Over Strijp bij Eindhoven, nu een stadsdeel van deze drukke stad, is best veel gepubliceerd. Maar vooral uit kerkelijk oogpunt.
De gestel van de Gender en Dommel
Natuurlijk kwamen er boekjes uit rondom de diverse kerkgebouwen of bedehuizen in dit Strijp, waaruit veel interessants is af te leiden over de primitieve Taxandrische geloofsgemeenschappen die zich in de eerste jaren van de Westerse jaartelling vormden rondom die gebouwen en gebouwtjes, de grote blakke velden in de wouden, de gemeentelijke weideplaatsen en rond de robuuste eiken waar recht werd gesproken en gedaan. Strijp lag op meerdere zandruggen, die hoger uit het landschap opstaken, bulten, ook wel gestels genaamd. Je komt dit naamwoord veel tegen in plaatsaanduidingen: Luyks-Gestel, Sint-Michiels-Gestel, dat soort toponiemen.
In dat Strijp, gelegen als lintbebouwing langs de eindeloos lange Strijpsestraat, overgaand in de Zeelsterstraat, voltrokken zich tal van ingrijpende veranderingen wat betreft bevolkingssamenstelling, nijverheden, industriële bebouwingen en opstallen – oorspronkelijk steeds armelijke keuterboerderijtjes soms met potstallen – en verkeersdrukte.
Ik schreef er op BHIC al vaker over. Zie bijvoorbeeld: https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/de-strijper-zeelsterstraat-1. Voorzeker. Het moderne leven liet Zuidoost-Brabant bepaald niet onberoerd. Geen gehucht, geen vlek, geen dorps kon zichzelf blijven, geen gestel of donk bleef wat het was, de Brabo’s kenden zichzelf niet meer terug, zeker niet toen het geheimzinnige ASML kwam opzetten met alle nieuwkomers binnen Veldhoven, Zeelst en De Hurk of De Sliffert die niet langer bleven neerhurken in landelijke ongereptheid met alle discomfort van dien.
Een beursgenoteerde joint venture
ASML, dat hadden we nog niet in dit Eindhovense Strijp. Het was een soort overval door marsmannetjes. Alleen konden de Brabo’s niet weg. Panikeren had geen zin; alles werd anders. Een Nederlands hightechbedrijf, toe maar. De Strijpers keken er van op. Wat kwam het doen? Géén stikstofdispositie veroorzaken en ook geen mest uitrijen, dat begrepen de Strijpers nog net. Het bedrijf is leverancier van machines voor de halfgeleiderindustrie, in het bijzonder steppers en scanners, die worden gebruikt bij het maken van chips. Klanten zijn veelal chipproducenten.
Maar daarmee was weinig gezegd. De vervreemding werd niet minder, wat de heemschutverenigingen ook zeiden. Ook voor de plaatsen die op een Strijp lagen. Het aantal expats in die contreien is enorm. De Brabo’s worden minderheden en juist daarom zo goed dat deze verhalen, die hier bij BHIC geboekstaafd worden over hun verleden steeds weer worden verteld en vastgelegd. (Ik hoorde laatst mensen vertellen dat ze weg wilden uit Veldhoven, beter bekend als ASML City, om maar een voorbeeld te noemen). Het kon raar lopen in Braboland en dat dééd het, voor alle Strijpsen, waar dan ook.

Een streep door alle Strijpen
Maar voor het Eindhovense “Strijp” óók en alle Strijpen van dien. Allemaal opgestuwd in de vaart van de volkeren, die daar niet om vroegen. De Brabo kreeg er heimwee van. Denk aan Leender Strijp. Strijpen kunnen heilzaam zijn. Maar ook nefast. In het Strijp bij Eindhoven waren de stripen – Strijper bulten – beiden. Die geomorfologie is betekenisbepalend voor de lokale geschiedenis. De bulten, bergen – berucht waren de Engelsbergen - hielden water vast, maar veroorzaakten ook dat vreemde militairen niet snel legering zochten in het zompige gebied. Dit Strijp werd daarom de armelijkste “gemeynt” van de Kempen.
In Brabant ligt een groot aantal geologische breuken. Langs deze breuken vonden en vinden verticale verschuivingen van de aardkorst plaats, waardoor ook aan het aardoppervlak een hoogteverschil is ontstaan. Het lage deel noemen we slenk, het hogere deel een horst. Beide termen komen veelvuldig in plaatsaanduidingen voor, net als “strijp”.
