Op dit moment – maart 2025 – dreigt definitief de teerling geworpen te worden door politici die weinig veil hebben voor de integriteit van Brabants erfgoed.
Strijper groene longen
Zoals de Luiker tienduitgiften van pachten, ten behoeve van die rare snuiter met een verguld harnas onder het kazuifel wanneer hij placht te pontificeren. Ik bedoel natuurlijk die Prins-Bisschop van Luik in zijn citadel en met zijn wapenfabrieken die tot heden ten dage de briljante schietgerede vuurwapens industrieel vervaardigen, waarmee bijvoorbeeld de Eerste Wereldoorlog startte. Want het pistool dat Gravilo Princip afvuurde op de Aartshertog Franz Ferdinand te Sarajevo komt inderdaad uit ’s Prinsen fabrieken rechts van de Maas.
Zo liet de Luikse gemijterde aterling en kerkvorst tegen woekerrenten steeds weer aan den lijve blijken hoezeer de Alleenzalig Makende kerk was afgeweken van het pad dat de timmermanszoon uit Nazareth tot kruisigens toe had betreden. Want dat wat er nog aan groenvoorzieningen prijkt rondom de Strijpse Trudokerk dreigt nu echt door omgevingswijzigingsvergunningen volledig gestript te worden voor projectontwikkelaars ten behoeve van de expats van ASML.
Daarom hoort dit gecompliceerde verhaal over de tenietdoening van deze civielrechtelijke uitgiften onder de protectie van BHIC uitgedragen te worden, al ziet de bezoeker wellicht door de bomen het bos niet meer. In Strijp zal dat niet gebeuren, omdat daar de bomen der diocesane houtopstanden schielijk in nacht en nevel geveld worden. Daarom terug naar hun wortels. Naar de revolutionaire jaren einde achttiende en begin negentiende eeuw.
Napoleontische rechtsverkrachtingen
Kon Pieter Vreede nog uitgaan van de Luikse verpachtingen krachtens de regeling in 876 en de tienden die aan de grondgebruikers waren opgelegd, Napoleon Bonaparte wenste deze regelingen volledig te vernietigen. Maar hij wilde de katholieke kerk onder leiding van de Paus als rechtsorganisatie wel herstellen. Hij bleek de Paus nodig te hebben om de legitimiteit van zijn hoogst persoonlijk gezag veilig te stellen.
En hij had diens administratieve hiërarchie bitter hard nodig. De Staat Frankrijk bleek het niet zonder God en Paus te kunnen stellen: die staat bleek alleen te stabiliseren als er een staatshoofd was die heerste bij de “Gratie Gods”. De maanden van Robespierres terreur hadden dat overduidelijk aangetoond. Alleen een schrikbewind had diens uitvoerend bewind ten algemene nutte – het geduchte Comité de Salut Public – overeind kunnen houden totdat de protectors van dat comité zelf ook onder de guillotine waren gesneuveld.

Napoleon wilde zichzelf een waardevoller einde borgen. De Prins-bisschop van Luik was na de verovering in 1795 van diens diocese in het Maasdal afgezet. Maar aan de pachtafgiften was nog niet getornd, al waren de bisschoppelijke onroerende goederen in en rondom Luik volledig genationaliseerd ten behoeve van de Franse revolutionaire kas. De tienden werden nog geïnd ten behoeve van die kas.
De Strijpse Kerkcke-ackers waren er dienvolgens nog. Hierboven werd hun territoriale delineatie uiteengezet in 1794. De Franse Revolutie had mede ingehouden dat de roomse kerk niet langer een staatskerk was onder leiding van de Franse koning. Die kerk had alle staatkundige privileges moeten opgeven, en ook haar eigendomsrechten over onroerende goederen. Kloosters werden gesloten. Religieuzen werden van hun eeuwige geloften ontslagen.
De rechtspositie van de Luiker potentaat
Maar dat had de pachtrechten van de Prins-bisschop van Luik nog niet aangetast: hij bleef een territoriaal soeverein over het ganse Maasdal vanaf Verdun. De Belgen erkenden hem nog steeds als zodanig. Hij bleef buiten alle revolutionaire herschikkingen, óók die van de Belgische omwenteling van 1791. Daaraan kwam een einde toen het Franse leger dat dal bezette. In 1795 werd de Luikse bisschop van iedere territoriale beschikkingsmacht vervallen verklaard.
