Toen de burgemeester van Oss op 15 april 1815 ter ore was gekomen dat er enkele onbekende mensen in het huis van Nardus Eijsvogels woonden, besloot hij polshoogte te nemen. Hij ontmoette een familie: een moeder Johanna Pieters en haar drie kinderen, Lammertje, Catharina en Andries Beukman. De burgemeester liet hen arresteren, waarna zij alle vier werden aangeklaagd voor landloperij en bedelarij. We nemen hier een kijkje in het vonnis.
Johanna, Lammertje, Catharina en Andries
De familie Beukman kwam oorspronkelijk uit Utrecht. Soms vinden we hen terug in de archieven onder de naam Beekman, Beeckman of Beukeman. Johanna Pieters touwde in 1788 met Bernardus Beukman. Dit was Bernardus’ tweede huwelijk, zijn eerste echtgenote was overleden (zie: Utrechts Archief, inv. nr. 711-106-52 (opent in een nieuw tabblad)). Johanna kreeg in ieder geval drie kinderen samen met Bernardus. Allen werden geboren in Utrecht. Lammertje in 1791 (zie: Utrechts Archief, inv. nr. 711-17-369 (opent in een nieuw tabblad)). Twee jaar later volgde Catharina in 1793 (zie: Utrechts Archief, inv. nr. 711-17-542 (opent in een nieuw tabblad)). Andries werd geboren in 1797 (zie: Utrechts Archief, inv. nr. 711-18-188 (opent in een nieuw tabblad)).
Op het moment dat Johanna, Lammertje, Catharina en Andries door de burgmeester van Oss werden gearresteerd, werd Johanna als weduwe omschreven. Hoewel het niet met zekerheid te zeggen is wanneer Bernardus precies overleed, lijkt het waarschijnlijk dat dit al een paar jaar eerder was gebeurd. In een Utrechtse notarisakte uit 1804 komt een Johanna Pieterse namelijk ook terug waarin wordt aangegeven dat zij al weduwe was van Bernardus Beukman. Waarschijnlijk betreft het hier bovengenoemde Johanna (zie Utrechts Archief, inv. nr. 34-4.2703.358 (opent in een nieuw tabblad)).
In het huis van Nardus
De burgemeester van Oss, Johan van Ghert, was nog maar net in deze functie aangetreden, toen hij hoorde dat er van tijd tot tijd enige ‘enige vreemdelingen zich bevonden en ophouden’ bij een van de inwoners, genaamd Nardus Eijsvogels. De burgemeester besloot daarom op 15 april 1815 een kijkje te nemen en ontmoette bij het huis van Nardus een zeventienjarige jongeman, genaamd Andries Beukman en een oudere vrouw Johanna Pieters. Johanna zou tijdens de ontmoeting met de burgemeester hebben aangegeven dat ze geen vaste woonplaats had. Zij vertelde ook dat ze nog twee dochters had, Catharina en Lammertje Beukman, die op dat moment aan het werk waren. Ze waren aan het breien een paar huizen verderop. De burgemeester bezocht de omliggende huizen en kwam zodoende Catharina en Lammertje tegen. Omdat de burgemeester eerder van de veldwachter van Oss had gehoord dat de familie verscheidene weken geleden zou hebben gebedeld bij het huis van een zekere Johannes Vos, besloot hij hen alle vier te arresteren (zie: BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr. 21-841-61 (opent in een nieuw tabblad)). Hij stuurde de familie Beukman naar ‘s-Hertogenbosch waar zij op 17 april 1815 aankwamen (zie: BHIC, 52 Gevangenissen ’s-Hertogenbosch, inv.nr.: 257-0092-0093 (opent in een nieuw tabblad)).

