Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Oud Strijp (16): Over de vervolgingen in Braboland

Oud Strijp (16): Over de vervolgingen in Braboland

Gerard Strijards

27 februari 2025

Bijgewerkt op 4 maart 2025

Als je de rooms-katholieke geschiedenisboekjes die in de negentiende en twintigste eeuw verschenen over de strafvervolgingen van het “Katholieke Volksdeel” in de periode 1600-1848 moet geloven, waren de roomsen in Brabant er niet best aan toe.

Roomse geschiedenisboekjes

W.J.F. Nuyens
W.J.F. Nuyens (bron: Wikimedia Commons).

Nuyens verhaalt ons dat ze eigenlijk voortdurend op hun hoede moesten zijn en dat ze door de protestanten in Staats-Brabant werden gebrandschat als ze deden blijken van hun religie. Ze moesten vaak, na gijzeling, de gevangenis in.

Ze mochten hun armzalige schuilkerkjes wel bezigen voor hun erediensten, maar tegen betaling van grote sommen aan schout, vorsters (politionele zaakwaarnemers voor protestantse adellijke families of rechterlijke districtscommissarissen), rechters, schepenen of wethouders uit de stadse magistraten en werden steeds door die overheden gechanteerd. Nuyens gaat daarin wel ver. Maar hij was een West-Friese dorpsdokter en wist eigenlijk nu niet echt heel veel van de Brabantse verhoudingen af.

Gezeten in zijn hinderlijk schokkende koetsje, rammelend over de Friese Omringdijk boven Hoorn, schreef hij een vijfdelige serie over het trouwe volksdeel dat toch het katholicisme bleef aanhangen en hoe stoïcijns, vastbesloten en listig dat deel al deze kwellerij en achterstelling maar bleef aanvaarden totdat Paus Pius IX, roemrijk regerend, hen bevrijdde uit deze discriminatoire positie via zijn Bulla uit 1853 waarbij hij dat deel hun bisschoppelijke hiërarchie hergaf en in Utrecht zelfs een aartsbisschop deed zetelen.

De katholieke emancipatie

De katholieke bloeiden aanstonds op en begonnen hun enorme neogotische kerken te bouwen, processies en bedevaarten te houden, hun eigen onderwijsinrichtingen te herstellen en hun politieke deelname aan de volksvertegenwoordiging in Den Haag te organiseren, allemaal blijmoedig en met opoffering van al hun zuurverdiende spaarcenten. De Brabo’s durfden zich aanstonds flink te doen gelden, ook universitair, de geestelijken werden nu eerbiedig gegroet op straat en de Nederlandse missiën onder de heidenen bloeiden.

Ze emancipeerden vrijmoedig. Ze waren dapper en vertrouwden op Rome en hun episcopaat dat hen wijs aanstuurde.

Ze bouwden aan een geconsolideerde rechtsstaat met welvaart voor ieder. En ze deden alles met blijdschap ter bekering van alle Nederlanders die dat, op hun beurt, ook dankbaar aanvaardden: Nederland zou in het midden van de twintigste eeuw gerekatholiseerd zijn. Nadat de katholieken zich in 1880 min of meer geconsolideerd hadden tot een zuil die zij tot 1970 krampachtig in stand hebben gehouden – net als de protestanten de hunne – hebben zij deze historiografische visie flink ontwikkeld en dus hooggehouden dat ze tussen 1650-1720 verschrikkelijk geteisterd en vervolgd werden binnen de Republiek.

De katholieke zuil

Met “zuil” bedoelt men dat ze hun kerkelijke geloofsgemeenschap doorontwikkelden tot een autonome staat binnen de staat der Nederlanden. Centraal stond daarbij de Federatie van Rooms-Katholieke Kieskringen, die later werd omgezet in de roemruchte Rooms-Katholieke Staatspartij. Die gemeenschap had zowat voor alles eigen instituties, voorliggende voorzieningen, faciliteiten en inrichtingen, zoals ziekenhuizen, verenigingen ter ontspanning, maar ook wetenschapsinzichten. Er was katholieke geneeskunst, rekenkunde, aardrijkskunde en geschiedenis. Een katholiek was aangewezen op die zuil. Hij kon er eigenlijk nooit goed uit.

Doctor Vlimmen

Anton Roothaert
Anton Roothaert, auteur van de 'Vlimmen-trilogie'. (bron: Wikimedia Commons).

