Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Queer Brabant Tijdlijn

Deze tijdlijn geeft niet alleen een overzicht van de queer geschiedenis van Brabant. Ook vind je bij historische gebeurtenissen op de tijdlijn verwijzingen naar archieven en verhalen van het BHIC waar meer te vinden is over queer geschiedenis en aanwijzingen voor archieven waar verder onderzoek nog nodig is.

Tot 1300

Voor 1250 was homoseksueel gedrag geheel legaal in de meeste landen in Europa. Echter, veranderde de straffeloosheid van dit gedrag tussen 1250 en 1300. Tijdens deze periode werd homoseksueel gedrag een misdrijf waar geen lichte straf op stond. Bijna alle wetboeken uit deze periode betogen dat deze ‘misdaad’ met de dood moest worden bestraft.[1]

Onder andere Rooms-katholieke theologen droegen bij aan deze omwenteling. Vanuit hun leer werden homoseksuele activiteiten voortaan beschouwd als ‘tegennatuurlijk’. Voor degene die homoseksueel handelde was in de meeste gevallen verbranding, ofwel de ‘vuurdood’, het gevolg. Deze manier van straffen bevatte bovendien een symbolische waarde. De ‘vuurdood’ verwees naar de wijze waarop de Bijbelse steden Sodom en Gomorra verdwenen van de aardbodem.[2]

1300-1500

Vanaf de veertiende eeuw werd sodomie ook een soort strategische beschuldiging. Men kon er tegenstanders en heersers mee kwellen. Ook in Nederland  kwam het voor dat een onschuldig persoon getroffen werd door een sodomiebeschuldiging.[3] Toch werden er in verhouding tot andere landen in Europa minder personen vervolgd op grond van sodomie in Nederland. In staten zoals Frankrijk en Spanje bevonden zich vrij gecentraliseerde staatsapparaten, waardoor het overheidsapparaat uitgebreid genoeg was om sodomie meer stelselmatig te vervolgen. In Nederland was de centralisatie in veel mindere mate aanwezig, waardoor sodomie een weinig vervolgd kwalijk misdrijf was.[4]      

Door de beperkte omvang van vervolgingen is het lastig om vast te stellen of er één of meerdere vervolgingen van sodomie plaatsvonden in Brabant in deze periode. Voor zo ver het bekend is, heeft het BHIC geen bronnen voor deze periode die wijzen op mogelijk homoseksueel gedrag.

De Nederlandse samenleving kenmerkte zich aan het einde van de middeleeuwen door haar relatief grote tolerantie, die onder andere voortkwam uit het Nederlandse onderwijssysteem.[5] Naast het gebrek aan centralisatie, biedt de tolerante houding een mogelijke verklaring voor de beperkte omvang van vervolgingen in de late middeleeuwen.

1500-1700

Homoseksualiteit, oftewel sodomie, was tot circa 1650 niet alleen een zware zonde, degene die zich schuldig maakte aan homoseksuele handelingen werd ook gezien als een ‘bedreiging’ voor de rolverdeling tussen man en vrouw.[6] Mede hierdoor werd homoseksualiteit in deze periode onverbiddelijk vervolgd al dan niet doodgezwegen.

Na 1650 werd homoseksualiteit doodgezwegen. Hierdoor was sodomie een crimen nefandum, ook wel bekend als de ‘stomme zonde’. Dat wil zeggen dat sodomie een misdaad was waarover niet gesproken werd. Destijds was de heersende zienswijze namelijk dat spreken over sodomie al voldoende aanleiding was voor de verspreiding ervan. Er vonden dan ook nauwelijks openbare sodomieprocessen plaats.[7] Wanneer dit wel in de openbaarheid zou plaatsvinden kon het tenslotte andere burgers op ideeën brengen.

Als er sodomieprocessen plaatsvonden in deze tijd, dan gebeurde dat dus achter gesloten deuren. Ook werd er dan voor gezorgd dat bewijstukken voor eens en altijd vernietigd waren nadat de gerechtelijke uitspraak was gedaan.[8]         

1700-1800

1730-1733

In het jaar 1730 werd het crimen nefandum doorbroken in de Noordelijke Nederlanden. Dit moment markeerde een grote omslag in de strategie rondom sodomie. Het doodzwijgen van werd verruild voor publieke executies. Deze openbare vervolgingen zouden degene die geneigd waren tot homoseksuele gedragingen moeten afschrikken.[9] Het maakte tenslotte op een expliciete en publiekelijke wijze duidelijk welk lot hen stond te wachten.

Monument voor vervolgden in Utrecht
Bron: Wikimedia Commons OSeveno CC-BY-SA 4.0

De aanleiding voor deze verandering in aanpak van sodomie was een ontdekking van sodomitische subcultuur in een aantal Hollandse steden. In 1730. De omvang van deze netwerken waren van dusdanige omvang dat het doodzwijger over de zonde niet langer gezien werd als de meest effectieve strategie door de gezaghebbers. De autoriteiten besloten daarom over te gaan op een meedogenloze aanpak, waarbij de potentiële straf een voorbeeld moest stellen aan andere ‘sodomieten’.[10]

Wat volgde was een golf van sodomievervolgingen door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zo vonden er tussen 1730 en 1811 ongeveer 800 tot 1.000 processen plaats, waarbij circa 200 vonnissen daadwerkelijk bestraft werden met een doodvonnis.[11] Hoewel er tot aan 1811 vervolgingen van sodomieten plaatsvonden in verschillende Nederlandse steden, bleef het crimen nefandum in Brabant juist van kracht.[12] Zo ver het nu bekend is, zijn er geen aanwijzingen gevonden in historische bronnen die wijzen op sodomievervolgingen in Brabant voor deze periode.[13]

Wie sodomie wil onderzoeken doet er tenslotte goed aan om te letten op de bredere context. Naast homoseksuele handelingen kan sodomie in sommige gevallen ook buitenechtelijke seks, seks tussen christenen en joden, seks met dieren of incest betekenen. Gebruik onze Queer Zoekwijzer om je te helpen bij je onderzoek.   

1781

In 1781 overleed Maria van Antwerpen in Breda. Het leven van Maria is verassend goed gedocumenteerd en hierdoor weten we dat Maria meermaals door het leven ging als man. Maria’s uitspraak ‘ik ben in de natuur een manspersoon, maar uiterlijk een vrouwspersoon’ doet vermoeden dat Maria wellicht niet alleen deed aan ‘travestie’ (tegenwoordig ook wel cross-dressing), maar dat Maria mogelijk wel een historisch voorbeeld is van iemand die wij vandaag de dag transgender zouden noemen.[14] Lees meer over het opmerkelijke leven van Maria op de website van Erfgoed Brabant.

Handtekeningen van Maria van Antwerpen en Maggiel van Handtwerpen 
Bron: Wikimedia Commons Streekarchief Midden-Holland CC0.

