Uit de verkoopakte van 6 mei 1957 blijkt dat de molen is gekocht op een veiling van de Administratie van de Franse Domeinen in Antwerpen op 5 januari 1813 (ook wordt wel 15 januari gehanteerd), door koopman en grutter Jacobus van Arkel Koudsijn, molenaar Petrus Mouw en koopman Laurens Gastelaar.
De eigenaren met centraal de weduwe van Petrus Mouw, later Willem Staps
Dus ook maar in kadaster gedoken. De kadastrale sectie G 22 wordt teruggevonden in het kadaster op artikel 298a op naam van Jacobus van Arkel Koudsijn. Het artikel vermeldt een windmolen op kadastrale sectie G 22, deze molen is de Noord- of Glymesmolen, en een watergraan- en oliemolen op sectie G 1371, dit aan de Zuidzijde Haven. Blijkens de memorie van successie van 24 juni 1824 opgemaakt bij overlijden van Petrus Mouw behoort tot de nalatenschap een derde van een water- en windmolen. Dit verklaart ook de vermelding van Mouw en Koudsijn in het register met uitgegeven patenten van 1818.

Op 23 juli 1928 nemen Jacobus Koudsijn en Willem Staps, de nieuwe echtgenoot van de weduwe van Petrus Mouw, het gedeelte van Laurens Gastelaar over. Vervolgens is er eigendomsartikel 850 op naam van genoemde Koudsijn en Willem Staps beide molens komen hierop voor. Dit artikel vermeldt ook de vestiging van een oliemolen op de watermolen. Voor die molen wordt in 1825 vergunning verleend. De memorie van successie van 20 november 1855 ten gevolge van het overlijden van Willem Staps op 1 september 1855 verwijst naar een onderhandse akte van deling van 16 november 1840. Volgens deze akte vindt bedeling van de Noordmolen plaats aan Willem Staps. De water- en sedert 1825 ook oliemolen - gaat naar grutter en winkelier Jacobus van Arkel Koudsijn. De memorie vermeldt ook dat het gedeelte van eerdere derde koper in 1813 Laurens Gastelaar in 1828 is ingekocht door Koudsijn en Staps. De akte van verdeling levert artikel 1042 op naam van Willem Staps in het kadaster op. De ligging van de molen op de stadswal wordt aangegeven met militaire gronden.
Willem Staps: zijn jonge jaren en als koper van een tweede molen
Zoals eerder vermeld, is Willem of Wilhelmus Staps gedoopt te Teteringen bij Breda op 31 oktober 1800. Kijkende naar zijn beroep en zijn herkomst bij inschrijving in Bergen op Zoom zal Willem ook bij een grutter in Breda hebben gewerkt. Dit kan worden opgemaakt uit het Volkstellingregister Breda 1817. Ook is hij mulder volgens het Volkstellingregister Breda 1821. De Bredasche Courant kent op 24 mei en 14 juni 1840 een advertentie over de verkoop van een nieuw in steen gebouwden koren-, schors-windmolen aan de weg van Princenhage naar Etten-Leur.
Na drie zitdagen koopt Willem Staps op 1 juli 1840 voor 9.710 gulden de molen, aldus betreffende notariële akte. In het kadaster wordt de aankoop vermeldt in artikel 1369 met de plaatselijke benaming Bagden. De landmeter van het kadaster legt de situatie vast in een veldwerktekening in 1839, 1840.


Willem Staps verhuurt op 4 februari 1841 de graan- en schorsmolen aan Jan van Beckhoven voor een aantal jaren. De verhuurakte is heel gespecificeerd. Molenliefhebber Ton Meesters wijdt een uitvoerig artikel aan de molen in uitgave van De Meule, nummer 83, 3e kwartaal 2014. Het voormeld kadasterartikel van eigenaar Willem Staps vermeldt verkoop op 26 februari 1869.

Echter dan is Willem al veertien jaar overleden. Voor verkoop in 1869 pleit ook de vermelding op het artikel 2776 in het kadaster op naam van eigenaar Caspar van Beckhoven, de eigenaar na Willem Staps. Dit artikel vermeldt als eerste en enige belastingjaar 1870. Echter in de memorie van successie opgemaakt bij het overlijden van Willem Staps op 1 september 1855 wordt geen melding gemaakt van onroerend goed in Princenhage. In 1869 leven de weduwe Staps en haar dochter nog. Helaas is geen nadere informatie gevonden. Blijkens het artikel van Ton Meesters is de molen van 1839 in 1898 door brand teloor gegaan en dat op het onderste gedeelte van de oude rompmolen de hoogste molen van Nederland is gebouwd. Van de herbouwde molen bestaat nog steeds de romp.

De namen Goo(s)sens, Loomans, Van Beckhoven komen terug bij de Heimolen op de Zuidgeest
Binnen de molenaarswereld blijven bepaalde familienamen terug komen. Zo ook de al geziene namen Goosens, Loomams en Van Beckhoven. Zelfs komen zij voor bij de Heimolen op Borgvliet, Zuidgeest. Over deze molen is reeds in eerdere edities van deze uitgave geschreven. De Van Beckhoven’s is een uitgebreide molenaarsfamilie. Zo is de weduwe Anna Maria van Beckhoven met haar kinderen sedert 1849 ook molenaar op de Heimolen. Anna is ook een Van Beckhoven. Benediktus van Beckhoven, geboren te Rucphen, ook wonende op de Heimolen, Zuidgeest vertrekt op 2 mei 1856 naar Bergen op Zoom. Hij overlijdt daar een half jaar later, op 7 november 1856, als molenaar. Zou hij dienst hebben gedaan bij de weduwe Staps? Zij woont dan met haar dochter op Zuidzijde Haven 38, Benediktus van Beckhoven en zijn zus op Zuidzijde Haven 59 en Zuidhaven Haven 84. De watermolen kent molenaar Adrianus Koudsijn als bewoner. Het komt hierom meer dan aannemelijk voor dat Benediktus dienstdoet op de Noordmolen.
Dit verhaal verscheen oorspronkelijk als: Willem Kruf, 'Molenaars op de windmolens en water-, schors- en oliemolen nabij de haven van Bergen op Zoom' in: De Meule, Uitgave van Vereniging "De Westbrabantse Molens", nr. 125, 1e kwartaal 2025, pp. 17-25.