Hij moest op de Staatspartij stemmen en kwam alleen echt vooruit als hij met zijn eigen “voorlieden” op intieme voet stond. Lees maar eens de Trilogie Dokter Vlimmen, geschreven door Anton Roodhaert. Hoofdpersoon is een dierenarts die vindt dat hij eigenlijk de enige is die in aanmerking komt voor de directeursfunctie van een gemeentelijk slachthuis in een niet nader genoemde stad. Dat is Eindhoven. Doctor Vlimmens loopbaan en bestaan is onderwerp van een boek uit 1937 van Anton Roothaert over een gelijknamige veearts. Het verhaal speelt zich af in de Nederlandse provincie Noord-Brabant in de crisisjaren 1930-1940.

In die tijd was Noord-Brabant relatief zwaar rooms-katholiek en de hoofdpersoon loopt te hoop tegen arrogante hoge personen uit de Kerk, die zich op hun positie en macht laten voorstaan. Priester schuwen niets om dissidente katholieken het leven zuur te maken. Vooral, wanneer ze dat afwijkend gedrag niet komen biechten, uiteraard berouwvol. Wanneer Vlimmen ervan wordt verdacht dat hij zijn dienstmeisje zwanger heeft gemaakt, wordt de verhouding tussen hem en de Kerk zeer precair. Maar Vlimmen ligt vooral slecht bij burgemeester en wethouders, omdat hij het overigens publiekelijk met de huwelijkstrouw niet nauw neemt: hij gaat vaak naar de Antwerpse hoeren en bezoek ranzige Kempische tapperijen. Hij wordt dus nooit directeur en blijft op een tweederangs praktijk aangewezen. Hij wordt opgezadeld met wat de Duitsers een Berufsverbot noemen.

Eervolle erkenningen en aanstellingen gaan zijn neus voorbij, ook al is hij cum laude in het buitenland gepromoveerd op een welgereputeerd proefschrift. Alles wat Vlimmen mispeutert in Antwerpen of op zijn huisbezoeken wordt doorgebriefd via geestelijke adviseurs van veeartsenijkundige verenigingen of de Noord-Brabantsche Christelijke Boerenbond. Die overal verspieders heeft. Van de zuil gaat een zekere geestesdwang om niet te zeggen terreur uit. En de vraag kan rijzen of die niet erger was dan die uit de dagen dat Brabant koloniaal wingebied was. Dat het katholieke volksdeel in 1853 “In Vrijheid Herleefde”, zoals Jan Rogier wil in het boek “In Vrijheid Herleefd” dat in 1954 op de markt kwam ter herdenking van het honderdjarig bestaan van de Nederlandse bisschoppelijke hiërarchie, doet wellicht niet geheel recht aan de historische werkelijkheid. Maar het boek kwam de Katholieke Volkspartij wel erg goed uit.

Geschiedenisvervalsing voor een goed doel

Twee voortrekkers in de laatste kunde excelleerden erin om te demonstreren hoe eeuwenlang de katholieken in Nederland verschrikkelijk gediscrimineerd werden en zich nauwelijks in het publieke domein durfden te vertonen. Daar begon een zekere gedroste dominee Joachim Le Sage ten Broecke mee, vroeg in de XIXe eeuw. De uiterst luidruchtige Hollandse dorpsdokter Willem Nuyens spande de kroon. Hij schreef goed en meeslepend. Dat ervaar je via zijn zesdelige Algemeene Geschiedenis des Nederlandschen Volks.

In de tweede druk laat Nuyens niets onbeproefd in 1880. Als je hem moet geloven zaten de katholieken driehonderd jaar met rode koppen van angst bibberend op hun vlierinkjes te wachten tot schout en rakkers weer eens binnen vielen op zoek naar kruisbeelden, rozenkransen en wijwatervaatjes. Overdrijven is óók een kunst. Maar deze overdrijving vind je ook bij Jan de Jong, auteur van een meerdelig standaardwerk over de Rooms-Katholieke kerkgeschiedenis in Nederland als gewest – en dat is bij hem iets heel anders dan vaderlandse geschiedenis – en bij de Nijmeegse hoogleraar Nederlandse Geschiedenis Jan Rogier. Vooral in zijn turfdikke dissertatie over de positie van het katholicisme in Noord-Nederland na de reformatie.

J.A. Alberdingk Thijm
J.A. Alberdingk Thijm (bron: Wikimedia Commons).

