Landloperij in de Code Pénal
Wie meer wilt weten over ‘landloperij’ in de Brabantse geschiedenis in het begin van de negentiende eeuw, komt in aanraking strafwetgeving. In 1811 werden er op dat gebied namelijk meerdere wetsartikelen opgenomen in het nieuwe nationale strafwetboek, de Code Pénal. Duizenden mensen zijn op basis van deze wetsartikelen in de negentiende eeuw gearresteerd en berecht. Dit stuk biedt een kort overzicht van deze wetsartikelen.
Een terugblik: van een gemarginaliseerde naar een gecriminaliseerde groep
De opname van landloperij in de Code Pénal was het gevolg van een langdurig proces van criminalisering dat eeuwen eerder al was ingetreden. De houding ten opzichte van mensen die rondtrokken zonder vaste woonplaats of gegronde reden werd in de loop van de vroegmoderne periode namelijk steeds negatiever. Hogere overheden zagen hen als een potentieel risico voor de openbare orde, mede als gevolg van de toenemende plattelandscriminaliteit en rondtrekkende bendes. De Bourgondisch-Habsburgse vorsten en daarna de Staten-Generaal voerden extra plakkaten en verordeningen door, zowel op het gebied van opsporing, veroordeling en bestraffing van de zogenoemde ‘landloopers en vagebonden’ en in het bijzonder de ‘Heydenen en Egyptenaren’ uit het buitenland. Rondtrekkende mensen werden al gauw als verdachte personen gezien en konden worden opgepakt voor verhoor. Het maakte daarbij voor de autoriteiten dikwijls weinig uit of deze personen zich bezighielden met dagelijkse landarbeid, goederen verkochten of bedelden om in hun levensonderhoud te voorzien, of het criminele pad opgingen. Landloperij en bedelarij werden op zichzelf al als strafbaar beschouwd. Deze mensen werden overwegend gestraft met geseling en verbanning (en in sommige gevallen kregen zij de doodstraf, indien de persoon in kwestie ernstige misdaden als moord op zijn kerfstok had).[1] Het ‘gedrag’ landloperij werd steeds verder gestigmatiseerd, gemarginaliseerd en gecriminaliseerd; dit was een langdurig en complex proces dat zich niet alleen afspeelde binnen de sferen van overheden, het politieapparaat en de strafrechtspraktijk, maar ook binnen de bredere maatschappij.[2]

Streven naar een nationaal wetboek
Hoewel er in de vroegmoderne periode plakkaten werden uitgevaardigd vanuit de Staten-Generaal, hadden de gewesten in de Republiek grotendeels nog altijd hun eigen regels, wetten en rechterlijke instanties. Van een uniform landelijk strafrecht was nog geen sprake. Veelal waren regels en strafbepalingen opgenomen in keurboeken die per stad of regio konden verschillen. Tegen het einde van de achttiende eeuw kwam daar langzamerhand verandering in - dit viel samen met de inrichting van een nieuwe staat als gevolg van de inval van de patriotten en het Frans-Bataafse leger. De Bataafse Republiek (1795-1806) was een feit. In de nieuwe staat ontstond een verlangen naar landelijke wetgeving: men streefde naar het opbouwen van een uniform strafrechtsysteem dat voor de hele Bataafse Republiek moest gelden. Een nieuw nationaal wetboek moest dit bewerkstelligen.

