Strijp gaat pas wat meekrijgen van de ontzagwekkende veranderingen die West-Europa paralyseren en onthutsen in de negentiende eeuw, als de kunstweg de Willemstraat is aangelegd naar dat armzalige gehucht, de grote kunstweg met volledige bestrating en afwateringsgoten, de deftige straatweg van de Emmasingel, de Keizersgracht náár de zompige Genderbeemden toe.
Aanleg van de Willemstraat als kunstweg
De aanbesteding van die Willemstraat heeft veel voeten in aarde. Het is geen project waarbij vóórgedrongen wordt en gunstig bestek wordt berekend. Vóór de gereedkoming van deze straatweg blijft Strijp toch geïsoleerd. Tussen Eindhoven en dat vlek prijken die beemden – ik heb ze nooit anders horen noemen dan “De Bimd” – en die blijven een modderige en verwilderde vlakte waar doorheen men zich via rare zandpaden en knuppelweggetjes moet voortworstelen om Meerveldhoven of Veldhoven dan wel Zeelst te bereiken. Pas wanneer grotere industrieën aan de rijksoverheid doen weten dat ze wel in Strijp willen gaan huizen, als dan maar gezocht wordt naar en voorzien in een adequate infrastructuur en communicatie zet dat Rijk de twee betrokken gemeenten Eindhoven en Strijp onder druk om mee te werken aan enige volkswelvaart.

Geen nationale planmatige conjunctuurpolitiek
Conjunctuurpolitiek blijft tot 1870 in Nederland uitzonderlijk. Daarom deelt dat land niet echt mee in de tweede industriële golf die over westelijk Europa heenslaat. Het voordeel is, dat de staatkundige woelingen die deze golf ook veroorzaakt de Nederlanders bijna niet lijken te raken. Zo blijft het ook te Strijp. Pas wanneer een familie als Elias, de grootindustriële internationale entrepreneur op het Eindhovens gemeentehuis laat weten dat hij een massale stoom-aangedreven textielfabriek wil vestigen juist in en aan die beemden - omdat hij weiland nodig heeft ter bleking van de banen linnen en damast die hij hoopt te vervaardigen bij schaalvergroting - komt bericht in vanwege Den Haag dat Elias en andere industriëlen bediend moeten worden.
Voor de eerste keer klopt de polsslag der tijden ook rondom de Strijpse Trudokerk. Traagzaam, maar merkbaar. Tevoren lijkt Strijp welhaast een schijndode. Vele staatkundige gebeurtenissen raasden langs Strijp héén. Maar het woeden der oorlogen die gans West-Europa destabiliseerden tussen 1806-1813 raakten de Strijpenaren zelf nauwelijks. Niet direct. Waar zij overmatig veel last van hadden, waren de enorme bedelaarsbenden in de wijde omgeving van de Kempen. Want Napoleon en zijn wederpartijders brachten nu immense legers op de been. De geallieerden Pruisen, Oostenrijk, Rusland en de deelstaten van het Roomse Rijk roepen ook volkslichtingen op. Maar zij allen lieten hun soldaten aan hun lot over zodra er slag was geleverd op een nog nimmer geziene schaal. De invaliden, deserteurs, krijgsgevangenen, gegijzelden en geïnterneerden werden zonder mededogen losgelaten op het slagveld van Europa, het onzalig nedergezegen land dat wij nu België gelieven te noemen.
Nog steeds: bendevormingen disruptief
Zij streken neer vanaf Kalmthout tot aan Luik in de barre ontvolkte agrarische streken en teisterden de bevolking op iedere denkbare manier. Aangezien hun oorspronkelijke overheden zelf verjaagd waren, werden de openbare orde, rust en veiligheid niet meer gehandhaafd. Van een geregelde economische ontwikkeling was nauwelijks meer sprake. Ook te Strijp. Wel wemelen de kerkelijke registers van aangiften van onnatuurlijke dood, gestorven door de eertijds eerzame ingezetenen, die lijf, eerbaarheid en goed verbeurd hadden. Strijp lag open voor ieder bende en rover. Botti [pastoor van Strijp, red.], die in 1810 gelukkigerwijze naar Stratum kon verkassen, rept ervan.
Zo doet ook Andreas de Wijer, die hem opvolgt. Het kerkje is nu wel weer een plaats van samenkomst voor de Strijpenaren, maar de klokkenbehuizing krijgt de functie van cellulaire ruimte om alle vagebonden, rovers, nietsnutten en bedelaars tijdelijk op te sluiten totdat de burgemeester of maire gelegenheid krijgt ze mee te geven aan de gendarmerie van het Franse Rijk. Dat zit daar allerminst op te wachten, want het is zelf langzaamaan aan het desintegreren. De blind ambitieuze woesteling uit Corsica heeft nu alle hellekrachten die Europa kan forceren over zich en zijn imperium af geroepen. In 1813 blijkt dat dit er voorshands in resulteert dat Strijp een dorp wordt met gemeentelijke status in een koninkrijk onder de erfprins van Oranje.