1789

Vrijheid, gelijkheid en broederschap. In 1789 vond de Franse Revolutie plaats. De revolutie had ingrijpende gevolgen voor de destijds gebruikelijke genderverhoudingen. Een van de gevolgen van de revolutie was een opkomende stroom van nationalistische sentimenten. Samen met deze golf ontstond er ook een nieuwe zienswijze van mannelijkheid: de man als een stoer, militair en heteroseksueel persoon. Wie mannelijk was, was heteroseksueel en wie heteroseksueel was, was mannelijk. Wie mannelijk wilde zijn, had echter wel wat te bewijzen. Dat kon bijvoorbeeld door uit te blinken in sport, maar nog ingrijpender dan dat was dat mannen zich als exclusief heteroseksueel gingen profileren.[15]

Ook voor vrouwen veranderden de verwachtingen wat betreft hun genderrollen. Voortaan werden zij gezien als moeders die verantwoordelijkheid droegen voor het huishouden en voor de zorg over hun kinderen. Bovendien zouden zij geen seksuele verlangens hebben.[16]

1800-1900

1811

In 1811 waren de Nederlanden geannexeerd door het Franse keizerrijk van Napoleon. Door deze inlijving werd de Code Pénal ingevoerd in de Nederlanden. Deze Code was onder het bewind van Napoleon tot stand gekomen en verschillende verlichte ideeën kwamen voor in de Code Pénal. Later zou deze Code de basis vormen voor het Nederlandse Wetboek van Strafrecht.

De Code Pénal bracht bovendien een grote verandering met zich mee. Sodomie kwam niet voor in het strafboek, waardoor de strafbaarheid van homoseksuele handelingen formeel gezien afgeschaft waren. Echter, betekende dat niet dat homoseksuele gedragingen voortaan geaccepteerd werden. In de Nederlandse samenleving bleef homoseksueel gedrag niet alleen taboe, maar ook konden degene die homoseksuele handelingen uitvoerden vervolgd worden op grond van ‘openbare schennis van de eerbaarheid’.           

De betekenis van openbare schennis van de eerbaarheid omvatte verschillende gedragingen. Denk aan naaktheid in het openbaar en seksuele handelingen, waaronder seks, in de openbare ruimte. Van deze ‘oneerbaarheden’ ontvingen degene die zich schuldig maakten aan ‘sodomitische’ schennis bijna altijd de uiterste straf. Homoseksualiteit werd in de praktijk dus geregeld zwaarder bestraft dan heteroseksuele schennissen.[17] 

Wie goed tussen de lijnen door leest, bijvoorbeeld in criminele vonnissen bij het BHIC rond de periode 1812-1930 kan achterhalen of de schennis der openbare eerbaarheid gaat om homoseksuele handelingen. Factoren als locatie en straf zijn mogelijke aanwijzingen bij deze zoektocht. Het achterhalen van homoseksueel getinte incidenten vanuit bronnen, zoals criminele vonnissen, kan echter een heuse opgave zijn. Hoe moeten we de bronnen interpreteren? En kunnen we dan met zekerheid zeggen dat het om homoseksualiteit ging? Het verhaal 'Schennis der eerbaarheid in ‘s-Hertogenbosch' vormt een goed voorbeeld van hoe homoseksuele incidenten achterhaald kunnen worden in het archief. Voor meer informatie over homoseksueel gedrag in de Nederlandse strafwet en hoe dit zich ontwikkelde door de jaren heen kun je terecht op onze Hulp-bij-onderzoekpagina over zedenwetgeving.

1872 of 1886

Tegenwoordig is homoseksualiteit een bekend begrip. Wie de term hoort, weet hoogstwaarschijnlijk wat het betekent. Vroeger was dat anders. De term ‘homoseksualiteit’, ook wel geschreven als ‘homosexualiteit’, werd pas tegen het einde van de negentiende eeuw in gebruik genomen. Bovendien is er enige discussie over het precieze jaartal waarin de term voor het eerst verscheen in een Nederlandse tekst. De eerste verschijning zou in 1872 of in 1886 geweest zijn.[18]

Naast homoseksualiteit, ontstonden ook termen, zoals exhibitionisme en travestie, in de late negentiende eeuw. Deze nieuwe begrippen gingen hand in hand met nieuwe kijkwijzen, praktijken en theorieën. Zo werd seksueel gedrag  steeds vaker een belangrijk onderdeel van iemands persoonlijke identiteit.[19] Bovendien wezen termen, zoals ‘sodomie’, naar het gedrag van mensen: iemand doet aan sodomie. De nieuwe begrippen doelden daarentegen eerder op een staat van zijn, waardoor het gemakkelijker was om jezelf als homoseksueel te omschrijven.[20] Mogelijk speelde ook de negatieve connotatie van ‘sodomie’ een rol in dit proces.

Wie onderzoek wil doen naar homoseksualiteit voorafgaand het einde van de negentiende eeuw dient dus niet alleen rekening te houden met het feit dat andere zoektermen gebruikt moeten worden om archiefmateriaal te vinden, maar ook met het feit dat er destijds geen expliciete termen voor queerness bestonden. Dat betekent dat enige voorzichtigheid gewenst is wanneer je historische personen als ‘lesbisch’ of ‘homo’ zou willen omschrijven. Bij twijfel zijn alternatieven als ‘vertoont homoseksueel gedrag’ of ‘mogelijk lesbisch’ goede opties.

Bovendien wordt er in historische bronnen regelmatig gesproken over een innige vriendschap. De precieze betekenis van vriendschap kan lastig te duiden zijn. Soms zijn er wel aanwijzingen die doen vermoeden dat een vriendschap eerder een mogelijke homoseksuele verliefdheid was. Bijvoorbeeld in dit verhaal over de gedichten van Lucien von Römer. 

Hoewel hedendaagse terminologie niet altijd geschikt is om op historische personen te plakken, hebben wat wij verstaan onder queerpersonen wel altijd bestaan. Voor alternatieve benamingen en zoektermen is er de Queer Brabant zoektermenlijst. Voor een volledige lijst met gerelateerde termen kan de thesaurus Homosaurus geraadpleegd worden.

1900-1939

1911

In 1911 werd het beruchte artikel 248bis ingevoerd in het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor werden homoseksuele contacten weer gedeeltelijk strafbaar. Waarom gedeeltelijk? Omdat 248bis alleen homoseksuele contacten tussen volwassenen en minderjarigen (jonger dan 21 jaar) strafbaar stelde.

Uitgave van J.A. Schorer, voorvechter van 
homo-emancipatie, tegen artikel 248bis.