In de rechtbank
Op 3 mei 1815 werden Johanna, Lammertje, Catharina en Andries voor de Rechtbank van Eerste Aanleg in ’s-Hertogenbosch aangeklaagd voor bedelarij en landloperij. Zij waren niet van te voren verhoord en er werden ook geen verdere stukken aangehaald tijdens het proces. Wel waren er enkele getuigen aanwezig: de veldwachter van de gemeente Oss, de burgemeester Johan van Ghert en tot slot Geertruida van Heesch, de huisvrouw van de eerdergenoemde Johannes Vos (de eigenaars van het huis waar de familie volgens het bericht van de veldwachter enkele weken terug zou hebben gebedeld).
Het is helaas niet bekend wat de getuigen in de rechtbank hebben gezegd. Het lijkt er op dat hun verklaringen ten gunste spraken van Johanna, Andries, Catharina en Lammertje. Dit blijkt uit het uiteindelijke vonnis. Hoewel de officier adviseerde alle vier een gevangenisstraf van zes maanden te geven, besloten de rechters anders. Het was uit de zaak – inclusief de getuigenverklaringen en de verklaringen van de familie - niet gebleken dat de vier aangeklaagden of één van hen hadden gebedeld of een ‘vagebonderend leven’ hadden geleid. Ze werden vrijgesproken (BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr. 798-259).
De casus van de familie Beukman laat zien dat niet iedereen die van landloperij of bedelarij beschuldigd was, werd veroordeeld of vervolgd. In iets meer dan één derde van de gevallen werd de beklaagde vrijgesproken voor landloperij door de rechters van de Rechtbank van Eerste Aanleg in ’s-Hertogenbosch. Vaak ontbreekt een toelichting in het geval van vrijspraak: er werd slechts kort vermeld dat het niet uit de zaak was gebleken dat de persoon in kwestie schuldig was. Ook in het geval van de familie Beukman ontbreekt een toelichting.
Op basis van het proces-verbaal van de burgemeester van Oss kunnen we wel enkele suggesties geven. We zien bijvoorbeeld dat alle leden in de familie in hun levensonderhoud voorzagen als naaisters, breisters of kledingmakers. Hoewel ze tijdelijk geen vaste woonplaats hadden, woonden ze al enige tijd bij Nardus Eijsvogels in. Nardus was misschien een vriend of kennis, of deed mogelijk dienst als hospes. Van landloperij noch bedelarij was sprake. Nog diezelfde dag zijn zowel Johanna, Andries, Catharina en Lammertje vrijgelaten (zie: BHIC, 52 Gevangenissen ’s-Hertogenbosch, inv.nr. 257-0092-0093 (opent in een nieuw tabblad)).

En daarna?
Hoewel het niet zeker is hoe het verder met Johanna verging, weten we wel hoe het in grote lijnen verliep voor haar drie kinderen. Zowel Catharina als Lammertje trokken op een gegeven moment terug naar Utrecht. Catharina Beukman trouwde daar in 1825 op 32-jarige leeftijd met Johannes Rijkland. Ze overleed in 1866 op 74-jarige leeftijd, enkele jaren na het overlijden van haar echtgenoot (zie: Utrechts Archief, inv.nr. 481-1088-16-22 (opent in een nieuw tabblad)). Lammertje trouwde met Johannes van Londen en kreeg in ieder geval één dochter, Johanna. Lammertje werd 80 jaar en overleed in 1871 (zie: Utrechts Archief, inv.nr. 481-450-01-2495 (opent in een nieuw tabblad)). Andries lijkt eerder te zijn gestorven. Zo komen we in het Utrechtse register van de burgerlijke stand het overlijdensbericht tegen van een gelijknamige jongeman, een soldaat van de tweede divisie van de landmacht, gestationeerd in Vlissingen. Hij was aldaar op jonge leeftijd overleden in 1830 (zie: Utrechts Archief, inv.nr. 481-1179-02-45 (opent in een nieuw tabblad)).

Meer weten over Ianthes onderzoek naar Landloperij in Brabant in de 19e eeuw? Klik hier
Artikelen op website BHIC:
