Het ging goed op die strijpe. Er komt wat leven in de brouwerij, letterlijk, wat rondom het schuurkerkje komen tapperijen en herbergen.
Neringen bloeien en het kan niet op
Ik kan geen rekening overleggen van een legendarische Vlierhof uit die middeleeuwse tijden, waarvan het huidige etablissement “De Vlierhof” aan de Strijpsestraat/Trudoplein dan de persistente opvolgster zou zijn. Die Vlierhof was al drukbeklant als verenigingslokaliteit in de negentiende eeuw en dat is eenvoudig hard te maken via rekeningen en bestellingen.
De uitbaatster van die Vlierhof geeft aan de bouwpastoor van de huidige Trudokerk sommen voor de aanschaf van kerkmeubilair. Ze moet vermogend zijn geweest. Als er zo’n middeleeuwse Vlierhof is geweest, moesten kastelein en gastvrouw hemelschreiende barre tijden tegemoet zien vanaf 1468, toen de militaire metropool Luik door de Bourgondiërs met de grond gelijk werd gemaakt.

De vernietiging van Luik als bestuurscentrum
Deze verwoesting moet voor de Brabanders en Limburgers zo’n beetje het einde der tijden zijn geweest. Want al was de Prins-Bisschop in Luik een verre autoriteit die zich echt niet pastoraal met Kempenland bezighield, hij was voor de handhaving van de publieke rechtsorde echt wel een factor van betekenis geweest.
De beurtvaarders, vervoerders, vervrachters en stapelaars die het handelsverkeer op de Kempenlandse zandpaden gaande hielden moesten zeker zijn dat hun tochten uiteindelijk winstgevend waren. Ze moesten dus het vooruitzicht hebben dat ze hun handel veilig konden voeren, dat ze niet gegijzeld, geplunderd en niet opgelicht zouden worden. Dat de marktregels binnenpoorts van de steden gehandhaafd werden maar ook daarbuiten. En dat bij schending van die regels de marktplaatsen elkaar wederkerig rechtshulp verleende tegen de schender.
De interstedelijke wederzijdse rechtshulp
Door deze uit te leveren aan de stad of de vrijplaats waar de regels effectief geschonden waren, waar de wanprestaties voltooid waren of waar betaling, eventueel onder zekerheidsstelling, uiteindelijk geborgd was. Dat is de essentie van de directe handhaving van de externe policie, de borging dat de goede trouw in het handelsverkeer altijd beschermd wordt. De Luiker Prins-Bisschoppen hadden via hun politionele acties via militaire brigades op en langs De Maas, de daarop uitmondende paden, grintwegen, beken en rivieren daarvoor zorg gedragen. Onbedoeld. Als uitvloeisel van hun opdracht bij het verdelingsverdrag van Meerssen van 876 om de neutraliteiten van Maasbedding en dal, de daarop belendende paden, wegen en watergangen die bevaarbaar waren gewapenderhand te borgen.
De Luikse oorlogen en hun economische ontwrichtingen
De Luikse oorlogen, culminerend in de totale verwoesting van Luik en zijn citadel in 1468 maakte daaraan een einde. De handelsman was zijn nering en winsten niet meer zeker. En de conjunctuur ging dus aanstonds nadien neerwaarts. Al wisten de Kempenlanders niet goed wat hen deswege overkwam. De Strijpers wisten best dat het levensgevaarlijk geworden was om in Eindhoven, Den Bosch ter markt te gaan.

Maar niet waarom. De reden was dat de Luikenaren in opstand waren gekomen tegen de machtige Bourgondiërs die aanstalten maakten om effectieve jurisdictie uit te oefenen over het Maasdal. Dat kon de Koning van Frankrijk niet tolereren. Hij bood de Luikenaren een geheime militaire alliantie aan in 1465. Die hapten toe. Daarmee schonden de Luikenaren het neutraliteitsstatuut van 876 dat juist uitdrukkelijk bedong dat Luik neutraal zou blijven.
