Landloperij in de Rechtbank van Eerste Aanleg in ’s-Hertogenbosch
De Rechtbank van Eerste Aanleg in ’s-Hertogenbosch nam in de periode tussen 1813 en 1838 bijna 200 zaken in behandeling waarin landloperij een rol speelde. Wie waren deze mensen? Hoe verliep dit proces? En welke factoren speelden er mee? Op basis van een groep vonnissen, nemen we een korte blik in de strafrechtspraktijk.
Om wie gaat het?
Voorafgaand aan een rechtszaak werden enkele basale gegevens - zoals de naam, leeftijd, geboorteplaats, (laatst bekende) woonplaats en beroep - genoteerd van de betreffende personen die terecht stonden. Deze gegevens geven ons een inkijkje in de grote diversiteit die zich in de groep aangeklaagden voordeed. Om wie ging het hier? We zien families, ouder(s) met kinderen, jonge vrouwen en mannen, samen in groepjes van twee, drie of vier of juist alleen, weduwes, en daar houdt de lijst verre van op. Het grootste aantal kwam uit Noord-Brabant of uit één van de aangrenzende provincies als Zeeland, Limburg, Antwerpen, Holland en Gelderland. Af en toe komen we ook mensen tegen die een langere reis achter de rug hadden: zij kwamen uit het zuiden - Luik en Zuid-Brabant - of uit het oostelijk gelegen Pruisen (met name uit het Rijngebied, dat vlakbij de oostgrens met Noord-Brabant lag, met Limburg ertussen). In een enkel geval komen de mensen van nog verder weg, zoals uit Frankrijk, Zweden of Zwitserland.

Indien van de persoon geen beroep bekend was, noteerde de griffier ‘zonder beroep’ (in circa een kwart van de zaken). Veel van de mensen die voor de Rechtbank van Eerste Aanleg stonden, voorzagen in hun levensonderhoud op verschillende manieren. In driekwart van de gevallen was een beroep genoteerd. We komen onder meer dienstmeiden, naaisters, landarbeiders en kooplieden/handelaren tegen, maar ook liedjeszangers, muzikanten en matten-, stoelen- of zadelmakers. Er zaten een paar personen bij waarbij werd gesproken over een militaire achtergrond: dit betroffen bijvoorbeeld verlofgangers van schutterijen of gewezen militairen.

Het betreft dan ook een zeer diverse groep: we zien mensen met en zonder beroep, jong en oud, samen en alleen. Het betrof mensen waarvan de autoriteiten – burgemeesters, vrederechters, de marechaussee of commissarissen van politie en uiteindelijk de officier van justitie – het vermoeden hadden dat zij binnen het arrondissement van ’s-Hertogenbosch (in de kantons Heusden, Waalwijk, Tilburg, Oisterwijk, Boxtel en Oss) zich schuldig zouden hebben gemaakt aan landloperij. In ongeveer de helft van de onderzochte zaken was dit in samenhang met bedelarij en in een enkel geval in samenhang met andere vergrijpen, zoals diefstal of het bezitten van valse certificaten.

Het aantal mensen dat in deze periode terecht stond, wisselde sterk per jaar. In sommige jaren werd er op dit gebied geen enkel vonnis gewezen bij de Rechtbank van Eerste Aanleg in ’s-Hertogenbosch - of in ieder geval zijn deze niet bewaard gebleven. Zo vinden we bijvoorbeeld in het jaar 1824, 1825 en 1828 geen vonnissen terug.