Wat deze regeling opvallend maakte, is dat de leeftijd van consent voor homoseksuele contacten hoger lag dan die voor heteroseksuele personen. Voor heteroseksuele contacten gold een leeftijd van 16 in plaats van 21 jaar.[21] 248bis was dus een discriminerend wetsartikel. Bovendien was de wetgeving gebaseerd op de zogenaamde ‘verleidingstheorie’. 248bis moest minderjarigen ‘beschermen’ tegen ‘verleidingen’ van oudere personen van hetzelfde geslacht. Alsof meerderjarige homoseksuele personen direct verantwoordelijk zouden zijn voor ‘het homoseksueel maken’ van jongeren.

De invoering van wetsartikel 248bis was tegelijkertijd een aanleiding voor het begin van de homo-emancipatie in Nederland. Zo ontstond de eerste Nederlandse organisatie die streed tegen homodiscriminatie in 1912. Deze organisatie heette het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee. De organisatie werd opgericht door Jacob Schorer. Schorer verspreidde zijn ideeën in de pers, waardoor homoseksuele personen hun gevoelens konden herkennen. Desondanks was artikel 248bis een zeer ingrijpende wetgeving voor lesbiennes en homoseksuelen. Naast dat 248bis leidde tot arrestaties en rechtszaken, had 248bis ook een psychologische impact. Een beschuldiging op grond van 248bis kon bijvoorbeeld een verlies van huisvesting, maatschappelijke uitsluiting of ontslag betekenen.[22]

Bovendien markeerde de invoering van artikel 248bis voor Brabant het moment waarop het crimen nefandum voor het eerst werd doorbroken.[23] Bij het BHIC zijn bronnen over strafprocessen vindbaar door in rechtbankarchieven gericht te zoeken naar strafvonnissen over artikel 248bis. Ook ‘ontucht met minderjarigen’ kan resultaat opleveren, omdat dit soms als eufemisme voor 248bis werd gebruikt. Wie meer wil weten over 248bis kan de Queer Brabant zoekwijzer raadplegen en onze hulp-pagina over zedenwetgeving en gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag in Nederland tussen 1811 en 1971 lezen. Hoe een vervolging op grond van artikel 248bis er in de praktijk aan toe ging, wordt duidelijk in het verhaal over de Ravensteinse zedenaffaire.

1912

Hoewel het begrip ‘transgender’ pas vanaf laat in de twintigste eeuw gebruikt werd, hebben wat wij ‘transgenderpersonen’ noemen altijd bestaan. Vanaf de achttiende eeuw zijn mogelijke aanwijzingen voor genderdiverse personen vindbaar in archieven door te zoeken met termen als ‘eonist’, ‘transseksist’, ‘transseksueel’ of ‘travestie’. Wanneer dit zoekresultaten oplevert, is enige voorzichtigheid op zijn plaats, om meerdere redenen. Allereerst dienen we te denken aan de makers van de bron. Wanneer we mogelijke transpersonen tegenkomen in een historische bron zijn dit met enige regelmaat misdaadbronnen of bronnen uit de psychiatrie die een eenzijdige visie geven van mogelijke transpersonen. Daarbovenop dienen we rekening te houden met het feit dat het vrijwel onmogelijk is om na te gaan in hoeverre historische personen in ons moderne hokje van ‘transgender’ passen.[24] Hoe weten we bijvoorbeeld dat iemand de wens had om hun lichaam aan te passen? En wat betekende het eigenlijk als we in een bron zien staan dat iemand in 1598 ‘kleren van het andere geslacht’ droeg?

Het dragen van ‘kleren van het andere geslacht’ kan wijzen op een transpersoon, maar het kan ook wijzen op iemand die zich met hun kledingstijl niet kan vinden binnen de gangbare gegenderde klederdracht. Opvallend is dat na 1911 niet alleen het beruchte artikel 248bis bestond, maar dat de politie ook handhaafde op de klederdracht van personen in de openbare ruimte. In de archieven van het BHIC ligt bijvoorbeeld een politieverordening van Schijndel uit 1912, waarbij artikel 43 stelt dat: ‘niemand vermomd of onkenbaar gemaakt of in kleederdracht eener andere sekse, of in kleederdracht van geestelijke personen, wanneer men niet daartoe behoort, in het openbaar mag verschijnen’. Algemene plaatselijke politieverordeningen bestonden uit een set regels die de openbare orde, leefbaarheid en veiligheid van een plaats moesten bewaken. Uit het citaat van artikel 43 valt op te maken dat het dragen van kleding van het andere geslacht niet toegestaan was in het openbaar. Wie dit wel deed zou dus mogelijk de orde verstoren. Dergelijke regelgeving beperkte onder andere de zelfexpressie van genderdiverse personen in het verleden.

1940-1945

Na een vijfdaagse strijd tussen 10 en 15 mei 1940 tekende Nederland de capitulatie, wat het begin van de Duitse bezetting betekende. Als gevolg van de bezetting werd homoseksualiteit, anders dan in artikel 248bis, geheel gecriminaliseerd in juli 1940.

De roze driehoek werd in het kamp-
systeem van de nazi's gebruikt om
homo-gevangenen te identificeren.
Het werd na de oorlog het symbool
van de homo-emancipatie.

Vanaf dat moment gold de Duitse verordening 81/1940. Deze verordening verbood elk homoseksueel contact tussen mannen. Zowel minder- als meerderjarigen konden hierdoor vervolgd worden. Overigens werden vrouwen niet genoemd in de verordening. Wie veroordeeld werd op grond van 81/1940 stond een gevangenisstraf te wachten, waarvan de duur uiteenliep van vier tot soms wel tien jaar.[25] De verordening werd maar in beperkte mate uitgevoerd in Nederland, mede doordat de Nederlandse autoriteiten de verordening negeerden als protest tegen de Duitse bezetters.[26]

Kort na het einde van de oorlog zijn de meeste politiedocumenten van de periode 1940-1945 vernietigd. Hierdoor is veel informatie over de vervolgingen van homoseksuele mannen tijdens de oorlog verloren gegaan.[27] Wie voor deze periode bij het BHIC mogelijke sporen van homoseksuele mannen wil vinden, staat aanzienlijk wat zoekwerk te wachten. Documentatie over homoseksuele mannen kan mogelijk gevonden worden in psychiatrische bronnen en in bronnen van concentratiekampen, strafkampen, tuchthuizen en rechtbanken.

1946-1969

1946

In 1946 werd de ‘Shakespeare Club’ (later bekend als het C.O.C.) opgericht als voortzetting op het vooroorlogse werk van het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK). De organisatie bood een schuilplaats voor homoseksuele mannen (en in mindere mate vrouwen) en de club diende ook als een ontmoetings- en ontspanningsplek.

