Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Brabant en de landlopers (3)

Brabant en de landlopers (3)

Ianthe van Beuningen

19 september 2024

Bijgewerkt op 23 oktober 2024

In het begin van de negentiende eeuw vernam de gouverneur van Brabant dat het aantal ‘landloopers’ met name op het Brabantse platteland was toegenomen. Dit was niet enkel in Brabant het geval maar in het hele – nog jonge - koninkrijk. Wat was de reactie vanuit het provinciaal bestuur? Dit stuk behandelt (in drie delen) zeven besluiten gepubliceerd in de Provinciale Bladen.

Lees ook de eerdere delen

Tussen nationaal en provinciaal beleid

Vele van de eerder genoemde besluiten zijn door de gouverneur naar de daarvoor bestemde gemeentes, burgemeesters of lokale autoriteiten doorgezet naar aanleiding van eerdere verzoeken en besluiten van de koning. Dit was grotendeels het gevolg van een grootschalige bestuurlijke reorganisatie bij de inrichting van het nieuwe jonge koninkrijk. Dit maakte gedeeltelijk een einde aan de autonomie waar de gewesten ten tijde van de Republiek nog vaak mee hadden geschermd. In de jaren na het vertrek van de Fransen, werd de basis gelegd voor de eerdergenoemde bestuurlijke driedeling die in alle provincies van het koninkrijk zou gelden, bestaande uit de Provinciale Staten, de Gedeputeerde Staten en de voorzitter, de gouverneur. De Gedeputeerde Staten en de gouverneur vergaderden twee keer per week en vormden samen het dagelijkse bestuur van de provincie. De gouverneur moest er onder andere op toezien dat de plaatselijke besturen op de hoogte werden gesteld van landelijke besluiten – van de koning - en algemene wetten navolgden.

Benoît Holvoet, 1820-1822 gouverneur van Noord-Brabant (bron: Wikimedia Commons. Publiek domein)
Benoît Holvoet, 1820-1822 gouverneur van Noord-Brabant (bron:
Wikimedia Commons (opent in een nieuw tabblad). Publiek domein)

Zo was het eerste besluit van de gouverneur – waarin hij met name de plattelandsgemeentes aanspoorde tot waakzaamheid- gestoeld op een eerder bericht van de koning en de procureur-generaal bij het Hoog Gerechtshof in Den Haag, dat eerder dat jaar was uitgevaardigd. Als men in deze extra waakzaamheid in gebreke zou blijken - dan zouden die personen zelfs ‘als verwaarloozers van de geheiligde zaak des vaderlands’ worden gezien (zie BHIC: 17-8191-91 (opent in een nieuw tabblad)). Ook bij de samenwerking met de Maatschappij van Weldadigheid werd voortdurend benadrukt dat deze samenwerking iets was wat de koning ook steunde (hij was groot fan van het plan van Johannes van den Bosch). Ook bij de maatregelen ter wering van bedelarij die herhaaldelijk in de jaren twintig van de negentiende eeuw werden verstuurd, werd vaak verwezen naar de koninklijke publicatie. Ook de daaropvolgende kwestie wat betreft de overbrenging van zowel berechte bedelaars en landlopers naar de Koloniën van Weldadigheid volgden vanuit koninklijke besluiten en richtlijnen.

Naar de lokale praktijk

Dan resteert de vraag in hoeverre dit landelijke beleid via het provinciale beleid, doorwerkte in het gemeentebeleid. Zo zien we in de Provinciale Bladen dat in meerdere gevallen bepaalde besluiten jaar na jaar werden herhaald. Dit suggereert mogelijk dat niet alle plekken daadwerkelijk – of nog niet naar voldoening van de gouverneur  – de door het provinciaal bestuur opgestelde maatregelen doorvoerden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de herinneringen wat betreft het verbod op bedelbrieven – die ondanks het landelijk verbod – nog werden uitgedeeld. De lokale praktijk kon verschillen per stad, gemeente en regio. Er is hier dan ook nog veel ruimte voor verder onderzoek.