Het verraad van de Franse Koning
De Koning achtte het vervolgens opportuun om deze alliantie te verraden aan de Bourgondische Hertogen. Die beidden hun tijd totdat die Luikenaren hun stad verlieten om de Bourgondische erflanden aan te vallen. Een volksopstand. Die genadeloos afgestraft werd door de opperbevelhebber Karel de Stoute. Hij legde Luik gedeeltelijk in as.
Een guerrilla ontwikkelde zich in de Maasdalstreek. De hertog, het Bourgonische familiehoofd Filips, bood nog onderhandelingen met Luik (niet met het eveneens opstandige Dinant) aan, maar de Luikenaren wilden alleen tijd winnen. Toen de winter naderde, viel Karel de Stoute via de hoofdweg Leuven–Luik binnen.
De Luikenaren blijven persistent
De Luikenaren discussieerden of hun stad bestand was tegen de Bourgondische troepenmacht. Zij die vrede wilden stuurden gezanten naar de Prins-Bisschop om toegefelijk te zijn en de zaak niet op de spits te drijven. En naar de Bourgondische hertog, en zelfs 300 prominenten die zich onderwierpen aan de hertog en hem smeekten de stad te sparen van plundering en brand. Anderzijds waren er de volks onbesuisde rebellen die tegen elke prijs wilden standhouden en die de stadsmuren weigerden te ontruimen.

Volgens een ooggetuige kon de stad wel degelijk weerstaan aan het offensief. Karel viel aan op zondag, de gezegende dag des heren. Bij het naken van de ochtendzon. Opzettelijk om de zondagsvrede te schenden en niet eens als krijgslist, maar om te tonen dat hij overal maling aan had. Hij liet plunderen, platbranden en gijzelen. En maakt de stadse resten met de grond gelijk op de 30e oktober 1468. In één ongenadige daad van breideloze wraak. Die wijd en zijd ruchtbaarheid zou krijgen. Vooral in Brabant, dat toch al een te grote smoel placht op te zetten.
De Vrede van Sint Truiden
Al snel werden toen de voorwaarden van de Vrede van Sint-Truiden overeengekomen. De Brabanders hadden dat niet verwacht. En evenmin wat dat voor hun welvaart zou betekenen. Want zij waren toch niet in opstand gekomen? Zij hadden toch geen militaire tegenstand geboden? Neen, maar zij werden nu toch slachtoffer van wat de Luikenaren bestoken hadden. De prinsbischoppelijke beschermingsparaplu was ineens ingeklapt. Zoiets als de USA plotseling de NAVO verlaat. En tegen de West-Europeanen zeggen dat ze zich maar moeten redden tegen de geesten die via het Oekraïneconflict werden opgeroepen.
Zoiets ondervonden de Kempenlanders. En dus de Strijpenaren. Heel abrupt. Vooral als je het achteraf bekijkt. De zestiende eeuw brengt daarom alleen nog bestendige rampen mee voor dit eens zo welvarend gebied waarbij Holland overduidelijk in het niet valt. Dat komt dan ook op. Want het weet dit momentum haarfijn te vatten. Het springt in het vacuüm dat de anarchie in Braboland veroorzaakt en gaat er met de handelsrelaties van Den Bosch vandoor. De Brabo’s hebben verbluft het nakijken.
De Brabantse onthutsing
Hun vitale weerstandsvermogen militair, commercieel en religieus moet er volledig door ondermijnd zijn geraakt, zoals bij de Nederlanders het Bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 het nationale weerstandsvermogen heeft gereduceerd tot praktisch nihil. Alleen nog wat wrokkend mompelen dat het allemaal geen werk en niet eerlijk was. Tussen 1400 en 1468 kregen de Kempenlanders juist diepgewortelde weldadige gevoelens van komende economische hoogconjunctuur waarin bijna alles mogelijk zou zijn. Ze durven lange termijn-investeringen aan. Ze doen grote bestedingen voor luxe. Ze zijn grondeloos optimistisch. Het gaat alleen maar beter worden, denken ze, terwijl de Luikse oorlogen tot hun hoogtepunt komen.