Dat hield mede in: vernietiging van diens pachtuitgiften. In 1801 besefte Napoleon als Eerste Consul dat hij zonder de kerk niet lang in het zadel zou zitten. Volkssoevereiniteit wees Napoleon af. Hij had gezien aan Robespierre dat de volksgunst verspeeld kon worden via vijandige volksmenners die de algemene opinie effectief wisten te manipuleren. Hij wilde normalisatie van de betrekkingen met de kerk. Hij wendde zich tot de Paus in 1800.
De doorslaggevende houding van de Paus
Zou deze Paus hem als Keizer erkennen, zalven en aan de inhuldiging of kroning medewerken? Dan was hij óók bereid de kerk opnieuw een diocesane organisatie te gunnen in Frankrijk, zij het niet als staatskerk, maar als kerk die de “godsdienst van de grote meerderheid van de Franse burgers belichaamde.” De Paus ging akkoord. Deze stedehouder Christi was niet echt een mannetjesputter: Luigi Barnaba Chiaramonti Cesena, (14 augustus 1742 – Rome, 20 augustus 1823) was paus van 14 maart 1800 tot 20 augustus 1823. Hij werd geboren in een adellijke Italiaanse familie uit Cesena in de Romagna, toen een deel van de Kerkelijke Staat. Deze Heilige Vader kijkt ons nog steeds wat schichtig, onderworpen en inééngedoken aan vanaf zijn Sedia Gestatoria. Maar Pius had een flinke kardinaal-staatssecretaris geritseld: Ercole Consalvi liet met zich en de Heilige Stoel de kachel niet aanmaken. Maar Consalvi wist dat ook Don Quichote zijn tergende windmolens in zijn eentje moest bevechten. Daarbij zou niemand hem bijstaan. Daarom liet hij Pius toegeven.

Er kwam nu een nieuwe indeling van bisdommen. Er kwamen onroerende goederen terug ter beschikking van de uitoefening van de religie. Bisschoppen en pastoors zouden een staatstoelage krijgen. Maar zij zouden geen ambtenaren zijn. Deze regeling omvatte mede Rijnland, België, Luxemburg en de Nederlandse gewesten beneden de grote rivieren. De tiendrechten van Luik waren en bleven vervallen. Maar daarvoor zou de Heilige Stoel compensatie krijgen. De Strijpse Kerke-ackers waren dus niet langer in pacht ter beschikking van Luik.
Ze waren nu van de staat Frankrijk, die het concordaat met de Heilige Stoel was aangegaan. Waren ze tussen 1795 en 1802 vervreemd of belast, dan zou die staat dat erkennen. Ging die staat Frankrijk, zoals ze was in 1801, teniet of gaf zij gronden waarover die tienden waren geheven op, dan gingen deze tienden over op de nieuwe rechtverkrijgenden. Dat was dus de nieuwe status van de Kerke-ackers te Strijp. De middeleeuwse tiendrechten waren nietig. Omdat de Prins-bisschop immers niet meer kon verpachten en de pacht onderhouden. De belaste gronden waren in zoverre vrij.
De gronden vielen buiten de volkerenrechtelijke delineatie van de nieuwe staat, die was gevormd door de Bataafsche Republiek van 1795. Die Republiek had niets mogen afdoen aan de territoriale rechtsmacht van de Prins-bisschop van Luik. Diens diocese was een enclave gebleven in de nieuwe rechtsbedeling van 1795. Die Republiek was tenietgegaan na meerdere staatsgrepen en overgegaan in het Bataafsch Gemeenebest onder Schimmelpenninck. Dat kon dus niet meer beschikken over deze tienden. Tussentijdse doorverpachtingen door de tiendheffers op locatie waren dus ook nietig, al bleven sommige heffers op hun rechten staan.