Hier moet tevens bij vermeld worden dat het aantal mensen dat bij de Rechtbank van Eerste Aanleg kwam, uiteindelijk een klein deel van de mensen was die voor ‘vagebonderij’ of ‘landloperij’ was gearresteerd. Zo bleek onder meer uit een steekproef van de gevangenisarchieven van ’s-Hertogenbosch dat in het jaar 1819 er circa 110 mensen voor ‘vagebondering’ in ‘s-Hertogenbosch waren binnengekomen (BHIC, 52 Gevangenissen in ‘s-Hertogenbosch, inv.nr. 52-261 (opent in een nieuw tabblad)). Deze mensen werden vaak niet voor de Rechtbank van Eerste Aanleg gedagvaard. Zij werden in de meeste gevallen naar de schout of burgemeester van de oorspronkelijke geboorte- en/of woonplaats gebracht, zowel buiten de provincie (naar bijvoorbeeld de politie of burgemeester van Amsterdam, Nijmegen, Zutphen of Elburg) als binnen de provincie (zoals de plaatselijke besturen van Heusden of Bergen op Zoom). Sommigen werden de dag erna of enkele dagen na de arrestatie van vervolging ontslagen, zonder aanvullende meldingen. Een deel werd enkele dagen later zonder proces over de grenzen van het rijk geplaatst of uit ’s-Hertogenbosch geleid. Daarnaast konden mensen direct naar het bedelaarshuis gestuurd worden. Een klein deel van de personen werd dat jaar voor de rechtbank geleid. Zo werden er in 1819 uiteindelijk zes vonnissen gewezen van de meer dan 100 personen die hiervoor in de gevangenis van ’s-Hertogenbosch waren binnengebracht. Gezien de grote diversiteit die zich in de groep aangeklaagden voordeed, is er nog geen sluitend antwoord te vinden waarom deze mensen voor de rechtbank werden gedagvaard.

Vrijspraak of veroordeling?
De dienstdoende griffier schreef kort op hoe een rechtszaak verliep. Hij noteerde op de vonnisbladen de gegevens van de beklaagden en gaf een omschrijving van het delict. Hij noemde eventuele stukken die ter sprake waren gekomen en of de aangeklaagde persoon of getuigen aan het woord kwamen. Na de tenlastelegging van de officier, volgde het uiteindelijke besluit van de rechters. Zelden werd een uiteenzetting gegeven over de omstandigheden die mee hebben gespeeld in het besluit om iemand vrij te spreken of schuldig te verklaren. De motiveringen van de rechters zijn al zeer bonding omschreven, maar de verdedigingen van de persoon zelf zijn in de vonnissen nagenoeg volledig afwezig. Er zijn enkele uitzonderingen. Zoals in het geval van Bernardus de Blauw. Hij liet weten dat hij na zijn ontslag uit het tuchthuis naar zijn broer in Macharen was gegaan, en aldaar had geholpen o.a. met het maken van manden. Hij werd vrijgesproken (BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr. 21_0798_0619).
Indien er onvoldoende bewijs was en het voor de rechtbank niet of onvoldoende was gebleken dat een persoon zich schuldig had gemaakt aan landloperij, kon de rechtbank besluiten de aangeklaagde te ontheffen van de beschuldigingen. Van de onderzochte zaken volgde in circa één derde deel van de gevallen vrijspraak. Dit kon zijn omdat tijdens de rechtszitting was gebleken dat de persoon toch in het bezit was van bepaalde veiligheidskaarten, een woonplaats bezat of geregeld werk had.

Indien de rechters na de zaak iemand schuldig bevonden, werd (een deel van) de definitie uit de Code Pénal geciteerd: ‘Aangezien is gebleken dat de beklaagde zonder vaste woonplaats, middelen van bestaan of gewoonlijk enigerlei beroep uitoefende […]’. Daarna werd de betreffende persoon verklaard tot ‘landloper’ of ‘landloopster’. In sommige gevallen werd daarbij tevens vermeld dat de persoon had gebedeld of ‘bedelende’ was gearresteerd. De rechters noemden wetsteksten die tot het besluit hadden geleid.