In 1948 besloot voorzitter van de Shakespeare Club Niek Engelschman dat het tijd werd dat er een afdeling van de club opgericht werd in Zuid-Nederland. Op 3 januari 1948 werd daarom een vergadering bijeengeroepen in Eindhoven. De zedenpolitie kreeg echter hoogte van de plannen, waardoor degene die zich meldden op de bijeenkomst aangehouden en geregistreerd werden.[28] De komst van een C.O.C. in de provincie Brabant zou vervolgens pas in 1961 gerealiseerd worden.

1950-1959

In de jaren vijftig vonden de eerste genderbevestigende operaties plaats in Nederland.[29] Deze operaties betroffen wel maar enkele geïsoleerde gevallen. In de jaren ’50 was het namelijk waarschijnlijker dat transgenderpersonen bij psychiaters terecht kwamen. Deze psychiaters weigerden het soms om transpersonen te helpen, stuurden transpersonen naar een psychiatrische instelling en het kon voorkomen dat transpersonen elektroshocks toegediend kregen.[30] Bij het BHIC ligt onder andere het archief van het ‘Rijks Krankzinnigen Gesticht Woensel’. Mogelijk zijn er in dit archief en soortgelijke archieven sporen te vinden van transgenderpersonen.

1961

In 1961 vond een omslagpunt plaats toen de katholieke psychiater Kees Trimbos positieve uitspraken deed over homoseksualiteit in een radio-aflevering van de KRO. Trimbos verleende hulp aan homoseksuelen en vanuit zijn ervaring en op basis van zijn gezag als psychiater luidde zijn radio-optreden een periode in, waarbij harde repressie van homoseksualiteit ten einde kwam. Waar het in 1948 nog tot weerstand leidde vanuit de Zedenpolitie, lukte het in 1961 hierdoor wel om een afdeling van het C.O.C. in het zuiden van Nederland op te richten. De C.O.C. Afdeling Zuid vestigde zich toen in Eindhoven.[31]

Hoewel de periode van harde repressie van homoseksualiteit ten einde kwam, betekende het niet dat iedere homoseksuele of lesbische persoon hier openlijk voor uit kwam. Heteronormativiteit, tijdsgeest, maatschappelijke verwachtingen en religie waren allemaal factoren die impact konden hebben op de keuze om wel of niet uit de kast komen. Daarbij waren sommige homoseksuele mannen en lesbische vrouwen al getrouwd, wat de afweging om wel of niet uit de kast te komen nog lastiger kon maken. Op de website van het BHIC zijn verschillende verhalen te lezen van homoseksuele mannen die vertellen over hun coming-out of juist over hun keuze om ‘een leven lang in de kast’ te zitten.

1970-1979

Tot aan de jaren ’70 waren lesbische vrouwen vrijwel onzichtbaar in de Nederlandse samenleving.[32] Hun positie verschoof echter in de jaren ’70 mede door de tweede feministische golf.

Deze golf bood vrouwen de gelegenheid om andere vrouwen te ontmoeten en hun identiteit vorm te geven, bijvoorbeeld in vrouwencafés, -huizen en -praatgroepen. Een omvangrijk aantal lesbische vrouwen was actief binnen allerlei vrouwenbewegingen. Bovendien was het niet ongebruikelijk dat vrouwen pas binnen deze feministische ruimtes ontdekten dat zij lesbisch waren.[33]

In Brabant vond deze ontwikkeling haar weerslag. Zie bijvoorbeeld het verhaal van Nel Willekens: ‘Liever Lesbisch?’. ‘Steeds meer heterovrouwen gingen over tot een lesbisch bestaan’. Nel Willekens schrijft hier onder andere over hoe van de ledenlijst van de Bossche vrouwengroep Brood en Rozen (bestaande uit 22 vrouwen in die tijd), ‘zeker de helft verliefd werd op vrouwen’.  

1971

In 1971 werd artikel 248bis afgeschaft. Na de afschaffing werd homoseksualiteit in een zekere mate getolereerd door de autoriteiten, waarbij de mate van tolerantie verschilde per stad. De Eindhovense burgermeester Witte probeerde bijvoorbeeld in 1971 om het dansverbod voor mannen onderling in stand te houden, terwijl de gemeente in Breda vanaf 1973 al het plaatselijke C.O.C. subsidieerde.[34]

In Tilburg werd er ook subsidie beschikbaar gesteld voor de Werkgroep Homofilie Tilburg. Deze geldstroom kwam eerst alleen vanuit de hogeschool in Tilburg, maar later ook vanuit de gemeente. Met dit geld werden onder andere boeken gekocht. De werkzaamheden van de leden zelf waren op vrijwillige basis. Waar deze leden zich mee bezig hielden valt te lezen in dit verhaal van Martin Luttikholt.

1972

In de loop van de jaren ’70 bleken de belangen van lesbische feministen en die van heteroseksuele feministen soms tegengesteld. In hoeverre werd heteronormativiteit benoemd bij het bestrijden van genderongelijkheid? Ook waren er soms heteroseksuele vrouwen bang om lesbisch genoemd te worden, omdat dit ten koste van hun geloofwaardigheid kon gaan. In 1972 werd mede door deze weleens voorkomende spanningen de radicale actiegroep Paarse September uitgeroepen.[35] De actiegroep stelde onder meer dat ‘lesbisch zijn een politieke keuze was’.

Paarse September speelde zich vooral af in Amsterdam (hoewel Maaike Meijer, een van de vrouwen uit de groep, wel uit Eindhoven kwam), maar spanningen tussen heteroseksuele en lesbische vrouwen kwamen soms ook voor in Brabant. Zo schrijft Nel Willekens in haar verhaal ‘Liever lesbisch’ dat de leus ‘liever lesbisch trots op de muren verscheen’, maar dat er tegelijkertijd in vergaderingen soms wel bediscussieerd werd of lesbische vrouwen ‘elkaar gedag konden zoenen bij ontmoetingen in het vrouwenhuis’, omdat het ‘nieuwe bezoekers kon afschrikken’.   

De vrouwen van Paarse September bekritiseerden ook het COC. Het COC focuste zich destijds vooral op integratie van homoseksuelen in de samenleving en het benadrukken van een eigen lesbische of homoseksuele identiteit zou volgens het COC tegenstrijdig kunnen werken en te choquerend zijn.[36] Daarnaast kon het voorkomen dat lesbische vrouwen dubbel onderdrukt werden: zowel op hun lesbische geaardheid als op hun maatschappelijke positie als vrouw. Historisch gezien was het COC wel meer georiënteerd op mannen, waardoor het binnen het COC kon voorkomen dat lesbische vrouwen gediscrimineerd werden.[37] In Brabant was de Werkgroep Homoseksualiteit Oss zich bewust van deze intersecties, waardoor zij in hun nota met aanbevelingen voor het gemeentelijk lesbies- en homobeleid in 1988 erkenning vereisten voor de dubbele onderdrukking van lesbische vrouwen.