Brabant leed in de vroege middeleeuwen aan veel overstromingen, nauwelijks bedwingbaar. En daardoor, mede in verband met uitzonderlijke regenval, aan natuurlijke plagen, waaronder muizenteisteringen en rattenverhuizingen bij de vleet. In zo’n beekdal was dat natuurlijk funest voor oogsten en de volksgezondheid. Strijp lag binnen een lang gerekt beekdal tussen Dommel en Gender. Twee beken die doorgaans het hele jaar water hielden dat ze uiteindelijk betrokken uit waterbellen en meertjes in wat we ook wel de Belgische Kempen noemen. Deze waterlopen sleten een meanderende bedding uit in de Centrale Zuid-Oost Brabantse Slenk. Een westwaarts nederdalende breuk in de aardkorst uit de late IJstijd. In combinatie met de gestels kon daarom water bijna niet weglopen uit Strijp.
Huizen voor grondbewerkers
Waar waterlopen waren, gingen mensen huizen. Ze werden, vaak tegen heug en meug, sedentair. Ze werden voornamelijk agrariërs, grondbewerkers om veldgewassen tot oogst te brengen voor voedseldoeleinden en daarbinnen, binnen die bezigheid, ontstonden maatschappijen met eigenaardige gewoontes die uiteindelijk rechtsregels werden. Die waren bestemd voor het publieke domein om te komen tot een zeker geregeld handelsverkeer. Ruilen van producten, gewassen, geteeld vee, waaronder ook pluimvee. Uitwisselen van expertises over de bewerkingen van de gewassen en veldvruchten.
Waarbij bepaalde gestandaardiseerde verwachtingspatronen ontstonden en troef werden en zich uitstrekten over de langere termijn. Patronen die uiteindelijk gesterkt werden door religieuze inculturaties. Heidense. Christelijke. Zo noemden deze bewoners deze frequenties in gedrag en verwachting nog niet. Maar daarop kwamen ze uiteindelijk wel neer. Daarbij moet men uiteindelijk ook denken aan niet-katholieke geloofsgemeenschappen, zoals die van de hervormden, de gereformeerden in hun diverse denominaties, de wederdoperse en zelfs joodse gemeenten.
In dergelijke geschriften, al dan niet wetenschappelijk van opzet en pretentie, staan allerlei data als bijvangsten over de ontwikkeling van nijverheden, de economie die daaruit voortvloeide, de wegenaanleg, de waterstaatsbeheersing, de oprichting van nutsinstellingen en instituten van maatschappelijk hulpbetoon alsmede de gesel van muizen- en rattenplagen, muskietenkolonies, kraaienvolkeren in de moerassen en zompen, de doortocht van legerafdelingen en hun bivakken. Deze thema’s zijn dan inderdaad van secundair belang.

De diverse verhaalsinvalshoeken voor de vertellingslijnen
Want het echte Leitmotiv van deze publicaties zijn de godsdienst, de daaraan verbonden rituelen, de geïmpliceerde maatschappelijke ideologie en de gevolgen daarvan voor verenigingswezen, plaatselijke feesten en volksontwikkeling. Het maakt veel verschil of bijvoorbeeld de joodse godsdienst in de Strijper geschiedenis vaste voet krijgt binnen het openbare leven. Die godsdienst is immers van nature introvert. Zij beoogt de kinderen Israëls te verenigen en te sterken, te bevestigen in de gedachte dat zij Gods – Jahwehs – uitverkoren Volk zijn. Dat betekent dat deze religieuze overtuiging niet bestemd is om zich uit te strekken over hen die niet tot dat Oude Volk behoren.
Hoe heel anders is dan het christendom. Dat is extravert. Op basis van de bijbelse opdracht overal te gaan en volkeren te onderwijzen in de heilbrengende betekenis van de openbaring. Dat laat duchtige sporen na in de plaatselijke geschiedenis.
Gaat en onderricht iedereen
De introverte ideologie juist niet. Ze is er wel, ze kan zich duchtig doen merken, maar ze is slechts voor een beperkte doelgroep bestemd. Dat jodendom is pas echt ná 1870 in Strijp merkbaar, als de joodse fabrikantenfamilie Elias zich daar metterwoon bedrijfsmatig vestigt met het oog op het dan nog kristalheldere, traag stromende vaak nauwelijks bewegende Genderwater dat noordelijk van Strijp casacadematig vereniging zoekt met de immervloedende regenrivier de Dommel. De Eliassen komen uit Rijnland, de Westfaler vlakte. Ze komen uit nooddruft. Niet vrijwillig. Ze zijn verjaagd door de kanselier van Pruisen, Otto von Bismarck.
