Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Twee jaar cel voor een tafellaken, servet en kandelaar

Twee jaar cel voor een tafellaken, servet en kandelaar

Ianthe van Beuningen

19 september 2024

Bijgewerkt op 29 oktober 2024

Petronella Heijerveld was begin dertig toen zij in juli 1815 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg verscheen. Zij werd beschuldigd van landloperij en bedelarij en zou uiteindelijk de maximale straf opgelegd krijgen: 2 jaar. Het vonnis vertelt niet waarom. We zien in de meeste gevallen dat in deze periode voor landloperij een gevangenisstraf van overwegend maximaal 6 maanden werd toegewezen. Waarom was dit bij Petronella anders? We nemen hier een kijkje in het vonnis.

Voorafgaand aan de rechtszaak sprak de officier Ludovicus van Heurn (1771-1845) met Petronella Heijerveld (let op: zo nu en dan geschreven als Hijerveld, Hijerveldt en Heijervel(d)t). Zij vertelde hem over haar leven. De officier maakte hier notities van. Hierdoor weten we relatief veel over haar vroegere werk en woonplaatsen. Het is daarentegen wel verstandig hier waakzaam te blijven. Zaken die de officier niet noodzakelijk achtte, zou hij achterwege hebben kunnen laten. Dit betreft dan ook slechts een versnipperd – en zeker niet volledig – verhaal.

Een bereisde vrouw

Petronella was geboren in Kranenburg, een plaatsje in de buurt van Nijmegen, net over de grens in de regio Noordrijn-Westfalen. Ze was de dochter van Aleida van Elsenbroek en de herbergier Hendrikus/Henricus Heijerveldt. Haar moeder was overleden. Haar vader woonde nog in Kranenburg.

Toen ze begin/midden twintig was verliet Petronella met toestemming van haar vader haar ouderlijk huis. In de daaropvolgende jaren heeft ze op veel verschillende plekken gewoond. Ze vestigde zich een tijdje in Nijmegen, Kleef en Breda, waar ze als dienstmeid werkte. Ze zou bovendien hebben verteld dat zij enige tijd als wasvrouw ‘bij de militairen’ in dienst was. Petronella vertelde aan de officier dat zij op 25 mei 1815 deze militairen in Gent had verlaten en via Brussel en Mechelen, richting Brabant was getrokken (N.B. Petronella had ook een briefje bij zich, geschreven in het Frans met het wapen van Gent, waarin haar op 25 mei 1815 toestemming wordt verleend om door de Brusselse poort haar reis te vervolgen). In de Meijerij van ’s-Hertogenbosch sliep zij voor een periode in de schuren van verschillende boeren. Ze kwam rond met aalmoezen (zie: BHIC, 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, inv. nr. 21-842-115).

In Oisterwijk

Op 16 juni 1815 stond de veldwachter om half 12 ’s ochtends op de stoep bij de burgemeester van gemeente Oisterwijk - de negentwintigjarige Folkert Rijpperda. De veldwachter had een vrouw gearresteerd. Zij had geen paspoort bij zich, maar ze was wel in het bezit van een tafellaken en een servet. Burgemeester Rijpperda vermoedde dat zij deze spullen had gestolen. Toen hij deze vrouw ondervroeg, gaf zij aan dat zij Petronella Heijerveld heette. Zij vertelde dat zij via Gent en daarna Breda naar Oisterwijk was gekomen. Ze woonde voor het laatst in de Brugstraat te Breda, wat inmiddels een jaar geleden was. Op de vraag hoe zij in de tussentijd aan de kost was gekomen, antwoordde Petronella dat zij gewoond had bij haar zuster Jeanette die bij ‘het volk’ was. Wie ‘het volk’ precies was, wordt niet helemaal duidelijk, noch uit het verbaal van de burgemeester noch van de officier. Petronella gaf hier geen verdere toelichting bij. Misschien wordt hier verwezen naar een rondreizende groep (wellicht de eerdergenoemde militairen, waar Petronella wasvrouw was geweest) (zie: BHIC, 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, inv. nr. 21-842-115 (opent in een nieuw tabblad)).

Een verhoor

De burgemeester twijfelde met name over het tafellaken en servet dat Petronella bij zich droeg. Hij vroeg haar hoe zij aan deze spullen was gekomen, waarop zij antwoordde dat zij deze van haar zus had gekregen. Maar de burgemeester leek nog niet overtuigd. Hij gaf aan dat de letters noch het merk op het servet van haar of haar zus waren. Petronella antwoordde dat zij niet wist van wie haar zus dit servet oorspronkelijk had kregen. De burgemeester vroeg of ze nog meerdere goederen bij zich had gehad en of zij deze in de gemeente had verkocht. Petronella vertelde vervolgens dat zij voor een koperen kandelaar bij een koperslager negen stuivers had gekregen. Ook deze kandelaar had ze van haar zus gekregen. De burgemeester ging verhaal halen in de omgeving: hij bezocht de personen bij wie Petronella de kandelaar, het tafellaken en het servet te koop had aangeboden. Na zijn onderzoek merkte de burgemeester op dat haar antwoorden niet helemaal overeenkwamen. Het was volgens de burgemeester nog steeds niet helemaal duidelijk hoe Petronella in het bezit was gekomen van deze spullen.