1978

In 1978 kwam de Roze Driehoek tot stand in Eindhoven. De groep was geïnspireerd door het lesbisch feminisme van de vroege jaren zeventig en ze overschreven sekse- en genderrollen door hun opvallende kleedgedrag en hun schokkende acties in de publieke sfeer. De Roze Driehoek en haar actierepertoire hadden een radicale invloed op de homo- en lesbische beweging in Brabant.[38] Een van de onderdelen van haar actierepertoire was het protestnummer ‘Je kunt het aan mij wel zien’, dat verscheen op de LP ‘Dans tegen de draai in. Liedjes van mannen in beweging’.

Deel van de hoes van de LP 'Dans tegen de draai in'.

1979

De eerste Roze Zaterdag in Nederland vond plaats in Roermond in 1979 als protest tegen bisschop Gijssen. Na aanleiding van dit protest kwam er een jaarlijks wederkerende demonstratie van lesbiennes, homoseksuelen en biseksuelen. De zogenoemde Roze Zaterdagen vonden elk jaar plaats op de laatste zaterdag van juni, waarbij de locatie wisselde per jaar. Sinds de eerste demonstratie in 1979 vonden er vijf Roze Zaterdagen plaats in de provincie Brabant. In 1981 in Den Bosch, in 2002 in Breda, in 2007 in Bergen op Zoom, in 2014 in Eindhoven en in 2017 in Den Bosch/Oss.

1980-1989

Hoewel de term aids niet direct met homoseksualiteit te maken heeft, heeft deze ziekte een grote impact gehad op de queergemeenschap wereldwijd. Hierdoor zijn er in de bronnen over aids bij het BHIC ook stukken die betrekking hebben op de homoseksuele gemeenschap. Bijvoorbeeld in deze stukken betreffende de bestrijding van aids tussen 1985 en 1987 van de Gewestelijke Gezondheidsdienst Stadsgewest Oss.

1981

Op 27 juni 1981 vond de jaarlijkse terugkerende Roze Zaterdag plaats in Den Bosch. Deze dag werd ook wel aangekondigd als ‘Het beleg van Den Bosch’. Het programma begon die dag om 14:00 met een demonstratie door het stadscentrum. De demonstratie eindigde op de markt, waar toen een manifestatie plaatsvond met muziek en sprekers. In de vrouwenkrant Rosa werd er geschat dat er circa drieduizend personen mee zouden demonstreren. ’s Avonds werden er ter afsluiting ook twee feesten georganiseerd in het Casino, waarvan er één voor een gemengd publiek was en er één voor vrouwen was. Onder andere de Deense potten-rock-band ‘Lilith’ zou optreden bij een van deze feesten. Ook het Bossche Vrouwenhuis opende tussen de manifestatie en het feest door haar deuren voor de vele vrouwen uit het hele land. De Roze Zaterdag was mede georganiseerd door de Roze-front-vrouwen. In de week voorafgaand de Roze Zaterdag in Den Bosch trok de Roze Karavaan door Nederland, waarbij deze in Brabant onder andere Cuijk en Boxmeer bezocht.

De Roze Zaterdag in Den Bosch had echter een keerzijde. De dag werd herhaaldelijk onderbroken door jongeren tussen de 14 en 18 jaar. Zij toonden een afkeurende houding door: ‘bezoekers te bekogelen met eieren en deelnemers uit te dagen tot een ruzie’. Voor meer informatie over de Roze Zaterdag in Den Bosch kan onder andere Kleintje Muurkrant en de Rosa Vrouwenkrant ingezien worden bij het BHIC.

1982

In 1982 vond de eerste editie van het Lesbies Lentefeest plaats in Tilburg. Voor de organisatie van het feest werd de organisatie Stichting Lesbische Activiteiten Brabant (SLAB) opgericht. Een van de vrouwen die hielp met de organisatie van het feest was Marjo Hoogzaad. In haar verhaal lees je haar beleving van het festival en vertelt ze meer over haar activistische verleden.

1982

Op donderdag 8 april 1982 sprak christelijke bestuurlijke instantie CIO zich uit tegen het voorontwerp van de anti-discriminatiewet. De instantie bleef stellen dat ze homoseksuelen mochten weren wanneer zij solliciteerden naar een baan. Een aantal zelfgenoemde ‘potten en flikkers’ uit Den Bosch reageerden hierop door onder andere op eerste paasdag te demonstreren bij de Sint-Janskathedraal in Den Bosch.

Een COC-lid uit Den Bosch schreef over de demonstratie dat hij bij de ‘demonstratie bij de St-Jans weer erachter gekomen was wat voor vooroordelen er allemaal nog leven tegenover homosexuelen. Er wordt gesteld dat er de laatste jaren meer tolerantie tegenover homoseksualiteit is gekomen. Ik denk dat dat wel waar is, maar ik denk ook dat veel van die tolerantie schijntolerantie is. Wanneer homoseksualiteit dicht in hun buurt komt wenden velen het hoofd nog af. Er valt nog een boel te knokken eer ik zonder angstgevoel gearmd met een vriend over straat kan gaan lopen’.

1982

In de aanloop naar de Roze Zaterdag vond wederom de Roze Week plaats. De Roze Karavaan bezocht Den Bosch op maandag 21 juni 1982. Als onderdeel van het programma werd er op een mobiel podium op de markt een ‘wild potten- en flikkerprogramma’ opgevoerd om de homoseksuele personen in het publiek een strijdbaar alternatief te laten zien. Ook was het een manier om hetero’s aan te spreken op hun homo-onderdrukking al dan niet hun eigen onderdrukte homoseksualiteit. In 1982 werden de deelnemers aan het programma van de Roze Week in Den Bosch geconfronteerd met geweld. In tegenstelling tot de Roze Zaterdag van 1981 in Den Bosch, waarbij een groep jongeren eieren gooide en ruzie zochten, maakten ook een groep oudere mannen deze keer deel uit van het geweld. In Kleintje Muurkrant (1982) staat een artikel, waarin een deelnemer verslag doet van de gewelddadige evenementen: ‘Een aantal van deze mannen stonden in de houding en brachten de Hitlergroet uit gepaard met de woorden ‘sieg heil’. Ook dingen als ‘lachen zal jullie wel vergaan als je in de gaskamers zit’ en ‘homo’s dood’. ‘Alles opruimen’.’ 

Knipsel uit Kleintje Muurkrant Den Bosch 29-7-1982 'Geweld tegen roze'

 In 1982 vond de jaarlijkse homodemonstratie, oftewel Roze Zaterdag, plaats in Amersfoort. De demonstratie wordt nog steeds herinnerd door het ingrijpende geweld dat tegen de manifestanten werd gebruikt. De geweldsuitspatting leidde wel tot de eerste contacten vanuit de landelijke overheid met het COC en het idee om deze organisatie voortaan te betrekken bij beleidsvorming.[39] De demonstranten van de Roze Zaterdag in Amersfoort werden onder andere bekogeld met eieren en rotjes.           