Omschrijving artikel | Frequentie |
|---|---|
Art. 52. De veroordeelingen tot geldboete, tot teruggaven, tot vergoeding van schaden en intressen, en in de kosten, zullen ten uitvoer gelegd mogen worden bij wege van aantasting van persoon. | 89% |
Art. 271. Landloopers of geboefte die wettelijk voor zoodanig verklaard zijn, zullen te dier zake - alleen, met drie of zes maanden gevangenis gestraft worden, en na het ondergaan van hun straf, ter beschikking van de Hooge regeering blijven voor zoodanigen tijd als zij bepalen zal, in aanmerking van hun gedrag. | 82% |
Art. 270. Landloopers of geboefte zijn genen, die noch vaste woonplaats, noch middelen van bestaan hebben, en geenerlei ambacht of beroep gewoon zijn te oefenen. | 78% |
Art. 269. De Landlooperij is een wanbedrijf. | 76% |
Art. 282. De landloopers of bedelaars die de straffen, bij de vorige artykelen gesteld, ondergaan zullen hebben, zullen na het uiteinde deze straffen ter beschikking van de Hooge regering blijven. | 51% |
Art. 463. In alle de gevallen, waarin de straf van gevangenis bij dit Wetboek gesteld wordt, worden de vierscharen gemagtigd om, bij aldien het veroorzaakte nadeel geen vijf en twintig franken te boven gaat, en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevangenis zelfs tot beneden de 6 dagen, en de boeten zelfs beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook de eene of de andere dezer straffen afzonderlijk mogen wijzen, zonder dat zij echter in eenig geval beneden de bloote policystraffen mag zijn. | 42% |
Art. 275. In de plaatsen waar nog geene zoodanige inrichtingen in stand zijn, zullen de genen die bij gezonden lijve hun werk van bedelen maken, met een tot drie maanden gevangenis gestraft worden. Ingeval zij buiten het kanton van hun woning gevat worden, zullen zij met een gevangenis van zes maanden tot twee jaren gestraft worden. | 30% |
We zien hier een overzicht van enkele wetsartikelen die vaak terugkeerden in de onderzochte groep vonnissen waarbij iemand werd veroordeeld. Deze artikelen zijn hier gesorteerd op frequentie (in %). Let op: in het geval van groepen, konden wetsartikelen ter sprake komen die enkel op één van hen betrekking had. Deze zijn hier meegerekend, omdat deze wel werden genoemd in het vonnisblad. Dit is exclusief zaken die in hoger beroep zijn uitgesproken.
De mensen die door de rechtbank werden veroordeeld als ‘landloper’ kregen aanvankelijk in de meeste gevallen een gevangenisstraf opgelegd en moesten de kosten van het proces betalen. De duur van de gevangenzetting wisselde sterk: van enkele dagen tot enkele jaren. Verschillende factoren speelden mee met het uiteindelijk besluit (zie ook onder ‘Welke factoren konden meespelen?’).
Duur van een eventuele gevangenzetting | Frequentie (%) |
|---|---|
Vrijspraak | 33% |
≤ 1 maand | 28% |
> 1 maand - ≤ 2 maanden | 1% |
> 2 maanden - ≤ 3 maanden | 11% |
> 3 maanden - ≤ 6 maanden | 17% |
> 6 maanden - ≤ 1 jaar | 4% |
> 1 jaar | 6% |
Een overzicht van de strafbepalingen. In de gevallen dat een gevangenisstraf van minder dan een maand was opgelegd, speelde artikel 463 van de Code Pénal meestal een rol (i.e. verzachtende omstandigheden en weinig schade, zie onderstaand). Bij geen aanvullende meldingen werd de strafbepalingen in de Code Pénal gevolgd (3 tot 6 maanden). In het geval van een gevangeniszetting van 6 maanden of langer speelden vaak strafverzwarende factoren mee (zie onderstaand).
We zien dat de rechters in de groep onderzochte zaken vanaf circa 1830 steeds kortere gevangenisstraffen oplegden. Tegelijkertijd met de afname van de lengte van de gevangenisstraf, zien we in de vonnissen steeds vaker terugkeren dat de persoon – na afloop van door hun opgelegde straffen – ‘ter beschikking’ moesten worden gesteld. Hoewel ter beschikking stelling eerder ook al in de Code Pénal was genoemd, werd dit pas vanaf circa 1826 vermeld in de vonnisbladen. Dit had vermoedelijk te maken met het provinciale beleid dat langzamerhand steeds meer stuurde naar de opname van door de rechtbank veroordeelde ‘landlopers’ en ‘bedelaars’ - indien zij nog konden werken - in de nieuw opgerichte Koloniën van Weldadigheid, met name in Ommerschans. Het provinciaal bestuur werd hiertoe aangespoord door koning Willem I, die wel heil zag in het plan van Johannes van den Bosch (zie ook: BHIC, 17 provinciaal bestuur Noord-Brabant, 1814-1920, inv. nr. 17-8205-264 (opent in een nieuw tabblad) en inv. nr. 17-8215-102 (opent in een nieuw tabblad)). Hoewel we enerzijds dus zien dat de duur van de gevangenzetting daalde na verloop van tijd, wil dat niet zozeer zeggen dat de straffen ‘milder’ werden: maar men lijkt steeds sneller naar de koloniën te worden toegestuurd. Zeker in Ommerschans leefde men in zeer slechte omstandigheden: honger, krappe ruimtes, kou of hitte en zwaar werk was daar dagelijks aan de orde van de dag (je leest meer hierover in o.a. het schrijven van Jacob van Lennep, hij trok in de zomer van 1823 samen met een vriend erop uit voor een rondreis door het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Daarbij deed hij ook Ommerschans aan. Hij schrijft in zijn dagboek over de omstandigheden. Een niet-hertaalde versie is online beschikbaar gesteld via www.dezomervan1823.nl (opent in een nieuw tabblad)).