Strijp krijgt een wapen
Het krijgt een gemeentewapen: een gouden paard in een blauw veld, dat naar links uitstapt. Dat betekent dat de Hoge Raad van Adel te Den Haag óók niet goed weet wat voor blazoen hij aan dit onderkomen gehucht moet toekennen en dus maar wat verzint, tijdelijk, totdat orde op zaken gesteld kan worden onder een geregelde landsregering. Die komt er in 1814, wanneer de zuidelijke en noordelijke Nederlanden verenigd worden tezamen met Luxemburg, het barrière-Hertogdom met een grote, te garnizoeneren vesting in de gelijknamige citadelstad. De maire wordt weer burgemeester, maar zelfs de Slag bij Waterloo in 1815 raakt Strijp nauwelijks, al zijn er wel oefenregimenten gelegerd bij het klooster “Mariënhage” dat op dat moment een particuliere bedrijfsbestemming heeft. Willem I heeft een nationaal volksleger moeten oprichten op bevel van Whitehall in Londen, want de Engelsen vertrouwen de Fransen terecht niet: die gaan zich niet aan de vredesvoorwaarden houden die afgeparafeerd zijn te Fontainebleau.
Die rekruten bestaan voorlopig uit volksvrijwilligers die eigenlijk nog nooit een zijdgeweer of vuurwapen hebben gehanteerd. Ze komen oefenen op de Woensel Heide vlak bij Strijp. En dat is dan een hele sensatie, al jaagt het de Strijpenaren ook veel schrik aan: wat hangt hen nú weer boven het schuldeloze hoofd? Er zijn dragonders bij, die de eerste cavalerie-opstellingen moeten leren in te nemen en in volle draf moeten trachten te zwenken voordat ze front maken, halt en linie, teneinde het signaal “wisselt stelling!” dat schallend wordt geblazen te gehoorzamen.
Er komt niet veel van terecht. Een dragonder valt zich te barsten in een ven en verdrinkt. De Strijper pastoor schrijft laconiek in zijn doodboek: ”In campo castrensis apud oppido Oirschottensis portasub aqua suffosus atque in coemeterio Stripensis gratuiter rite et sollemniter defunctus est.” Een dragonder (porta-sub) is in het militaire kamp bij het versterkte plaatsje Oirschot verdronken en op het kerkhof bij Strijp kosteloos naar de geijkte rite begraven. Dat schrijft de pastoor Snoeren, die de kosten heeft getracht te verhalen, maar tevergeefs. Den Haag was er niet voor te porren en bij Eindhoven was geen fonds beschikbaar. Het is maar dat u het weet.
De kerk doet wel aan conjuctuurbevordering
De eerdergenoemde Van Griensven is de eerste dorpspastoor die ingrijpt in de publieke infrastructuur van Strijp, niet als parochie, maar als leefgemeenschap die verstoken is van iedere bestaanszekerheid en zorg voor de volksgezondheid. Hij noteert dan ook dat hij gaat zorgen voor een liefdesgesticht, voor een artesische put, een Vincentiusvereniging voor armenzorg en voor een soort kook- en naaischool. Bisschop Zwijsen stuurt de pastoors aan.
Vanaf 1853 moeten ze jaarlijks berichten hoe zij de volkswelvaart in hun parochies hebben bevorderd en een rekeningsstaat overleggen aan de diocesane curie. Zwijsen geeft op wat hij zich daarbij voorstelt en schrijft ook de rubrieken voor die de pastoors moeten hanteren bij hun jaarrapportages. De inspanningen van de pastoors vertonen dan ook opmerkelijke uniformiteit. Ook wat de bouwwoede ten aanzien van de voor deze conjunctuurpolitiek vereiste opstallen. Daarbij scherpt Zwijsen in niet meteen al te groots uit te pakken, maar het bestaande te moderniseren, soms te vergroten en geen nieuwlichterijen aan te pakken, vooral niet in de gezondheidszorg. Daarmee bewijst dat nieuwe episcopaat Brabant een grote dienst. Dat mag gememoreerd blijven.
De tijd van de neogotische exuberantie is nog niet aangebroken. De kerken- en kloosterbouw die de gelovigen opzadelt met decennialange annuïteiten. Nu was Van Griensven nog redelijk plooibaar, maar hij was ook van een lichting die was opgegroeid met de idee dat Nederland een missieland was. Hij had te maken met twee Apostolische Vicarissen die iedere uitmiddelpuntigheid schuwden voor wat betreft het verkeer met het wereldlijk gezag. Van Alphen was niet bang uitgevallen.