R. Bresdin, oude bedelares met kind, c. 1832-1885 (bron: Rijksmuseum Amsterdam no. RP-T-1951-299. Publiek domein)
R. Bresdin, oude bedelares met kind, c. 1832-1885
(bron: Rijksmuseum Amsterdam no. RP-T-1951-299 (opent in een nieuw tabblad).
Publiek domein)

In hoeverre werkten zulke provinciale (gestoeld op landelijke) besluiten door in de lokale praktijk? En zijn hier regionale verschillen in te ontdekken? De archieven van gemeentes kunnen hier meer inzicht in bieden. In sommige gevallen omvatten deze bijvoorbeeld stukken wat betreft het ‘weren van dan wel bedelarij dan wel landloperij’. Ook bevatten een aantal archieven nog de intekenlijsten voor de koloniën van Weldadigheid.

Daarnaast kunnen de online doorzoekbare archieven van de Maatschappij van Weldadigheid een waardevol uitgangspunt zijn. Uit de inschrijfregisters (opent in een nieuw tabblad) – die tevens op plaats doorzoekbaar zijn gemaakt – blijkt bijvoorbeeld voor de periode dat vanaf de oprichting van de koloniën tot aan 1838 al tegen de 500 mensen afkomstig waren uit ’s-Hertogenbosch. Hoe verhielden deze aantallen uit ’s-Hertogenbosch zich tot de aantallen uit andere Brabantse plaatsen? Hoeveel van hen vertrokken vrijwillig naar deze koloniën? En hoeveel werden verplicht ‘opgezonden’ als gevolg van ongelukkige omstandigheden, dan wel als vondeling, wees, landloper of bedelaar?

Verder lezen

  • Lees meer over landloperij en de maatregelen die ertegen werden gesteld in de vroegmoderne periode in o.a. Boers, E-J. (2017). Rabauwen, vagebonden en lediggangers: Criminele voorouders berecht en bestraft, Maklu, Apeldoorn-Antwerpen.
  • Zie voor een overzicht van de Provinciale Bladen tussen 1814-1838 in het BHIC: 17-8190 t/m 17-8221. Voor meer informatie over de organisatie van het provinciaal bestuur wordt doorverwezen naar de inleiding van dit archief.
  • Over Johannes van den Bosch en de Maatschappij van weldadigheid zie o.a. Suzanne Jansen (2008) Pauperparadijs, familiegeschiedenis, Uitgeverij Balans, Amsterdam; Toon Horsten (2017) Landlopers, Uitgeverij Davidsfonds, Antwerpen; Angelie Sens  De kolonieman. Johannes van den Bosch 1780-1844 – volksverheffer in naam van de koning, Uitgeverij Balans, Amsterdam. Zie ook de boeken van Wil Schackmann, o.a. bedelaarskolonie, proefkolonie, kinderkolonie en strafkolonie.
  • Over landelijk beleid en lokale praktijk in het einde van de negentiende eeuw in België. Lees ook over latere periodes: Vanruysseveldt, V & Vercammen, R 2015, 'Van centraal beleid naar lokale praktijk. Het 'probleem' van landloperij en bedelarij in België (1890-1910)', Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, vol. 45, no. 1, pp. 120-161. Online (opent in een nieuw tabblad) (geraadpleegd 2024).
  • De schrijver en politicus Jacob van Lennep trok in de zomer van 1823 samen met een vriend erop uit voor een rondreis door het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Daarbij deed hij ook Ommerschans aan. Hij schrijft in zijn dagboek over de omstandigheden. Er is recentelijk een hertaalde versie uitgegeven. Een niet-hertaalde versie is online beschikbaar gesteld via www.dezomervan1823.nl (opent in een nieuw tabblad)
  • Latere periode: Over signalementskaarten van Brabanders in de Rijkswerkinrichting rond 1900: L.F.W. Adriaenssen en J.G.M.N. van der Zanden, ‘Lieden zonder eergevoel". Brabantse landlopers rond de vorige eeuwwisseling’, in: De Brabantse Leeuw. Online (opent in een nieuw tabblad) (geraadpleegd 2024).

Lees het hele verhaal

Meer weten over Ianthes onderzoek naar Landloperij in Brabant in de 19e eeuw? Klik hier

Artikelen op website BHIC:

Op zoek naar haar moeder

Een familie voor de rechtbank

Twee jaar cel voor een tafellaken, servet en kandelaar

Meer over de Maatschappij van Weldadigheid (opent in een nieuw tabblad)

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.