Lodewijk Napoleon als konijn van Holland
Toen Koning Lodewijk Napoleon [Louis Bonaparte, red.] in noordelijk Brabant kwam, oefende hij wel de soevereiniteit uit over dat gewest, maar de zakelijke rechten betreffende de onroerende goederen die Luik had mogen verpachten kwamen hem als koning niet meer toe. Het is de vraag of deze koning dat wel begrepen heeft. Want hij heeft gul allerlei kerken, kapellen, kloosters en kerkfabrieken binnen het Luikse diocese teruggegeven tussen 1806-1810 aan de rooms-katholieken. Dat deed hij tijdens zijn befaamde visitatiereis van 1809. Zie: https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/lodewijk-napoleon-het-konijn-van-holland-en-het-justitiewezen
Toen gaf hij royaal de Sint Katrien te Eindhoven ineens en zomaar terug. Dat was dus onbevoegd. Hij had wellicht een wetsbesluit kunnen bevorderen tot onteigening. Dan had hij zijn ministers erin moeten betrekken en toch schadeloosstelling moeten verzekeren ten bate van de gereformeerden. Dat eiste de constitutie toch nog wel. Al was Lodewijk redelijk vrij en eigenlijk alleen maar verantwoording schuldig aan zijn oudste broer, Keizer Napoleon I. Want die had zich inmiddels zelf maar gekroond. Maar Lodewijk regeerde te kort, dan dat Parijs op zijn onbevoegdheid te dezen had kunnen wijzen. En Rome deed dat vanzelfsprekend niet.
In 1809 had de Franse Keizer wel genoeg van de eigenzinnigheid van zijn jongste broertje, Lodewijk, die voor zijn Hollanders nog een betrekkelijke autonomie had willen overeind houden. Hollanders. Koning Lodewijk Bonaparte had te Parijs uit handen van zijn grote broer het “Koningrijk Holland” ontvangen ter bestiering, onder voogdij van het familiehoofd dat voortdurend oorlogen bleef voeren.
Lodewijk was de Brabo’s toegedaan, als onderworpen katholieken die derderangsburgers waren gebleven, niettegenstaande alle grondrechten die over hen waren nedergedaald krachtens de ene na de andere hoogdravende constitutie. De Strijpers hadden er eigenlijk, neerhurkend in hun beekdal, nog altijd met moeite hun roggebrood, onderroome en boekweitpap, boekweitsoep met vage vetkringen, zult en blaasspek dagelijks bij elkaar scharrelend weinig van gemerkt.

De verdergaande Striper terugval
De grote gebeurtenissen van het wereldtoneel waren hen voorbij geschicht. Botti [pastoor van Strijp, red.] had bij een volksstelling de armelijke staat van de gemeente opgegeven: de helft zou van de publieke bedeling moeten leven. Maar de publieke armenkas was daarvoor ontoereikend. Er werd wel gebedeld, als er vreemdelingen doortrokken. Die kwamen zelden langs. Ze waadden niet graag door het slijk, er was geen goede herberg die een middagschaft kon geven.
De Strijpers trokken, als er vraag naar was, mee met de seizoenarbeiders uit het Walen-land, noordwaarts, om daar te oogsten, de dariebeugel te trekken, de hooischelven op te tasten, mee te dorsen en soms langs de watergangen vaartuigen te jagen. Maar deze tochten waren lichamelijk bezwarend. Er trokken er honderdvijftig uit. Maar die kwamen lang niet allemaal terug. En veel bracht de wederkerende rest niet in.
Bijna negenhonderd gemeentenaren waren in het dal bij naam bekend, ze waren bijna allemaal arm. Ze waren op last van het Hollandse gouvernement ambtelijk geïnventariseerd, ook naar burgerlijke staat en naar vermogenspositie. De regering in Holland wilde greep krijgen over Braboland. En dat was dan de eerste stap: bevolkingsregistratie met daaraan verbonden plichtmatige identiteitsbeschrijvingen, al kon bijna niemand ze lezen. Zo begint verregaande centralisatie. Vooral als niemand weet waar dat ophoudt.
Nijverheid van betekenis was er niet. Bij de inlijving was een streep gehaald door de mogelijkheid dat de Luiker pachten toch gedeeltelijk zouden herleven: bij de regelingen was voorzien dat de Franse staat in een dergelijke herleving kon toestemmen op voordracht van de bisschop van het rechtsgebied als hij gemotiveerd opgaf dat hij de tienden behoefde voor het onderhoud van de kerkfabriek, het bedehuis, de pastorie en de veestapel. In Den Bosch zat sedert 1629 geen bisschop meer. Dus kon de Luiker kerkvorst, die geen prinsentitel meer mocht voeren, deze voordracht indienen bij het Parijse departement voor de katholieke erediensten en religieuze aangelegenheden. Dat was Jean-Évangéliste Zaepfell geweest van 1802-1808.