Hij durfde Napoleon I tegen te spreken. Maar hij wilde niet dat zijn priesters politiseerden of publiekelijk in opspraak kwamen. Dat gold ook voor zijn opvolger Van Dubbelden. Zwijsen kon het met Willem II opperbest vinden en kon zich heel wat permitteren. Maar hij wilde dat zijn priesters in het strikte gareel bleven en zich niet in het publieke domein manifesteerden. Tot die groep hoorde Van Griensven. Hij braveerde het Strijpse gemeentebestuur niet, tenzij dat noodzakelijk was in het belang van zijn parochianen.
De armen- en bejaardenzorg
Hij vond dat de burgemeester de Armenwet schrieperig toepaste en willekeurig. Daar kwam hij tegen op. Er stierven te veel bejaarden in de winter van honger en koude. Hij vond ook dat de wezenzorg niet aan de maat was en hij vond het gemeentelijk lager onderwijs voor meisjes ronduit slecht. Hij lag dan dwars. Hij stichtte daarom een instelling voor maatschappelijk hulpbetoon mét een lagere meisjesschool, huize Sint Paulus genaamd, dat later furore maakte. Hij zorgde voor een dorpspomp en voor betere lijkbezorging. Maar de barricaden ging hij niet op. Petrus Maas, die hem opvolgde in 1870, was veel confronterender. Maar die had dan ook al dertig jaar katholieke emancipatie in het publieke domein achter de rug.
Hij kon niet velen dat de Jood Elias, de grote textielfabrikant aan de Strijpsestraat/Willemstraat, na het tot standkomen van een spoorwegverbinding naar Luik - het “Bels Lijntje” - exponentieel expandeerde. Elias nam veel roomse minderjarigen aan als arbeiders in zijn fabriekshallen. Hij vorderde dat wanneer de stoommachine op volle toeren draaide, er volcontinu werd dóórgewerkt. Hij achtte niet dat de minderjarigen daardoor de vroegmissen niet bijwoonden, noch dat zij de heiligendagen niet vierden met het plichtmatig kerkbezoek.
De conflicten tussen Elias en de pastoor
Hij respecteerde slechts Kerst, Pasen en Pinksteren en verder niets. Ook de Grote Vasten was voor hem non-existent; als minderjarigen daardoor zwakjes op de beentjes stonden was dat een reden om de moeder te kapittelen, maar niet om de kleinen tijdelijk soelaas te geven. Was er een grote bestelling die direct uitgevoerd en uitgeleverd moest worden, dan werd er ook in de voor de nachtrust bestemde tijden doorgepeesd, ook op de bleekvelden langs de Gender. De textielrollen werden verladen terwijl de locomotief puffend en hijgend op het enkelspoor vonken stond te spuwen, terwijl ook de jongens en meisjes geen rust gegund werd.
Er was nog geen Leerplichtwet en geen wetgeving nopens de arbeidsomstandigheden. Elias betaalde goed, gunde secundaire voorzieningen en was een patriarchaal patroon in de goede zin des woords. Maar aan Maas had hij geen boodschap. Die nam dat niet en ging op de kansel flink tekeer tegen de magnaat, waarbij Maas ook niet schuwde, in het vuur van zijn filippica, de Joden als genus de kruisdood van Christus te verwijten als godsmoordenaars. Dat trok aandacht.

De bisschop wil geen Titanenstrijd of Pyrrhus-overwinningen
Aandacht die bisschop Godschalk, de opvolger van Zwijsen op de Bossche kathedra, beslist wilde vermijden. Monseigneur wilde dit soort titanenstrijd niet: ze leverde slechts verliezers. Dat had hij ook Van Lieshout te Tongelre verweten. Die had ook de zaken nodeloos op de spits willen drijven, ook al omdat hij een aanmerkelijke financiering dacht te krijgen voor twee mastodonten van torens in de westfaçade van de gloednieuwe Sint Martinuskerk. Daar kon Van Lieshout voorlopig naar fluiten: hij kreeg geen Bossche vergunning voor die nog te bouwen geledingen. Maas kreeg te horen dat hij vele toontjes lager moest zingen en de autoriteiten netter te woord staan, ook al waren ze Joods. Of eigenlijk: dán helemáál. Zo dacht het gezag erover in 1870.
Lees hier verder in Oud Strijp (26): Kerkhofkwestie nationaal onderwerp.
Ga hier terug naar Oud Strijp (24): Militaria en ongerief van Hollandse tireurs.