Welke factoren konden meespelen?
Wat nog meer opvalt zijn de verschillen tussen de strafbepalingen in de tenlastelegging van de officier en het uiteindelijke besluit van de rechters. In iets minder dan de helft van de gevallen werd het voorlopige vonnis van de officier niet gevolgd door de rechters. Ook als de officier de aangeklaagde(n) als schuldig beschouwde, konden de rechters besluiten tot vrijspraak. Dit bleek bijvoorbeeld in het geval van Gerrit Koedam en Johanna Kouwenberg. De officier gaf in zijn voordracht aan dat de rechtbank een gevangeniszetting van 5 tot 10 jaar kon toewijzen omdat beiden twee keer eerder waren veroordeeld. De rechters – na de zaak te hebben doorgenomen – besloten tot vrijspraak (BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr. 21-0805-389).
In bijna alle gevallen waarin het uiteindelijk vonnis en de eerdere tenlastelegging niet overeenkwam, eiste de officier aanvankelijk een hogere straf, maar viel het uiteindelijke vonnis lager uit. Dit zien we bijvoorbeeld ook in het geval van de 17-jarige Michel Cornas. Hoewel de officier een gevangenisstraf van 6 maanden eiste, besloten de rechters uiteindelijk tot een gevangenzetting van 8 dagen omdat er verzachtende omstandigheden meespeelden, hij was op jonge leeftijd zijn ouders verloren (BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr: 21-796-197).

Verschillende factoren konden meespelen bij de bepaling van het uiteindelijke vonnis. Strafverzwarende factoren betroffen bijvoorbeeld een eerdere veroordeling en in enkele gevallen was er sprake van een strafbaar feit als diefstal van kleine goederen, bedreiging of bedelarij onder valse voorwendselen. Vaak werden dan de maximale straffen opgelegd, variërend van 6 maanden tot 2 jaar, en in een enkel geval 5 jaar. Let wel, een eerdere veroordeling betekende niet altijd een zwaardere straf. Dit zien we terug in het geval van Noël Grandjean. Die wel eerder was veroordeeld voor diefstal, maar in zijn geval speelden ook verzachtende omstandigheden mee (BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr: 21-0799-0513).
Deze melding van verzachtende omstandigheden zien we vaker terugkeren in de onderzochte groep vonnissen. Dit was in de gevallen dat iemand volgens de rechters voldeden aan de in de Code Pénal geformuleerde definities, maar waarbij ook artikel 463 van de Code Pénal werd ingebracht, houdende de bepaling dat de rechters een milder vonnis konden uitwijzen ‘indien het veroorzaakte nadeel geen vijf en twintig franken te boven gaat, en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen’. Het is opmerkelijk dat we met name vanaf 1835 zien dat verzachtende omstandigheden steeds vaker werden genoemd in het uiteindelijke besluit (bijv. in 1835 werd dit in 9 zaken genoemd, in 1836 17 keer, in 1837 maar 1 keer en in 1838 weer 9 keer). In de voorgaande bekeken jaren werd dit slechts sporadisch genoemd. We hebben daarentegen eerder gezien dat tegelijkertijd, ook in de gevallen waarin verzachtende omstandigheden een rol speelden, er melding werd gemaakt van het ‘ter beschikking stellen’ van zij die door de rechters schuldig waren bevonden. Na het ‘uitzitten van een gevangenisstraf’ kon, ook in de gevallen waarbij verzachtende omstandigheden meespeelden, ‘opzending’ naar de koloniën volgen.
