Wat kunnen de Brabantse archieven ons over ‘landloperij’ vertellen?
Liedjeszangers, mattenmakers, schoenmakers, rondreizende kooplieden, weduwes, dienstmeiden, jonge kinderen, tieners, mensen zonder werk, gewezen militairen en daar houdt de lijst verre van op. Er is dan ook geen eenduidig antwoord te geven op de vraag: wie waren de mensen die in de archieven van de Brabantse rechtbanken werden verklaard tot ‘landloper’ of ‘vagebond’ en als zodanig werden berecht. Overwegend hadden deze mensen één overeenkomst: ze hadden geen vaste verblijfplaats en reisden (gedurende een deel van hun leven) rond. Zij probeerden in hun levensonderhoud te voorzien met dagelijkse arbeid of het vragen van aalmoezen. De strafbaarstelling van landloperij in de negentiende en twintigste eeuw heeft het gevolg dat de archieven van rechtbanken veel informatie bevatten over de mensen die hiervan werden beschuldigd. Maar wat voor informatie? Wat kunnen de Brabantse archieven ons vertellen over landloperij?
In historisch perspectief

Rijksmuseum Amsterdam BK-KOG-1529 (opent in een nieuw tabblad). Publiek domein)
Het aantal mensen dat zich – veelal gedwongen door armoede of ongelukkige omstandigheden - tot landloperij of bedelarij wendde, was sinds de tweede helft van de dertiende eeuw en met name in de veertiende en de vijftiende eeuw toegenomen. Dit was een gevolg van onder meer oorlogen, epidemieën, grote schommelingen in werkgelegenheid, natuurrampen, mislukte oogsten en stijgende voedselprijzen. Steeds meer mensen waren genoodzaakt om hun oorspronkelijke woonplaats te verlaten, op zoek naar werk of onderdak. Zij voorzagen in hun levensonderhoud met korte klussen, seizoensarbeid, het verkopen van goederen, het maken van muziek of met het vragen van aalmoezen. In sommige gevallen sloten zij zich aan bij bendes op het Brabantse platteland. Met name in de vroegmoderne periode groeiden het aantal klachten over deze min-of-meer georganiseerde rondtrekkende bendes die zich aan diefstal, afpersing en struikroverij schuldig maakten. De negatieve houding tegen over mensen zonder vaste verblijfplaats nam toe. Dit was niet alleen in Brabant het geval, maar in de gehele Republiek. Veel mensen werden in de vroegmoderne periode verbannen, gegeseld en over de grenzen gezet als ‘landloopers’.
18.000 vonnissen
In de negentiende eeuw – een eeuw waarin een groot deel van de bevolking op of onder de armoedegrens leefde - werd in Noord-Brabant een aanzienlijk aantal mensen beschuldigd van landloperij. Dit waren mensen die geen vaste woonplaats hadden, geen geld bij zich hadden en (tijdelijk) zonder werk zaten. Dat was voor de lokale autoriteiten vaak voldoende reden om een persoon te arresteren en voor de rechters dikwijls voldoende grond om hen te berechten volgens het nationaal wetboek dat sinds de introductie van het Franse strafrecht in 1811 gold: de Code Pénal. De mensen die van landloperij werden beschuldigd kregen meestal een gevangenisstraf opgelegd, variërend van enkele dagen tot een paar jaar. Zij werden vervolgens vaak naar bedelaarshuizen in Hoorn of Veere en later naar de Koloniën van Weldadigheid gestuurd. Uit de periode tussen 1811 en 1900 zijn er circa 18.000 vonnissen in het BHIC bewaard gebleven waarin de aangeklaagde hiervan werd beschuldigd. Noord-Brabant was geen uitzondering. In heel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werden mensen hiervoor opgepakt. Het CBG (opent in een nieuw tabblad) omschrijft landloperij dan ook als een van de ‘vergrijpen’ die veelvuldig in de archieven terugkomen in de negentiende en begin van de twintigste eeuw.
Wat is strafbaar?
Gedurende het grootste deel van de negentiende eeuw (tussen 1811-1886) werden mensen berecht volgens het landelijk strafwetboek de Code Pénal. Hierin kwam onder meer ‘landloperij’, maar ook ‘bedelarij’, in verschillende wetsartikelen terug. Wat voor de wet en voor de maatschappij strafbaar was en wat niet, was en is voortdurend aan verandering onderhevig. Dit is niet exclusief het geval voor landloperij, maar ook van toepassing op menige andere soort activiteiten of gedragingen. Veranderingen in het denken over de strafbaarheid vertaalde zich in een concrete vorm naar het schrijven en verwoorden van wetten. Maar in wezen gaat dit proces veel verder dan enkel de wet en de opname van bepaald gedrag in een wetboek. Op de achtergrond speelt een langdurig en complex historisch proces van marginalisering, stigmatisering en criminalisering. Pas in 2000 werd ‘landloperij’ uit het wetboek geschrapt: een gevolg van de gestage decriminalisering.