1982

‘Toos moet blijven’. De lesbische juf Toos van den Hurck werd op grond van haar lesbische seksualiteit ontslagen. Zij liet het ontslag niet aan haar voorbij gaan en ze spande een kortgeding aan, dat vervolgens op 6 juli plaatsvond in Den Bosch. Ook kwam een aanzienlijke groep demonstranten op de been in Helmond om te demonstreren tegen het ontslag van de juf.

1982-1983

In Den Bosch werd er vanaf 8 september 1982 initiatief genomen voor het oprichten van een Lesbisch Archief. Een groep van zeven vrouwen nam het initiatief. Deze vrouwen wilden hun plek in de geschiedenis belichten en tegelijkertijd materiaal van lesbische vrouwen over lesbische vrouwen verzamelen om hun eigen geschiedenis te behouden. Het Lesbisch Archief Leeuwarden functioneerde als voorbeeld voor die van Den Bosch. Verschillende bronnen wijzen erop dat het Lesbisch Archief van Den Bosch maar kort heeft bestaan. In een notitieboek van de Bossche Vrouwenradio valt op te maken dat er op 2 mei 1983 een mededeling zou worden gedaan dat het Lesbisch Archief tijdelijk gestopt was. Hoogstwaarschijnlijk is het archief toen voor altijd gestopt. Lees voor meer informatie over het korte bestaan van het Lesbisch Archief twee verhalen op onze site. Daarnaast kunnen enkele archiefstukken van het Lesbisch Archief opgevraagd worden en er was zelfs een hele aflevering van de Bossche Vrouwenradio gewijd aan het Lesbisch Archief.

Tot slot was het Lesbisch Archief in Den Bosch niet het enige lesbische archief in Brabant. In Eindhoven bevond zich ook Lesbisch Archief St. Orlando. Het archief van St. Orlando is tegenwoordig ondergebracht bij het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven.

1983 

In 1983 vond de tweede editie van het Lesbies Lentefeest plaats in Tilburg.

1983

In aanloop naar de Roze Zaterdag van 1983 was er wederom een Roze Week in Den Bosch. Het thema van de week was ‘heteronormaliteit’, waarbij er ludieke acties werden georganiseerd. Ook de Roze Karavaan was van de partij. Ze bezocht Den Bosch met een muzikaal cabaretprogramma, waarbij ze de heteronorm belachelijk maakten. Verder werd er een koffie-uurtje voor homo’s en lesbo’s georganiseerd en er waren tickets verkrijgbaar bij boekhandel Den Duvel voor wie er met de bus naar de Roze Zaterdag in Leiden wilde reizen.

1983

Vanaf eind september 1983 startte een groep ‘Bossche flikkers’ met uitzendingen van een eigen flikkerprogramma op Radio Vrij Den Bosch. Het begon destijds met een uur per maand op donderdagavond, maar al vrij snel werden de afleveringen vaker uitgezonden. Zo ging de ‘flikkerradio’ vanaf januari 1984 eenmaal per week uitzenden in plaats van eenmaal per maand. Op de website van het BHIC vertellen twee voormalige leden van de ‘flikkerradio’ over het bestaan hiervan in combinatie met hun verdere actieverleden en coming-out.

1983

Aan het einde van de jaren ’70 brak er een periode aan, waarin het VU-ziekenhuis in Amsterdam hét behandelcentrum werd voor transgenderpersonen in Nederland.[40] Het ziekenhuis faciliteerde veilige zorg voor transgenderpersonen, maar ook op andere locaties konden transgenderpersonen terecht. Bijvoorbeeld in Rotterdam en Groningen.[41]      

In een notitieboek van de vrouwenradio '84-'86 is een kort stuk geschreven over hoe een transgenderpersoon hulp kreeg van een genderteam in een van de Nederlandse ziekenhuizen. In historische bronnen is het vrij lastig om transgenderpersonen te vinden, maar uit deze zeldzame aantekening valt op te maken dat de transman tussen de zomer van 1983 en het jaar 1984 in transitie ging. Ook schept het notitieboek een beeld van hoe er in de jaren ‘80 op een transitie gereageerd kon worden. Zo had de transman stappen ondernomen door middel van hormoontherapie, waardoor zijn stem verzwaarde en hij baardgroei kreeg. Ook blijkt dat hij later in 1984 nog mastectomie (borstverwijdering) zou ondergaan. De eerste reactie van de vrouw van de vrouwenradio lijkt op verbazing. Ze vroeg zich af ‘hoe je nu een man zou willen zijn?’. Ondanks haar verbazing voerde de vrouw van de notitie intensieve gesprekken met de transman, waardoor haar verbazing plaatsmaakte voor het idee dat ‘er gelukkig tegenwoordig de mogelijkheid bestaat als je in het verkeerde lichaam zit dat je dat kunt veranderen’. De betrokken vrouw trachtte in overleg met de transman om een programma te wijden aan (hoe het destijds werd genoemd) transseksualiteit. Hoogstwaarschijnlijk is het niet tot een aflevering gekomen, maar deze bron biedt wel inzicht in het leven van een transman en zijn omgeving in de jaren ’80 in Brabant.

1983–1989

Van 1983 tot 1989 was er een ‘Lesbiese Werkgroep’ actief in Den Bosch. De werkgroep opereerde vanuit het vrouwenhuis in Den Bosch en de werkgroep wordt hier en daar ook aangeduid met COC-vrouwen. Hoewel de groep zich afgesplitst had van de COC-mannen, was de naam COC-vrouwen gunstig voor hen. Zo kon de groep contacten onderhouden met andere lesbische vrouwengroepen in Nederland. De Lesbiese Werkgroep organiseerde allerlei activiteiten van pottenavonden tot aan een ‘queenverkiezing’. Op hun hoogtepunt werd er geschat dat de Lesbiese Werkgroep met haar activiteiten zo’n 300 tot 400 vrouwen per jaar bereikte. 

Lees meer over deze groep in het verhaal "Pottenavonden en een queenverkiezing: de spraakmakende activiteiten van de Lesbiese Werkgroep Den Bosch".

1984

Het weekend van 20, 21 en 22 januari 1984 stond in het teken van een N.V.I.H. – COC introductieweekend in Vormingscentrum de Spreeuwel in Middelbeers. Het weekend werd georganiseerd door een aantal Oost-Brabantse en Noord-Limburgse afdelingen van het COC, waaronder die uit Tilburg, Venray, ’s-Hertogenbosch en Waalwijk, en een aantal losse homo-groepen. Speciale weekenden voor homoseksuelen werden destijds wel vaker georganiseerd in vormingscentra en volkshogescholen. Zo vond er in de volkshogeschool in Oisterwijk nog meermaals een ‘Lesbisch Pasen’

1985

In 1985 werd Artikel 28 ingevoerd, waardoor het mogelijk werd om het geslacht op de geboorteakte te veranderen via een aantekening. Deze regelgeving maakt het voor transpersonen mogelijk dat hun geslacht in documenten, zoals een paspoort of rijbewijs, overeenkomt met wie zij zijn. Deze regeling was niet alleen een erkenning van het bestaan van transpersonen, maar ook kon het transpersonen bij gelegenheden, waarin een dergelijk document getoond moest worden, mogelijk helpen bij het voorkomen van onprettige situaties.

