een strategische uitvalsbasis tot zijn beschikking en hij was waarachtig niet van plan dat op te geven, dat recht, als de Duitse Ridders óók mochten stipuleren dat ze volledige beschikkingsmacht militair bekeken mochten opeisen over Gemert. Hij eiste dus dat hier een uitzondering werd gemaakt op de koloniale rechtsmacht van de Republiek der Zeven Vereenigde Provinciën.
Daarvan eiste hij erkenning bij de slotverklaring van Münster. Die kreeg hij, maar wat de rechtsgevolgen van deze erkenning waren, dat moest weer overgelaten worden aan één van de vele uitvoeringsarrangementen. Verder maakte de Koning van Frankrijk bij de ratificatie van het verdrag van Westfalen meteen reserves bij deze erkenning via interpretatieve verklaringen. Deze erkenning zou niet gelden wanneer die Koning, God verhoede, in oorlog zou komen met de genoemde Keizer van het Heilig Roomse Duitse Rijk. Tot die oorlog was de Zonnekoning Lodewijk XIV al lang besloten, maar dat wisten de Staten-Generaal in Den Haag nog lang niet op dat moment.
De komende oorlogen met Frankrijk
Ze zouden erachter komen en dat zouden de inwoners van dat Luyker Gestel evenzeer, tot hun deerlijke bekommernis. Zo wil het de Nemesis der Geschiedenis. Het plaatsje heeft dus niet tot de Republiek der Verenigde Nederlanden behoord. Er stond dan ook een grenskerk, die de Heikerk werd genoemd, en waar van 1648 tot 1672 de Bergeijkse katholieken konden kerken. Ook die kerk kreeg een speciale status: ze bleef vallen onder Luikse rechtsmacht en werd dus een buiten de enclave liggende sacrale immuniteit, die ook asielrechten kon verlenen.
In de Franse Tijd (1794-1814) bleef de enclave aanvankelijk gehandhaafd, nu als Franse gemeente deel uitmakend van het departement Nedermaas en daarbinnen behorend tot het arrondissement Roermond (kanton Achel). Bij het Verdrag van Fontainebleau eind 1807 ruilden het Eerste Franse Keizerrijk en het Koninkrijk Holland een deel van Luyksgestel met Lommel. Dit deel behoorde toen korte tijd tot het Hollandse departement Brabant. Bij de opheffing van het Koninkrijk Holland in 1810 ging het Hollandse deel van Luyksgestel over naar het Franse departement Monden van de Rijn (departement en kanton Eindhoven).

Suske en Wiske en de bokkenrijders
Het andere deel bleef al die tijd bij Nedermaas behoren. Strafvervolging in Staats-Brabant voor feiten, die naar Hollands recht wel maar overigens niet strafbaar waren, werd dus knap ingewikkeld als de plaats waar de feiten waren begaan binnen de enclaves of de immuniteit lagen. Bedelaarsbenden maakten daar dus grondig misbruik van, tot diep in de negentiende eeuw. Vandaar dat in deze streek de mythische bokkenrijders blijvend voet aan de grond kregen. Aan deze situatie is een echt Kempisch Suske-en-Wiske album gewijd dat menig Brabants jongetje in het Rijke Roomse leven ademloos heeft gelezen, van genoegen spinnend over de tijd dat een Luiker Kerkvorst gebiedenis had in Nederlandse gewesten.
Suske en Wiske zijn dan ook in dat album helemaal rooms, hebben heilig hartbeelden op hun kamertje en doen hun avondgebed, terwijl zonneklaar is welk een hemelschennend misdrijf het omsmelten van gouden heiligenbeelden is, waartoe de satan de rijders steeds weer aanzet. Dat waren nog eens overzichtelijke tijden; daar kan de multiculturele samenleving heden ten dage niet tegenop.
De Luiker reserves bij de vredesregelingen
Verder had de Prins-bisschop van Luik te Münster aan de pauselijke gezant alvast opgegeven, binnen zijn soevereine missie van neutraliteitsgarant van het Maasdal, dat hij niet geacht wilde worden mede te werken aan de uitvoering van het Vredesverdrag en dat hij evenmin de wereldlijke voorzieningen vervat in de decreten van het Concilie van Trente zou respecteren. Die dateerden van ná het verdrag van Meerssen in 876, en daar had zijne Excellentie niets mee te maken. Dat was knap ingewikkeld dus, alles bij elkaar.
In Münster was in ieder geval uitgemaakt dat de Republiek zelf zou regelen of en in hoeverre godsdienstvrijheid zou bestaan binnen haar gebied. Dat had zij overgelaten aan de gewesten. Holland en Zeeland hadden meteen gezegd dat de Nederduytse Gereformeerde Kercke de enig heersende zou zijn. Bond dat ook in Brabant dat nu koloniaal gebied was?
De Raad van State moet de jurisdictiekringen bepalen
De Staten-Generaal wilden daarin niet besluiten en lieten dat ook weer bedisselen door de Raad van State die daarover maar niet beviel van een duidelijk standpunt en de zaak voor zich uit bleef schuiven. In 1650 kwam er een Algemeen Reglement voor de Nederduytse Kercke. Was dat nu ook van rechtswege executoir, zonder tussenkomst van de lokale autoriteiten uitvoerbaar, in de koloniën onder de Grote Rivieren? Als dat zo was, hadden de Strijpers levensgrote problemen. De Raad piekerde er niet over om daarin bij algemene regeling nader te voorzien. Hij gaf steeds ad hoc-besluiten. Per gebouw, per persoon, per situatie.