In Strijp komt het tot uiting in brieven, protocollen, grensscheidingsdadingen – vaststellingsovereenkomsten over de geografische definitie van agrarische percelen, houtopstanden, bosschages, weidingsgronden en bijbehorende herdgangen – en waarachtig notariële akten. Ik ga daarop uitvoerig in, passim via mijn Stripe kerk, niet van gisteren, Zeshonderd jaar kerkgeschiedenis, Wolf Legal Publishers, 2012. We lezen over “dat Lievendale”, “Die Engelberch”, “die Horric”, de “Ecker aan den Slipvoert”, “de beide Welschoppen” en “die Rijsten”.
Er is geld om muren te metselen rondom het schip van het schuurkerkje en vensters te beglazen. Er zijn drie altaren in, gewijd aan Maria, Barbara en Joris. Er is een prachtig crucifix afhangend in het schip, dat nu nog hangt in de Trudobasiliek. Er zijn drie klokken in een open houten luidstoel. Dat gelui is publiek bezit. Aandacht trekt bij iedereen die langstrekt de klok die Trudo heet. “Trudo is myn naem, myn gheluyt si gode bequaem, Soe verre als men mi hoern sal wilt got behoeden overal MCCCXXXVI” Haar klank wordt geroemd: ze zingt lang na, prachtig zuiver. Ze is op locatie in een lemen schulpput gegoten door Jan Zeelstman, een befaamd Kempens klokkengieter.

Als ze geluid wordt dreunt dat, omdat haar monding dicht bij de grond hangt, in de deklaag van het Strijper zandpad dóór. De paarden, geheud op weg naar de Eindhovense markt, maar ook de schapen, lammeren en biggen, schrikken en wijken, gezien hun richting marktwaarts, sterk uit naar rechts. En dáár zie je ook nu nog een rare deviatie naar rechts in de Strijpsestraat, ter hoogte van het trappetje naar de geprojecteerde doopkapel uit 1927. De deklaag is op den duur maar herwaarts aangeplempt opdat het vee niet in de greppels met water terecht zou komen. En dat is de Stripenaar blijven doen tot 1887. De weg bleef langdurig onbestraat. Zeelstman goot óók nog op deze locatie een Maria klok en een Annaklok. In onderling driegelui gaven ze een sprankelende, vrolijke harmonie ter wijding van Gods schepping.
Ze zongen het optimisme van die dagen uit, zoals de huidige Trudoklokken dat nog steeds in drieklank doen. Ik laat dat op BHIC gaarne horen. Maar hun melodie is niet die van Zeelstman. Die was onnavolgbaar toonvast met glissandi na de klepelslag zelf. Die klank was zijn merkteken van bekwaamheid, je kon haar meteen zintuigelijk horen en voelen. Omdat ze natrilde in stoel, stenen en grond. Dat welbehagelijk overtuigd zijn dat de toekomst geluk brengt, is wel helemaal uit ná de val van Luik. Totaal. Het betekent bijna voor de Kempenlanders het einde van de wereld. Als Luik verwoest kon worden zonder vergelding, waar bleef je dan? Wat vond de Paus daar van? Waarom bad hij Christus niet om zijn bliksem en zijn donderen? Had hij de Prins-Bisschop niet aangesteld? Was hij niet verplicht een pauselijk leger, gelicht in Centraal-Europa, te sturen? Ter bestraffing van de Bourgondiërs en die Koning van Frankrijk?
Het ontbreken van interregionale doorzettingsmacht
Die belegering, inname en vernieling van de onneembaar geachte stad Luik eindigde het systeem van defensieallianties dat Brabant borgde tegen invallen van vreemde legers, bedelaarsbenden, deserteurs en brandschatters in gewapend verenigingsverband. De bisschop had geen militaire doorzettingsmacht meer, zijn graven en baronnen evenmin, en de kerkvorst kon niet meer aan zijn verplichtingen uit hoofde van het uitvoeringsverdrag van Meerssen van 876 voldoen. De ingezetenen werden niet meer gevrijwaard in het publieke domein tegen aanrandingen van lijf, eerbaarheid het goed. Dat merkte de Stripenaar ook; veel later dan de poorters van de handelssteden, maar hij kwam er achter toen de handel stokte, ook in het Striper beekdal.
Lees hier verder in Oud Strijp (7): Habsburgse begunstiging van Braboland.
Ga hier terug naar Oud Strijp (5): Striper isolatie in het armzalige beekdal.