In een latere ondervraging met de officier melde Petronella dat de goederen waren achtergelaten door enkele Brabanders, die haar een mouseline zak en twee schillingen hadden afgenomen. Dit bevestigde zij later in een kort, handgeschreven berichtje, dat bij de processtukken was toegevoegd: ‘Ik heb van tijd tot tijd gebedeld. Ik heb het goed gevonden het is door eenig […] agter gelaten die mij op de weg gespolieerd hadden’. (zie: BHIC, 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, inv. nr. 21-842-115).

Dit is het verslag van de burgemeester van Oisterwijk dat hij naar de officier van de Rechtbank van Eerste Aanleg stuurde. Hij omschrijft de arrestatie, het verhoor en zijn ondervragingen. Het biedt een inkijkje in hoe een onderzoek verliep en op welke manier de burgemeester zich bezighield met zulke zaken. De burgemeester omschreef hoe hij verhaal haalde bij de twee personen bij wie Petronella het servet, tafellaken en de kandelaar wilde verkopen: een koperslager, Martinus Vinken, die de koperen kandelaar had gekocht, en Meijer Service (beroep onbekend) aan wie zij het tafellaken en servet te koop had aangeboden voor een gulden. De koop ging niet door omdat Service een te laag bedrag bood (zie: BHIC, 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, inv. nr. 21-842-115)
Dit is het verslag van de burgemeester van Oisterwijk dat hij naar de officier van de Rechtbank van Eerste Aanleg stuurde. Hij omschrijft de arrestatie, het verhoor en zijn ondervragingen. Het biedt een inkijkje in hoe een onderzoek verliep en op welke manier de burgemeester zich bezighield met zulke zaken. De burgemeester omschreef hoe hij verhaal haalde bij de twee personen bij wie Petronella het servet, tafellaken en de kandelaar wilde verkopen: een koperslager, Martinus Vinken, die de koperen kandelaar had gekocht, en Meijer Service (beroep onbekend) aan wie zij het tafellaken en servet te koop had aangeboden voor een gulden. De koop ging niet door omdat Service een te laag bedrag bood (zie: BHIC, 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, inv. nr. 21-842-115 (opent in een nieuw tabblad))

Opmerkelijk lange gevangenzetting

Burgemeester Rijpperda stuurde de officier van de Rechtbank van Eerste Aanleg in ‘s-Hertogenbosch zowel het verbaal toe van zijn onderzoek, als een pakketje met de goederen die in het bezit van Petronella waren gevonden - het tafellaken, het servet en de inbeslaggenomen verkochte kandelaar. Petronella werd naar ’s-Hertogenbosch gestuurd waar zij op 7 juli 1815 voor de Rechtbank van Eerste aanleg stond. De rechters legden een opmerkelijk streng vonnis op: ‘Aangezien het gebleken is dat de beklaagde zonder vaste woonplaats te hebben, noch eenig ambacht of beroep uit te oefenen het land heeft afgeloopen en buiten het canton harer woonplaats heeft gebedeld. Verklaart de beklaagde Petronella Heijerveld Landloopster (…) condemneert de beklaagde Petronella Hijerveld ter zake voorts tot eene gevangenzetting van twee jaren en in de kosten van den proces (…)’ (zie: BHIC, 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, inv. nr. 21-798-375).

Een gevangenisstraf van twee jaar of langer kwam niet vaak voor in de vonnissen waarbij landloperij ter sprake kwam in de Rechtbank van Eerste Aanleg in deze periode. Zou het kunnen dat in het geval van Petronella het servet, het tafellaken en de kandelaar meespeelden, ondanks dat het niet één keer werd genoemd in het vonnis zelf? Op diefstal stonden zeer hoge straffen, ook als het ging om slechts een tafellaken. Zo zien we enkele jaren later in 1821, dat een 41-jarige vrouw werd beschuldigd van landloperij, bedelarij en diefstal en uiteindelijk een gevangenisstraf opgelegd kreeg van vijf jaar – het betrof een tafellaken (zie ook: BHIC, 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, inv. nr. 21-804-617). In sommige gevallen was zelfs slechts een vermoeden voldoende. Zo zien we zien in de Code Pénal dat het mogelijk was om iemand die goederen bij zich had die meer dan 100 franken waard waren ‘zonder te kunnen bewijzen hoe hij daar aangekomen is’, met een gevangenisstraf van zes tot twee jaar gestraft kon worden. Een vermoeden was in dat geval voldoende om iemand te berechten. Ondanks dat er geen bewijzen waren, lijkt het erop dat het wel mee heeft gespeeld tijdens de rechtszitting.

Ontslag uit de gevangenis

Petronella kwam een jaar eerder vrij. Ze werd op 24 augustus 1816 ontslagen, dit was naar aanleiding van een besluit van de koning der Nederlanden (zie: BHIC, 52 Gevangenissen ’s-Hertogenbosch, inv.nr. 257-257-0111). Helaas zijn er van deze vrijlating geen stukken bewaard gebleven. We weten dan ook niet precies wat hieraan voorafgegaan is. In 1828 komen we Petronella weer tegen in de archieven. Op 23 april trouwde zij met de 57-jarige weduwnaar Hendrik Welsinck, een wever in Amsterdam (zie: Noord Hollands Archief, inv. nr. 358.6-91.Reg. 2 fol. 85 (opent in een nieuw tabblad)). Petronella was toen 47 jaar en ventster/verkoopster van beroep.

Meer weten over het onderzoek van Ianthe van Beuningen naar landloperij in het Brabant van de 19e eeuw? Klik hier

Artikelen op website BHIC:

Brabant en de landlopers

Op zoek naar haar moeder

Een familie voor de rechtbank

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.