Deze katholieke historici meenden gerechtigd te zijn tot deze visie omdat dat de zuil rechtvaardigde, het organisatorisch bolwerk waarin een belijdend katholiek diende te vertoeven.  Het in standhouden van de zuil was kostbaar. Een katholieke betaalde zich er blauw aan, naast en boven de van staatswege al uitgebrachte aanslagen inkomstenbelasting en de accijnzen op volksvoedsel die hoog waren.  Katholicisme werd betaald.  Duur. De pastoor keek erop toe. Katholieken moesten voor alles één zijn en blijven, al is Rogier daar later anders over gaan denken.  Ze wisten wel beter. Maar het overdrijven diende een goede zaak. De Roomse Zaak. Pia fraus. Vroom bedrog. Daar zijn katholieken goed in. Jan Alberdingk Thijm kon er óók wat van. Ze bepaalden daarmee een zeker zelfbeeld voor hun geloofsgenoten dat hun politieke strategie later in de negentiende eeuw convenieerde.

De vervolgingen vanwege de staatse overheden in Braboland

In Brabant werden katholieken die het in het publieke domein erg bont maakten met optochten of bedevaarten, schutterijfeesten en gildevendelingen wel aangepakt als dat aanleiding gaf tot aanstoot, heibel of schandaal, vooral als er ook nog krachtig bij gezopen werd. Maar een priester mocht in een schuilkerk best de mis komen lezen, dopen en uitvaarten doen. Schouten en vorsters voor de Staten-Generaal – een soort districtscommissarissen voor de openbare orde vanwege de landsregering — kwamen pas in actie tegen excessen, opruiing tot geweldpleging en haatzaaien. En dan nog alleen als het niet anders kon. In Holland waren priesters niet echt welkom. Maar ze moesten heel wat flikken, voordat de overheden in de steden tot strafvervolging besloten. Was er geld voorhanden, dan moest er per mis gedokt worden als die plechtigheid uiterlijk aan de straatzijde ruchtbaarheid gaf.

Iets anders was, dat de dominees deze concurrentie niet gedoogden. Die gaven dat aan en persisteerden hinderlijk. Soms konden in de grotere steden de stadsregeringen dat niet hebben, omdat de dominees dan aangiften gingen doen bij de Staten-Generaal of bij de Staten van Holland. Daar zaten soms wat geestdrijvers bij en die lieten dat dan niet op hun beloop. Bleef een dominee echt zaniken, dan werkten de stadsnotabelen de vent doorgaans listig weg.

Hij werd overgeplaatst naar een oord waar je nog niet dood hangend over het hek wilde worden aangetroffen of men zond hem naar Indië. Daar waren tropische ziekten die dominee spoedig een toontje lager deden zingen. Maar verbanning naar de wingewesten was óók een goede sanctie tegen deze aterlingen die vaak de allures hadden aangenomen van beroepsquerulanten die nog een academische titel hadden óók.

De naar Brabant beroepen dominees

Helaas was dit het slag dat in Noordelijk Brabant terecht kwam, want daar was het onderkomen en kansen op promotie waren er nauwelijks. Beroeping in een oord als Eindhoven was helemáál een ramp, want daar kon dominee zich nauwelijks verstaanbaar maken en een weinig luxe zat er niet in. Het waren primitievelingen daar met veel godvernondes en sodejuu’s terwijl ze op zondag zopen als de ketters die ze dan ook consequent waren. Kortom: De Kempen werden niet gezegend met empathische, diep-doorleefde, vrome en bevindelijke bedienaars van het Woord des Heren.

Eindhoven kreeg de familie Van der Haagen opgesolferd die van deze bediening schier een dynastieke aangelegenheid maakte. Helaas hoorde Strijp ook tot haar beroepingsgebied. Dat rayon deed ze er zo’n beetje bij. Niet met vrucht, wel met gevolgen in de openbare ruimten die nu nog als evenzovele mispassen te lezen zijn in het resolutieboek van de Staten-Generaal. De Van der Haagens legden zich toe de Strijpers te pesten en te provoceren - en ze werden er meester in. Dat kun je onderdrukking noemen, ware het niet dat de Strijpers vindingrijk terugsarden. Hetgeen de Eindhovense stadsregering toeliet. Op hope dat de Van der Haagens opflikkerden, terug naar hun onzalige plaatsen van oorsprong die ze gebaard hadden.

Lees hier verder in Oud Strijp (17): Strijpse emancipatie.

Ga hier terug naar Oud Strijd (15): Uitvoeringsarrangementen...

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.