In de archieven
De strafbaarstelling van landloperij in de negentiende en twintigste eeuw heeft het gevolg dat de archieven van rechtbanken relatief veel informatie bevatten over de mensen zonder vaste woonplaats die hiervoor terecht stonden. Denk aan leeftijden, geboorteplaatsen en beroepen. Zowel voor rechtshistorisch, genealogisch als demografisch onderzoek is deze informatie waardevol, maar ook beperkt. De archieven bieden weliswaar inzicht in ‘landloperij’ als negentiende-eeuws delict, toch vertellen ze ons eigenlijk maar weinig over de personen die voor dit vergrijp werden opgepakt. Dit is de grote, ongelukkige bijkomstigheid van het onderzoek in de rechterlijke archieven: het onderzoek naar deze mensen – die door armoede of ongelukkige omstandigheden in hun levensonderhoud probeerden te voorzien door rond te reizen – wordt onbedoeld een soort ‘crimineel’ verhaal, omdat het destijds voor de wet als strafbaar werd gezien. De beschikbare informatie in de archieven is dan ook in de meeste gevallen geschreven door hogere overheden, burgemeesters, officieren en rechters en kan hierdoor eenzijdig of selectief zijn. Er werd opgeschreven wat relevant werd geacht voor de rechtbank. Het verhaal of de persoon erachter wordt niet altijd opgehelderd of toegelicht.
Wat kunnen de archieven ons wel vertellen?
De archieven kunnen ons wel inzicht bieden in de doorwerking van de landelijke wetgeving in het provinciaal beleid in Brabant. In de Provinciale Bladen zien we hoe het provinciaal bestuur – vaak aangemoedigd door de hogere (koninklijke) overheid – een streng en hardvochtig beleid opstelde. In de bladen vinden we meerdere besluiten en circulaires terug die dit onderwerp behandelen. De archieven bieden tevens inzicht in hoe dit beleid doorwerkte in de Brabantse (strafrechts)praktijk. Wie stonden er terecht? In hoeverre werd er rekening gehouden met verzachtende omstandigheden? Om meer te weten te komen over de verhoudingen tussen wet, beleid en praktijk in Noord-Brabant is hier gekeken naar de vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg in ‘s-Hertogenbosch, waar in de periode tussen 1813-1838 bijna 200 mensen terecht stonden voor landloperij, vaak in samenhang met bedelarij. De vonnissen bieden tevens inzicht in een reeks demografische gegevens: denk aan beroepen, leeftijden, herkomst van de personen e.a.. Let wel, uit de gevangenisarchieven blijkt dat er een groter aantal mensen op deze gronden werd gearresteerd. Zij kwamen niet allen voor deze rechtbank.

Rijksmuseum Amsterdam RP-P-1882-A-5165. Publiek domein)
Maar hoe zit het met de personen zelf en hun perspectieven? Wie waren de mensen die in de negentiende-eeuwse archieven ‘landloopers’, ‘vagebonden’, ‘zwervende persoenen’ of ‘vagebonderende persoenen’ worden genoemd? De mensen die op deze gronden terecht stonden behoorden niet tot een afgebakende of strak gedefinieerde groep. Dit zijn allen mensen die door uiteenlopende omstandigheden in deze situatie terecht waren gekomen, en door de rechtbank volgens de definities in de toen geldende Code Pénal werden berecht. Het is dan ook beter niet te spreken van landlopers, maar van mensen die van landloperij werden beschuldigd. . Hier is daarom tevens geprobeerd de diversiteit te laten zien van de mensen die terechtstonden, door het uitlichten van enkele voorbeelden. Dit is gedaan mede aan de hand van de processtukken. Hierbij moet opnieuw benadrukt worden dat deze veelal geschreven zijn door bestuurders of rechters. Hoewel er in sommige gevallen verhoren beschikbaar zijn waarin de beschuldigde partij zijn of haar kant van het verhaal vertelt, zijn ook deze verhoren vaak opgeschreven door een ander en zijn de gegeven antwoorden afhankelijk van de gestelde vragen. Wat we uit de archieven kunnen halen, is dan ook slechts een klein deel van het hele verhaal.
Lees het verhaal Op zoek naar haar moeder
Lees het verhaal Een familie voor de rechtbank
Lees het verhaal Twee jaar cel voor een tafellaken, servet en kandelaar
Verder onderzoek
Dit onderzoek beoogt enkele verschillende invalshoeken en bronnen te laten zien om het onderwerp te benaderen. Het houdt hierbij de focus op de periode 1813-1838; de drie decennia nadat ‘landloperij’ als delict was opgenomen in het nieuwe nationale wetboek de Code Pénal en de periode waarin de eerste Koloniën van Weldadigheid verschenen. Er is nog veel ruimte voor verder onderzoek. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de presentatie in kranten (verhoudingen tussen criminalisering en de pers). Hoe werkte het provinciaal beleid door op lokaal (gemeentelijk) niveau en zijn hier verschillen te ontdekken tussen de Brabantse regio’s? Zijn er opmerkelijke ontwikkelingen op lange termijn in de demografische opbouw van de beklaagden? Bij de verschillende onderdelen worden dan ook suggesties gegeven voor verder onderzoek, incl. aanvullende literatuur en relevante bronnen.
Naar het thema Landloperij in 19e eeuws Brabant
Ianthe van Beuningen