Otto wil een Duits Keizerrijk onder de Pruisische Koningen. Daarin is geen plaats voor mensen die niet protestants zijn. Want die Koningen hebben zich opgewerkt tot hoofden van een protestantse kerk op nationale grondslag. Wie ze niet erkent, zijn dus potentieel landverraders. Rooms-Katholieken doen dat niet. Joden ook niet. Maar Roemeense Roma en Bessarabische Sinti evenmin. Die worden vakkundig weggepest. Ze gaan vaak naar Nederland, dat ze overigens evenmin graag ziet komen, maar geen vreemdelingenbeleid heeft weten te ontwikkelen waardoor het deze lieden systematisch kan weren en uitzetten.

Falend vreemdelingenbeleid
In Holland is er zo’n beleid nog wel enigszins, maar verder niet. In Braboland zijn de onroerende goederen en arbeidskrachten goedkoop en daarom is deze regio geschikt voor Joodse ondernemers die hun kapitaal opnieuw tot wasdom willen brengen. Met de pest in hun lijf. Want ze waren liever thuis gebleven. Dat geldt ook voor de ondernemende katholieken die de West-Duitse Laagvlakte moeten verlaten. Dezen laten zich wederstrevend neer in de Kempen en beginnen daar hun lucifersfabrieken, zeepziederijen en emballage-nijverheden.
Elias zoekt velden om na reinigingen van de door hem vervaardigde textielstroken door dat Genderwater dat halffabricaat primitief te bleken en daarna mechanisch opnieuw te onderwerpen aan voortgezette kunstbewerkingen via de enorme stoommachine die hij introduceert in het Strijpse. Daarvoor haalt hij bij voorkeur vreemd volk aan. In eerste instantie. De bewerkingen via deze mechanische krachten veronderstellen ambachtelijke handmatige vaardigheden die Elias meent niet van de Strijpenaren te kunnen verwachten. Ze zijn rooms, staan onder het patronaat van een pastoor. Ze zijn dus ook stom. Daarom tevens ongedisciplineerd en lui. Dat steekt Elias niet onder stoelen of banken, maar de familie Philips later evenmin (al is die toch wat diplomatieker).
De poepen en hannekenmaaiers
Elias probeert daarom Pruisen uit het laagland bij de Rijn te werven, ook wel bekend als poepen en hannekenmaaiers. Die lieden worden, op hun beurt, met grote argwaan en weerzin door de Strijpers bekeken. Ze praten raar, ze hebben vreemde gewoonten, drinken zuur bier en werken op onregelmatige tijden zonder op god en gebod te achten.
Daarom waarschuwde de pastoor tegen hen. Van deze poepen komen problemen en omdat de Strijpers dat verwachten, komen die er dus. Want verwachtingspatronen roepen tegenverwachtingen op en die komen, omdat ze elkaar onderling in de ban houden, altijd treffend uit. Hier heb je nu een bijvangst in sociaal-historische zin, waaraan ik hiervoor refereerde.
De vastleggingen van tweespalt, twisten, vetes en de reacties daarop
Lees je het parochieel jaarverslag van de Trudo-parochie, dan vermeldt de pastoor deze ruzies, troebelen en spanningen zijdelings. Hij legt ze niet uit. Want hij schrijft dit verslag aan zijn bisschop te Den Bosch, monseigneur God(s)schalk. En die wéét dat allemaal wel, dat hoeft de rapporteur Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid niet te rapporteren: de kerkvorst en zijn curie zouden het memoriale parocchi Parochiae Sancti Trudonis Stripensis gehinderd terugzenden ter verkorting, want het moet in latinaletter gedrukt ingebonden worden in de diocesane analecta, te drukken door de NV Stoomdrukkerij RK Jongensweeshuis van de Broeders Fransiscanen van Liefde te Tilburg. De curie te Den Bosch voegt het bij de andere parochieverslagen uit het bisschoppelijk rechtsgebied, het diocese Den Bosch.
Die worden in drie zware katernen gebonden ter opzending naar Utrecht, waar het Aartsbisdom huist. Dat houdt één exemplaar om per decennium weer gebundeld te worden voor de Utrechtse bisschoppelijke archieven. Twee gaan naar Rome: een voor het Staatssecretariaat aldaar en een voor de Heilige Stoel, Afdeling Bijzondere missionaire zaken, omdat de Rooms-Katholieke Kerk een wereldkerk is die de administratie perfect onderhoudt. Op drie plaatsen gaat het aldus over Stripe, met steeds een verschillend doel dat niet-godsdienstig in zich is. Via deze bebronning over dat gat Stripe, via seculiere invalshoeken; een uitmiddelpuntige benadering en daarom verhalend innovatief. Ik begin vanaf 550. Na Christus; maak u niet bezorgd.