In de vonnissen wordt zelden een omschrijving gegeven van wat de verzachtende omstandigheden precies waren. In een enkel geval lezen we over de jonge leeftijd (waarbij ‘zonder oordeel des onderscheids’ was gehandeld), verlies van ouders, het verlies van een echtgenoot of een meisje die haar moeder uit het oog was verloren. Toch blijven de vonnissen overwegend stil over de precieze omstandigheden waarin de personen zich bevonden. De processtukken/strafdossiers (opent in een nieuw tabblad) bieden iets meer informatie. Daarin vind je ook eventuele getuigenverklaringen en verhoren. Toch blijven ook deze processtukken veelal gefocust op de zaak waarvoor de persoon voor de rechtbank stond. De antwoorden die de aangeklaagden gaven in de rechtbank, werden niet genoteerd. Hun eigen verhaal kunnen we dan ook vaak helaas niet - of slechts in beperkte mate - terughalen.
Verder lezen en/of in de archieven
- In het Bronnencommentaren van het Huygens Instituut wordt overzichtelijk weergegeven hoe de vonnissen en processen-verbaal waren opgebouwd in de negentiende en twintigste eeuw. Zie hiervoor: H. Van Felius (2009), ‘De vonnissen en processen-verbaal van terechtzittingen van 1811 tot heden’, Broncommentaren deel 7, pp. 59-122 (online (opent in een nieuw tabblad)).
- Diederiks, H.A., Faber, S. & Huussen jr., A.H. (1998), Strafrecht en criminaliteit. Cahiers voor lokale en regionale geschiedenis. Walburg Pers, Zutphen.
- Van der Heijden, W.G.M. & Sanders, J.G.M. (1993) Noord-Brabant in de negentiende eeuw: een institutionele handleiding. ’s-Hertogenbosch, Uitgeverij verloren, ’s-Hertogenbosch/Hilversum (deels online (opent in een nieuw tabblad)).
- De vonnisbladen zijn over het algemeen zeer summier. Meer informatie over de eventuele getuigenverklaringen, antwoorden van de beklaagden, en de achtergrond van de zaak/arrestatie zijn vaak te vinden in de processtukken/strafdossiers (BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr. 21.832 t/m 21.962 (opent in een nieuw tabblad)). De bijbehorende dossiernummers van de processtukken zijn (op jaartal) terug te vinden via het archief van de Officier van Justitie (BHIC, 21 Rechtbank van Noord-Brabant, inv.nr. 21-1136 t/m 21-1172 (opent in een nieuw tabblad)).
- Voor een blik in de wetgeving zie: Code pénal: edition officielle (opent in een nieuw tabblad) (1811), inclusief de oorspronkelijk Franse tekst en een vertaling van Willem Bilderdijk (online (opent in een nieuw tabblad)).
- Over het onderzoek naar ‘criminele’ voorouders, i.e. voorouders in rechterlijke archieven zie o.a. Van der Ven, C. (2016) ‘Boeven en boefjes gezocht. Op zoek naar de zelfkant van je stamboom’, Gen. Dossier misdaad en straf, pp. 44-51 (online (opent in een nieuw tabblad)).
- Voor meer informatie over de Brabantse gevangenisarchieven en inschrijvingsregisters zie ook de zoekwijzer van het BHIC ‘Gevangenisarchieven tot 1940’. Veel Brabantse mensen werden aanvankelijk ook naar (bedelaars)werkhuizen in Hoorn en Veere gestuurd, zie hiervoor de database van de huizen van bewaring in Hoorn (opent in een nieuw tabblad) en van het werkhuis van Veere (de Grote kerk), via de zoekgids van Zeeuws Archief (opent in een nieuw tabblad).
- Verder op zoek in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid? Op de website Allekolonisten.nl (opent in een nieuw tabblad) kun je zoeken tussen alle personen die betrokken waren bij de Maatschappij. Je vindt hier onder meer inschrijfregisters, brieven en signalementskaarten. Ook op de website alledrenten.nl (opent in een nieuw tabblad) van het Drents Archief, kun je online zoeken in de kolonistendatabase (opent in een nieuw tabblad) en de signalementskaarten en wezenregisters (opent in een nieuw tabblad) van Veenhuizen en Ommerschans inzien.
Ianthe van Beuningen