Lotgevallen van een gedroste militaire gouverneur
Die was de grootoom van de streng bonapartistische generaal Henri Jacques Guillaume Clarke. De nieuw-gemijterde was vooral van plan niets te doen wat de keizer zou kunnen mishagen. Hij reorganiseerde zijn bisdom, gedefinieerd op grondslag van het al genoemde concordaat van 1801. Botti gaf op dat er nog kercke-akkers in pacht waren met tienden-afdrachten. Die lagen binnen een perceel van noord naar zuid lopend vanaf de Heuvelseweg noordelijk en de Hastelweg zuidelijk. Oostelijk waren ze begrensd door de Gender en haar sprangen. Zuidelijk door de Slibvoirdes. Deze omvatten akkers gereed tot agrarische bewerking en beweiding.
Veel brachten ze niet op, maar aangezien de protestanten de tienden al jaren niet hadden geïnd, waren hun heffingsrechten te niet gegaan. Door non usus, door ze gewoonweg niet geldend te maken, vermoedelijk, omdat ze daarvoor sedert 1798 geen doorzettingsmacht hadden kunnen uitoefenen. Botti had ze overgenomen zonder schadeloosstelling. Maar véél had hij er niet aan gehad, want al zou hij ze recht- en wetmatig kunnen effectueren, dan hadden de kosten daarvan de baten overtroffen, omdat hij ze notarieel had moeten doen verlijden op basis van de overgangsbepalingen bij de Staatsregeling-1798.

De Vicaris-Apostoliek Van Alphen was daar voorshands vanuit Schijndel mee akkoord gegaan. Maar die was ontboden in 1810 te Parijs. Hij was zelfs verschenen voor Napoleon. De keizer had hem toegesnauwd dat hij de kerkelijke ambtenaren die Parijs hem opgaf ingevolge het concordaat stomweg diende aan te stellen in zijn rechtsgebied als kerkelijke bedienaren. Van Alphen had dat geweigerd. De keizer had verstomd gestaan, niet meer gewend aan enige tegenspraak. Hij had gedreigd met eenzame opsluiting en gijzeling van familie. Van Alphen had vriendelijk weergegeven, dat hij met belangstelling zulks afwachtte. Daarop was hij gevankelijk naar het cellulair complex te Vincennes gevoerd. Hij gaf geen krimp. Meldden ook de Franse penitentiaire documenten. Want opvallend was het wél. Waar haalde dat mannetje uit Schijndel – waar lág dat eigenlijk – het vandaan? Uit Gods bijstand? Maar die bijstand was juist door de Keizer verboden, dat stónd toch in het concordaat?
Een nieuw concordaat buiten de Brabo’s om
Daar gedetineerd had Van Alphen zijn priesters in Zuidoost-Brabant gelast dat zij geen ambtshandelingen meer mochten verrichten ter uitvoering van enige aanwijzing gedaan door of namens Parijs, en dat zij evenmin enige bevoegdheid mochten aanwenden die zou kunnen berusten op het concordaat dat heiligschennend, onrechtmatig en onwetmatig heette. Botti had dus, voorzichtigheidshalve, de burgemeester van Strijp doen weten dat hij van heffingsrechten afzag.
Hun herkomst was onduidelijk en hij mocht niets bestuursrechtelijk doen wat niet direct was terug te voeren op de oude regeling van het Meerssens partage-verdrag van 870. Want dat had Rome wel erkend, en dat concordaat had het Vaticaan uitvoeringstechnisch geschorst. Daarmee waren de tiendheffingen over de kercke-ackers beëindigd, tenzij nieuw, door Rome erkend, wereldlijk gezag uitdrukkelijk anders zou beslissen krachtens een nieuwe concordataire regeling. De kercke-ackers te Strijp waren tenietgegaan, al lagen de percelen braak en voor de grijp.
Lees hier verder in Oud Strijp (24): Militaria en ongerief van Hollandse tireurs.
Ga hier terug naar Oud Strijp (22): De Kempen doortochtsgebied...