De gevolgen van de wetswijziging vallen ook op te maken in een van de archiefstukken van de Commissaris van de Koningin. In een stuk omtrent de afgifte van rijbewijzen wordt bijvoorbeeld vermeld dat een nieuw rijbewijs aangevraagd kon worden wegens ‘een wijziging in de persoonlijke gegevens of omstandigheden van de rijbewijshouder, die direkt of indirekt gevolgen heeft voor de op het rijbewijs gestelde gegevens’. Vervolgens staat er in de bron: ‘Wat betreft het laatste kan worden gedacht aan wijziging van de kunne van de rijbewijshouder – verwezen moge worden naar de Wet van 23 april 1985, houdende nadere regelen ten behoeve van transseksuelen omtrent het wijzigen van de vermelding van de kunne in de akte van geboorte (Stb. 1985, 242) – die ook tot wijziging van het op het rijbewijs vermelde voornamen van betrokkene aanleiding kan geven’.      

1985

In 1985 volgde bisschop Ter Schure bisschop Bluyssen op als bisschop van Den Bosch. De nieuwe bisschop was minder populair onder de queergemeenschap. Waar bisschop Bluyssen nog een ‘homofielenpastoor’ aanstelde, gaf Ter Schure op de dag van zijn benoeming aan dat hij zich kon vinden in de opvattingen van bisschop Gijssen van Roermond (de bisschop waartegen een demonstratie nota bene uitliep tot een jaarlijks wederkerende Roze Zaterdag).[42]

Floris Michiels deelt flyers uit bij de Sint-Janskathedraal op eerste paasdag 1987 tegen
het beleid van bisschop Ter Schure.
(Foto: Felix Janssens. Bron: Erfgoed 's-Hertogenbosch, nr. 0072800 (opent in een nieuw tabblad))

1988-1990

De N.I.V.H. COC Stadsgroep Oss (voorheen Werkgroep Homoseksualiteit Oss) stelde in 1988 een nota op met aanbevelingen voor een gemeentelijk Lesbies en Homobeleid. Deze nota was klaar op 21 oktober 1988 en het idee was om de nota op 1 november 1988 aan te bieden aan de Gemeente Oss. De nota kwam voort uit een wederzijdse behoefte van de werkgroep en de gemeente. Voor de nota waren er interviews afgenomen met queerpersonen om een beeld te krijgen van de problematiek waartegen zij aanliepen. De nota bevatte allerlei aanbevelingen over hoe de Gemeente Oss beleid moest voeren om de positie van queerpersonen te verbeteren. Zo spoorde de nota de gemeente aan om discriminatie te bestrijden, zowel op psychisch niveau als op het gebied van lichamelijk geweld. Ook moest er een oplossing komen voor discriminerende verschillen in regelgeving. Hoewel de positie van homoseksuelen wel was verbeterd in de jaren ’80, bleef discriminatie namelijk voorkomen.

1990-1999

1990

In Oss behandelde het College van Burgermeesters en Wethouders de nota voor een gemeentelijk Lesbies en Homobeleid, waarbij het College van B&W besloot om niet alle aanbevelingen uit de nota uit te voeren. Hoewel de werkgroep uit Oss liever alle aanbevelingen uitgevoerd had zien hebben, zette de gemeente wel enkele stappen om de positie van lesbiennes en homoseksuelen in Oss te bevorderen. Wie meer wil weten over het gemeentelijke homobeleid en de Werkgroep Homoseksualiteit Oss met haar activiteiten kan zowel de persoonlijke verhalen van een homoseksuele man uit Oss en uit Herpen lezen als het verhaal over de onafhankelijkheid van het COC Oss raadplegen.

1989-1991

De openstelling van het burgerlijk huwelijk in Nederland voor paren van gelijk geslacht vond op 1 april 2001 plaats, maar aan deze mijlpaal ging een decennium van strijd vooraf. Het begon in 1989 toen het homostel Frans Stello en Gerard Kuipers in de Amsterdamse rechtbank in beroep gingen tegen de afwijzing van hun huwelijksaangifte. Het stel won de rechtszaak niet, maar zij gaven niet op. De strijd van het duo Stello en Kuipers voor een homohuwelijk kreeg steun vanuit een Brabantse hoek. 

1992

Nadat de gemeente van Oss een gemeentelijk lesbisch- en homobeleid toepaste, kwam ook de gemeente ’s-Hertogenbosch met een initiatief om de emancipatie van lesbiennes en homoseksuelen te verbeteren in februari 1992. Het beleid kreeg de naam ‘Beleid van de Goede Kant’ en kan ingezien worden bij Atria.

Zowel het beleid van Oss als dat van Den Bosch pasten binnen bredere ontwikkelingen in de jaren tachtig en negentig. Gemeentes probeerden destijds om homoseksuelen meer te beschermen en hun emancipatie te ondersteunen. In 1994 kreeg dit soort gemeentelijk beleid extra ondersteuning door een nieuwe wet die in werking trad.

1994

In 1994 trad de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) in werking. Via deze wet werd er vastgelegd dat er in Nederland niet gediscrimineerd mag worden op basis van onder andere seksuele geaardheid.            

1995

Hoewel de emancipatie van de homoseksuele gemeenschap zich verder ontwikkelde, was de intolerantie en de daarmee samenhangende potenrammerij niet geheel verdwenen. Ook was het in de jaren ’90 nog steeds niet even gemakkelijk om gelijkgestemden te ontmoeten. Er bestonden wel verschillende gay bars, maar niet iedereen durfde daar naar binnen te stappen en ook niet iedereen voelde zich hier thuis. Mede hierdoor bleven er ook homo-ontmoetingsplaatsen bestaan.

Deze homo-ontmoetingsplaatsen konden onveilig zijn voor homoseksuele personen die daar kwamen. Tegelijkertijd veroorzaakten homoseksuele mannen soms ook overlast op dergelijke ontmoetingsplaatsen. Daarom discussieerde het gemeentebestuur van Vught in 1995 over welke maatregelen genomen moesten worden om de overlast van een homo-ontmoetingsplaats aan de Kanaalweg te verminderen en tegelijkertijd wel de veiligheid van de bezoekers van de baan (ander woord voor homo-ontmoetingsplaats) te garanderen. Doordat het gemeentelijk overleg over de baan in Vught  de nodige aandacht in de pers kreeg, was het volgens het COC in 1996 mogelijk dat het aantal potenrammers hier kon toenemen.