Was bijvoorbeeld het Strijpse kerkhof nu wel of niet van de genoemde gereformeerde kerk, ja of nee? En hoorde de toren, het bellefort, daar ook bij, het maakte van het kerkschip immers geen deel uit? Die toren had van oudsher een publieke, wereldlijke functie. Het was het voorraadhok voor de brandweermiddelen, de gerieven voor de lijkbezorging en de detentieruimte voor misdadigers, landlopers, bedelaars en mensen die rondhingen zonder ontlastbrieven van hun plaatsen van oorsprong.
De ontlastbrieven van mensen zonder vaste woon- of verblijfsplaats
Dat waren de documenten waarin hun geboorteplaats garant stond voor hun stoffelijke onderstand: een gemeente, waarbinnen ze aangetroffen werden, kon ze dan terugsturen naar die plaats. Die ontlastbrieven waren destijds goud waard voor vagebonden en bedelaars. Het bezit ervan vrijwaarde voor strafvorderlijke hechtenis terwijl ook vreemdelingenbewaring pas toegestaan was als de ontlastbrief niet werd erkend door de schout van de gemeente of de vrijheid die geacht werd de brief uitgevaardigd te hebben.
Aldus kreeg de bezitter ervan een soort verblijfsstatus, zoals tegenwoordig, paradoxaal genoeg, documentloze vreemdelingen bezitten omdat ze technisch niet uitzetbaar worden. De brieven waren een soort toonderbewijs en de bedelaar droeg ze dan ook naast de heilbrengende scapulier op het doorzwete en vervuilde onderhemd. Strijp kreeg er veel mee te maken. Het zette de vreemdeling tijdelijk vast in het luidhuis waar hij afwachtte wat lezing van het door hem nimmer geopende plakkerige document nog voor wonderlijke gevolgen bleek te hebben.
Kunstige vervalsingen waren voortdurend in omloop omdat men tijdelijk publieke onderstand en maatschappelijk hulpbetoon mocht verwachten zolang de intellectuele integriteit van het smoezelige document niet was vastgesteld. De koddebeier liet de betrokken leegloper dus doorgaans liever maar gaan, nadat hij de vent een klap met de klewang had verkocht. Zat hij in het luidhuis, dan hoorde de organisatie die over dat huis beschikken mocht ook in de detentie te voorzien naar kleding, ligging en voedselverstrekking. Soms was dat de gemeente, soms de Eindhovense diaconie, maar soms ook de roomse parochie in een van de twee schuilkerken.

Palaveren door Strijpse dompers
In 1650-1665 werd daarover enorm veel gepalaverd in Eindhoven, Den Haag en Delft, waar nog wat overheidsdiensten zaten uit de tijd van de actuele opstand. Het ging de Strijpers, die de ambtsberichten van de Raad van State niet konden lezen, niet zozeer om het kerkgebouw. Het ging hen om het luidhuis met klokken en het kerkhof. Zij hadden doden te begraven. Die moesten krachtig uitgeluid worden via klokke Trudo, die alle spoken en duivels rondom het lijk effectief wegjoeg. Zie onder meer op deze site: https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/striper-rouwdompen-1.
Het lijk werd daartoe op een baar onder de stoel gezet en “overgeluid” naar eer en traditie: de kleine gemeenschap autochtonen stond erop. Gebeurde dat niet, dan waren de Strijpers gedoemd jarenlange spokerijen, schijngestalten en dwaallichten te verduren die zich via dat lijk – wie het ook was – verspreidden om niet ter hellekrochten te hoeven af te dalen. Was het stoffelijk overschot zevenmaal overgeluid, bonkend, dreunend en stug hamerend, dan moest het onmiddellijk afgezonken worden in de gemene lijkkuil. Zand erover. Dichtplempen. Zie voorts nader gedetailleerd: https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/striper-rouwdompen-3.
Een belangrijk volksreinigend ritueel. Anders wisten de gedoemden toch nog uit de lijkopeningen door te sluipen naar de oppervlakte om Strijp te teisteren. Als dat niet mocht, dan was dat geen onderdrukking, maar bedreiging van de geestelijke volksgezondheid. Begrepen ze dat in Den Haag niet?
Lees hier verder in Oud Strijp (16): Over de vervolgingen in Braboland.
