Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Oud Strijp (3): Stripe quarta capella

Oud Strijp (3): Stripe quarta capella

Gerard Strijards

4 februari 2025

Bijgewerkt op 21 februari 2025

Tussen 650-1250 is het bedehuisje op de stripe bij Eindhoven een quarta capella geweest. Een kwart kerk.

De Luiker Prins-Bisschop

De aanduiding heeft in eerste instantie fiscale betekenis. Het geldt hier een in Westelijk Europa algemeen gehanteerde fiscale aanslagcategorie voor een religieuze opstal die in erfpacht is uitgegeven door een residerend bisschop. In het geval van Strijp bij Eindhoven is deze kerkvorst de Prins-Bisschop van Luik. Deze autoriteit is vóór alles een militaire regent van het Maasdal. En wel in zonderheid van de linkeroever van dat dal. Deze bisschop moet aan de monarchen die door Rome erkend zijn als rechtsgeldige soevereinen de absolute gewapende neutraliteit borgen van die linkeroever die van een natuurlijke grindlaag is voorzien door deze regenrivier.

Luik machtscentrum
Het machtscentrum in Luik: het prins-bisschoppelijk paleis en de Sint-Lambertuskathedraal (bron: Wikimedia Commons).

Deze oever is aldus een uiterst gewichtige transportader zeewaarts, naar wat we nu de Noordzee noemen. Deze weg moet begaan kunnen worden door de in gesloten gelederen optrekkende legerafdelingen van de koningen die legitimarissen zijn van de erfenis van Karel de Grote, de Europese Keizer, die, helaas, zijn gigantische rijk bij zijn versterf niet intact kon houden. Karel had het wel gewild. Maar het Salische erfrecht stond het hem niet toe; hij moest zijn territoriale aanspraken evenredig verdelen over zijn wettige mannelijke nakomelingen. 

De imperiale erfenis van Karel de Grote

Dat bleken er uiteindelijk drie te zijn: de koning van het Franse rijk, die van het middenrijk en die van het Oost-rijk of Teutoonse rijk. Dat geschiedde bij het verdelingsverdrag van Verdun van 834. De politici destijds zagen meteen in, dat deze verdeling zou gaan schuren: de nakomelingen van deze legitimarissen zouden elkanders territoriale aanspraken op deze boedel gaan betwisten en dus zou West-Europa door oorlogen verscheurd gaan worden. Om dat nu nog enigszins in de hand te houden, werden uitvoeringsovereenkomsten tussen deze legitimarissen opgesteld.

Een daarvan was de Uitvoeringsovereenkomst van Meerssen van 786, waarbij het Maasdal werd gegund in beheer aan de genoemde Prins-Bisschop, die in Luik over een gigantische citadel kon beschikken vlak belendend aan zijn Sint-Lambertuskathedraal. Hij moest borgen dat iedereen links stroomopwaarts gaande langs de Maas vrije doortocht zou hebben, mits hij geen agressie beoogde tegen andere naties of volken.  Dat is het neutraliteitsstatuut van Meerssen. De Prins-Bisschop moest daartoe garnizoenen leggen in de bochten links van de Maas, de Hornes. Dat zou geld kosten.

Karolingische Rijk
Het Karolingische Rijk, opgedeeld conform het Verdrag van Verdun, 843 (bron: Wikimedia Commons).

De Luiker tienden

Daarom mocht deze kerkvorst allerlei pachten uitgeven van de bewerkbare oppervlaktepercelen die militaire expedities uit zijn naam effectief zouden kunnen bezetten.  De pacht zou steeds een tiende zijn van de te verwachte veld- en veeteeltopbrengst. De beruchte Luikse tienden. De inning zou geschieden door abten, aangesteld door die Luikse potentaat. Die zouden inners aanstellen: de dekens binnen hun rechtsgebied of diocese. De deken van Woensel was zo’n centrale inner voor Kempenland. Hij beheerde dus ook het Strijpse kerkje, waarvoor hij een kapelaan aanstelde.  Dat zijn de Striper tienden.

Striper tienden

Die hief dus namens hem die tienden, maar berekende ook accijnzen voor sacramentele bedieningen. Vanuit dat kerkje op de Stripe. Een kapel, waar wel begrafenissen en dopen mochten gehouden worden, maar geen mis mocht worden opgedragen. Een bedehuis uit de laagste fiscale box: de capella quarta. Het wordt, want hier gaat het om inkomsten, nauwkeurig genoteerd in de Luikse verzamelstaten van deze aanslagen. Deze staten worden ook wel pouillé’s genoemd.  Ze zijn een bron voor de geschiedvorser van de Kempen omdat ze enorm nauwkeurig zijn en door die Prins tot 1795 nauwkeurig worden bijgehouden.  