1998

In 1998 werd het geregistreerd partnerschap ingesteld voor zowel homoseksuele als heteroseksuele stellen. Echter, ging het geregistreerd partnerschap voor een aantal queerpersonen niet ver genoeg, omdat het geregistreerd partnerschap bijvoorbeeld tekortschoot op het gebied van kinderwensen.[43]

2000-Nu

2001

Het eerste homohuwelijk in Den Bosch.
Paul Kriele en Henk Engel op hun trouwdag 17 april 2001.
(Foto Jan Lamte, privécollectie Paul Kriele en Henk Engel.)

Op 1 april 2001 vond er een primeur plaats in Nederland. Op deze datum werd het burgerlijk huwelijk opengesteld voor koppels van hetzelfde geslacht. Nederland was hiermee het eerste land ter wereld dat een zogenaamd ‘homohuwelijk’ wettelijk mogelijk maakte. De aanloop naar de primeur had opmerkelijk genoeg een Brabants tintje.

2014

Op 1 juli 2014 trad een vernieuwde ‘transgenderwet’ in werking. Hierdoor zijn transgender- en intersekse personen niet langer verplicht om een operatie en sterilisatie te ondergaan wanneer zij hun geslachtsregistratie willen laten aanpassen. Bij de aanpassing van de geslachtsregistratie bleef de deskundigenverklaring wel verplicht. Mogelijke initiatieven om deze deskundigenverklaring af te schaffen werden tussen 2022 en 2025 keer op keer uitgesteld in de Tweede Kamer.

Laura in 't Hout en Roxanne Lokin

Noten

[1] John Boswell, Christianity, Social Tolerance, and Homosexuality. Gay People in Western Europe from the Beginning of the Christian Era to the Fourteenth Century (Chicago 1980) 293.
[2] Dirk Jaap Noordam, Riskante Relaties. Vijf Eeuwen Homoseksualiteit in Nederland, 1233-1733 (Hilversum 1995) 18 en 39-40.
[3] Noordam, Riskante Relaties, 20-21.
[4] Noordam, Riskante Relaties, 47 en 50.
[5] Noordam, Riskante Relaties, 49.
[6] Luc Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag. Homoseksualiteit in Brabant’, InBrabant, Tijdschrift voor Brabants Erfgoed 9:1 (2018) 8-17, aldaar 9.
[7] Luc Brants, Van Willem II naar Roze Maandag. De Zichtbaarheid van Homoseksualiteit, Sekse- en Genderdiversiteit in Tilburg (Breda 2020) 25.
[8] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 9.
[9] David J. Bos, ‘Hellish Evil, Heavenly Love. A Long-Term History of Same-Sex Sexuality and Religion in the Netherlands’ in: Marco Derks en Mariecke van den Berg eds., Public Discourses About Homosexuality and Religion in Europe and Beyond (Cham 2020) 21-58, aldaar 23.
[10] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 9.
[11] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 9.
[12] Brants, Van Willem II naar Roze Maandag, 25.
[13] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 9.
[14] Maria van Antwerpen – De Heldinne van Breda, https://erfgoedbrabantverhalen.nl/verhalen/biografie/maria-van-antwerpen/ (geraadpleegd 28 mei 2026).
[15] Gert Hekma, ‘De Benen Wijd, De Stem naar Beneden. Houdingen Tegenover ‘Nichterigheid’ bij Homoseksuele Mannen’, Sociologie 3:1 81-94, aldaar 82-83.
[16] Hekma, ‘De Benen Wijd’, 82-83.
[17] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 9-10.
[18] Bos, ‘Hellish Evil, Heavenly Love’, 28.
[19] Hekma, ‘De Benen Wijd’, 84.
[20] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 10.
[21] Bos, ‘Hellish Evil, Heavenly Love’, 27.
[22] Brants ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 10-11.
[23] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 10.
[24] Alex Bakker, Transgender in Nederland. Een Buitengewone Geschiedenis (Amsterdam 2018) 9-10.
[25] Pieter Koenders, ‘Vervolgingsijver in een ‘stamverwant’ buurland. Bestrijding van homoseksualiteit in bezet Nederland’ in: Klaus Müller red., Doodgeslagen, doodgezwegen. Vervolging van homoseksuelen door het nazi-regime 1933-1945 (Amsterdam 2005) 165-196, aldaar 174.
[26] Koenders, ‘Vervolgingsijver in een ‘stamverwant’ buurland’, 176.
[27] Rob Tielman, Homoseksualiteit in Nederland. Studie van een Emancipatiebeweging (Meppel 1982).
[28] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 11-12.
[29] Bakker, Transgender in Nederland, 11.
[30] Bakker, Transgender in Nederland, 271.
[31] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 12-13.
[32] Judith Schuyf, Een Stilzwijgende Samenleving. Lesbische Vrouwen in Nederland, 1920-1970 (Amsterdam 1994) 13-14.
[33] Judith Schuyf, ‘Lesbian Emancipation in the Netherlands’, Journal of Homosexuality 13:2-3 (1987) 19-27, aldaar 24-25.
[34] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 13.
[35] Schuyf, ‘Lesbian Emancipation’, 24-25; Maaike Meijer, ‘Paarse September. Een Lesbische Guerrilla, 1971-1974’ in: Marian van der Klein en Saskia Wieringa reds., Alles Kon Anders. Protestrepertoires in Nederland, 1965-2005 (Amsterdam 2006) 127-144, aldaar 133.
[36] Irene Costera Meijer, Het Persoonlijke wordt Politiek. Feministische Bewustwording in Nederland 1965-1980 (Amsterdam 1996) 195-196.
[37] Clé Burgers en Jan Franssen, ‘Tussen Verlangen en Belangen. De Homo- en Lesbische Beweging’ in: Jan Willem Duyvendak, Ruud Koopmans en Luuk Wijmans reds., Tussen Verbeelding en Macht. 25 Jaar Nieuwe Sociale Bewegingen in Nederland (Amsterdam 1992) 181-197, aldaar 181; Elise van Alphen, Alles werd Politiek. De Verhouding Tussen het Politieke en het Persoonlijke in de Humanistische en de Homolesbische Beweging in Nederland, 1945-1980 (Breda 2016) 21.
[38] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 14.
[39] Brants, ‘Van Doodzwijgen naar Roze Maandag’, 14.
[40] Bakker, Transgender in Nederland, 146.
[41] Bakker, Transgender in Nederland, 149 en 152.
[42] Brants, Van Willem II naar Roze Maandag, 136.
[43] Brants, Van Willem II naar Roze Maandag, 157.

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Queer Brabant Tijdlijn | BHIC