De bevolking die vanuit de kapel bediend werd, werd maar voor een kwart van de tienden aangeslagen, die bij de moederkerk te Woensel werd geïnd. De deken mocht verder opgeven welke sacramentele bedieningen hij ook wilde voorzien van een accijnstarief. Daarin was hij inventief. Deelname aan een processie met een gewijde kaars, toediening van het laatste oliesel: allemaal veraccijnst. Niet in geld, maar in natura: een hussel hooi, een toom kippen, een bundel houtopstand, een stuk gerookt varkensvlees.

De Stripenaren moesten zelf deze oogstafdracht collectioneren en over de Woenselse Heide naar de Sint-Petruskerk transporteren, een bar karwei. Want behoorlijke zandpaden waarover men een rolkar zou kunnen duwen of een slede waren er niet. Er was wel een pad voor doorgaand verkeer, dat dwars door het parochiegebied liep. Dat was een weg die op paaltjes was aangelegd. Ze heette daarom paaltjesweg. Ze liep van een hoger gelegen stuk gronds – later “De Heuvel” genoemd naar een nattig gebied dat Fellenoord werd genoemd.

Trudo begraafplaats
Begraafplaats Sint-Trudokerk (foto: Bewonersgroep KerckeWoud, Strijp).

De Striper kerckeackkers

De akkers die in pacht werden uitgegeven waren het lucratiefst. Ze sloten aaneen. De Strijper pastoors koesterden ze. Ze waren ook borg voor hun bestaanszekerheid. Nog in de negentiende eeuw werden ze geïnd, al had dat geen wettelijke grondslag, maar navraag werd niet gedaan. Het was eeuwen zo geweest en waarom zou het nu ineens anders zijn? De kerkeackkers zijn nog rudimentair in de dorpskern van het voormalig Strijp zichtbaar rondom de huidige Trudokerk. Een aantal pastoors heeft er stukken van afgebietst voor hun pastorietuin en er is het huidige Trudokerkhof op aangelegd, zodat er niet onteigend hoefde te worden. 

Bij die ackkers breidden de pastoors hun parochiële opstallen ook verder uit, zonder navraag te doen of ze dat juridisch eigenlijk wel mochten. De idee was: wat gebouwd is, staat er. Knappe jongen die dat weer wegkrijgt. Daar kwamen dus het lijkenhuisje, maar ook de klokkenstoel voor de vermaarde Strijpse klokken, een soort dorpsput voor de bewoners van het Liefdesgesticht en een wei bij het geprojecteerde zustersklooster. Maar in de negentiende eeuw, als de staat een echt kadastraal systeem onderhoudt, komen daardoor toch moeilijkheden voor de pastoors.

Daar kon de reiziger oostwaarts een knik, een korte verharde weg, ingaan, later “Het Eindje” genoemd. Dat deed de boer die vee of oogst wilde inbrengen ten verkoop op een weekmarkt, belendend aan een doorgaande rechte weg die oostwaarts een gehucht met lintbebouwing binnenkwam en westwaarts naar Woensel leidde. Daar kon men aansluiting vinden op de grotere doorgaande communicatieve weg naar Den Bosch. De wegen, paden en (herd)gangen waren getreden door de vele passerende voeten, maar echt verhard, laat staan bestraat waren ze in deze periode niet. De Romeinen hadden daar ook nooit veel ingezien. De paaltjesweg was van loopvlak voorzien door opgetaste gras- en veenplaggen. De paaltjes waren handmatig de zompige grond ingeramd.

De paaltjes staken zeker niet boven de oppervlakten uit van de grassige, mossige en onkruidrijke percelen land die vrijwel voortdurend blank stonden door het Genderwater dat in Strijp gedurig uitvloeide bij heftige regenval in de streek die nu Ardennen heet. De Gender had weliswaar haar oorsprong bij een zoetwaterbel, maar ving als watergang ook de afvloeiende regen en modderstromen op uit het heuvelgebied zuidoostwaarts gelegen. En regenen, dat deed het verschrikkelijk. Plinius de Oudere vermeldt het al. Diens geschiedwerk wordt vaak aangehaald om de toestanden in Nederland rond deze periode te omschrijven.

Plinius de Oudere
Plinius de Oudere (bron: Wikimedia Commons).

De geografische en morfologische beschrijvingen van Plinius

Plinius is echter nooit verder gekomen dan tot aan de IJzer in de Vlaamse Westhoek. Hij beschrijft het platte, drasse, winderige land met zijn ellendige kunstmatige terpen. En zo zal het zeker ook wel in Holland en West-Brabant zijn geweest waar de eb en vloed vanuit de zeearmen in Plinius’ periode – rond het jaar 50 na Christus – zonder problemen het binnenland konden teisteren. Na 500 is dat anders omdat dan in West-Vlaanderen al Ierse Benedictijner monniken zijn gaan bedijken en polderen met afwateringsmolens.

Dat was nu in Zuidoost-Brabant, dat veel hoger lag, niet nodig. Daar waren de overstromingen te wijten aan overvloeiingen van beken die steeds van koers veranderden door massale hoeveelheden regenwater. In de Kempen kon dat niet in de bodem verzinken omdat daar op geringe hoogte uitgestrekte leemplaten zaten die niets dóórlieten. Die platen waren te wijten aan de enorme gletscherdruk aan het einde van de laatste grote ijstijd. De ijsrivieren uit de Alpen hadden zich tot ver over midden-Brabant langdurig uitgestrekt en de ondergronden geplet, waardoor ook slenken waren ontstaan die nadien gingen kantelen in de richting van de zeezijden.

Die overstromingen duurden heel lang. Afwateren kon niet: de hellingshoeken naar het noordwesten waren daarvoor niet steil genoeg. Kanaliseren, daarvoor waren de mechanische krachten stomweg nog niet voorhanden, ook niet via dierlijke trekkrachten. Strijp zat daarom steeds met verzurend stilstaand water, vol muskietenlarven, ellendige insectenkolonies, een enorme en geduchte kraaienpopulatie, alles op schrale zandgronden. Die waren ook handmatig onder deze omstandigheden nauwelijks te ontginnen.

Bestendig hongergebied op de stripe

Men leefde aan de rand van de honger. Negotie werd niet veel ontwikkeld. Daarvoor is handel nodig en daarvoor beurtvaart. Marskramers en zo. Maar die gingen echt dat beekdal niet in, zeker niet door de drab en de moerassen. De capella quarta bleef dus lang een ecclesia appendix in de Luikse cohieren, een kerk, afhankelijk van Woensel. Maar ze had toch percelen grond in verpachting gekregen door Woensel en namens Truiden. Die kercke-akkers. De basis voor de kerkelijke inkomsten op die Stripe. De grond voor de kerkfabriek: de onroerende goederen waaruit de geestelijkheid steeds zou mogen putten.

 Op grond van bovengemeld klimatologische omstandigheden kon men daarvan letterlijk soppen. Maar niet vet. Het moet lang geduurd hebben voordat Luik besloot dat de stripers wel iets meer cijns konden gaan betalen over de ackkers. Tussen 1200-1350 bleef de kerk quarta capella. Daarna werd ze ecclesia media. Het cathedraticum wordt verhoogd van 19, 5 stuivers naar 35 stuivers en 1 zilverpenning. Er mag nu ook liturgisch wat meer in dat kerkje. Dat is echt nog een schuur. Rechthoekig. Je kunt er een doop krijgen met duivelsbezwering, er kan een uitvaart plaatshebben in gewijde aarde, met legitieme begrafenis op een kerkhof dat (dus) gewijd is. Maar voor een mis, ja, dan moet je echt naar Woensel. Dat lig een heel eind wijerop. Je moet er de Woenselse heide voor over.

Daar zijn spoken, dwaallichten, schijngestalten, heksen. Dat doet de stripenaar niet gauw. Zeker niet, wanneer ook nog gedroste militairen die hei onveilig gaan maken, herkomstig uit de legerscharen van de Franse koning. Die kerk dáár is een ecclesia integra. Maar de cijns is daar hoog, de mis is eveneens duur, communie gaan helemáál een kostbare aangelegenheid. We stellen vast, dat het op de stripe wel goed ging, maar niet erg. Er zat nu ook reuzel op de homp rogge, maar alleen voor vaders op zondag.

Lees hier verder in Oud Strijp (4): Stripe ecclesia integra in de Luiker bedeling.

Ga hier terug naar Oud Strijp (2): Stripe Kercke.

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.