Na de inlijving van de Nederlanden bij het Franse Keizerrijk, werd het kortlevende Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland (1809) van Lodewijk Napoleon (zie ook: ‘Lodewijk Napoleon, het Konijn van Holland en het justitiewezen’) vervangen door de Code Pénal (opent in een nieuw tabblad), het Franse wetboek. Hierin werden strafbare feiten opgesomd en de daarbij gestelde strafbepalingen. Strafbare feiten werden daarin opgedeeld in drie categorieën: overtredingen (contraventions), wanbedrijven (delits) en misdaden (crimes). Bij de verschillende categorieën hoorden verschillende soorten straffen die strenger of minder streng werden in verhouding tot de ernst van het misdrijf. De Code Pénal trad in werking vanaf 1 maart 1811, samen met het Franse Wetboek van strafvordering Code d’instruction criminelle (opent in een nieuw tabblad). In laatstgenoemde werden de regels voor het strafproces vastgelegd. Ook na het vertrek van de Fransen uit Nederland in 1813 en de instelling van Willem I als koning van het Verenigd Koninkrijk van de Nederlanden, bleven de Franse wetboeken (zowel de Code Pénal als de Code d’instruction criminelle) – op een paar kleine wijzigingen na - het uitgangspunt voor het rechtssysteem in het hele land. Ook in Brabant. Men dacht aanvankelijk dat er op korte termijn een nieuw Nederlands wetboek zou komen, maar dat liet nog even op zich wachten. Er was immers nog geen alternatief en de discussies over formuleringen en strafbepalingen duurden hardnekkig voort. De Code Pénal bleef uiteindelijk van kracht tot 1886.[3]
![Willem Bilderdijk. De Nederlandse vertaling van het oorspronkelijke Franse Code Pénal is van de hand van de dichter – en tevens advocaat – Willem Bilderdijk. (Afbeelding: Portret uit 1810 van Willem Bilderdijk door Charles Howard Hodges, Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-1453]](https://cdn.sanity.io/images/6skzgpjd/beta/9ffe4d4e98c7010036054349359b0bd4a7272452-851x1080.jpg?w=1200&auto=format)
Een kort overzicht van de wetsartikelen
In de Code Pénal werden gedragingen geformuleerd die men in het begin van de negentiende eeuw als strafbaar zag. Het omvatte definities, voorwaarden, overwegingen en strafbepalingen van uiteenlopende vergrijpen. Ook op het gebied van landloperij waren meerdere wetsartikelen vermeld in het derde hoofdstuk betreffende misdaden en wanbedrijven tegen de openbare rust. De wetsartikelen werpen licht op de juridische benadering van landloperij. Zoals we te zijner tijd ook zullen zien in de vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg, beriepen de Brabantse rechters zich vaak op één of meerdere van deze wetsartikelen tijdens de rechtszaak om tot een besluit te komen.

Artikelen betreffende ‘Landlooperij’ (269 t/m 273)
We lopen de eerste groep artikelen na aan de hand van het vonnis van Mechelina van der Nullen, 49 jaar, weduwe, geboren in Zierikzee en arbeidster van beroep. Ze was gearresteerd door de veldwachter van Waalwijk op 12 januari 1819 en moest op 22 januari voor het gerecht komen. Ze werd beklaagd van landloperij en bedelarij. Na haar persoonsgegevens, het voorlopige vonnis van de officier en de verdedigingen van de beklaagde (die overigens niet zijn uitgeschreven, dit is zelden het geval), volgt de uitspraak van de rechters die haar schuldig verklaren omdat het gebleken was dat zij ‘zedert meer dan drie maanden zonder vaste woonplaats, noch eenig bepaald beroep uit te oefenenen, het land heeft afgelopen’ (BHIC: 21-802-73). De rechters komen tot het vonnis onder andere op basis van artikel 269, 270, 271. We lopen deze hier kort langs.

Wetsartikel 269 plaatst ‘landlooperij’ in de categorie van wanbedrijf. Zoals eerder al benoemd, waren in de Franse Code Pénal vergrijpen onderverdeeld in misdaden (crimes), wanbedrijven (delits) en overtredingen (contraventions). De categorie bepaalde de maximale straf. Voor wanbedrijven stonden gevangenisstraffen tot maximaal 5 jaar, geldboetes tot 15 frank en eventuele beperkingen van burgerschapsrechten.
![Omschrijving. Het audiëntieblad van Mechelina van der Nullen, geciteerd: ‘Art. 270: ‘Landloopers of geboefte zijn diegenen, die noch vaste woonplaats, noch middelen van bestaan hebben en geenerlei ambacht of beroep gewoon zijn [uit] te oefenen.’ (Afbeelding: BHIC: 21-802-73)](https://cdn.sanity.io/images/6skzgpjd/beta/4994db9d2e36e3792ca5d74ff2b8da55b1372dbf-1920x394.jpg?w=1200&auto=format)
Artikel 270 geeft een voor de wet vastgestelde definitie. De omschrijving bestond uit drie voorwaardes: een woonplaats, middelen van bestaan en beroep: ‘Landloopers of geboefte zijn die genen, die noch vaste woonplaats, noch middelen van bestaan hebben, en geenerlei ambacht of beroep gewoon zijn te oefenen’ (Frans oorspronkelijk: ‘Les vagabonds ou gens sans aveu sont ceux qui n'ont ni domicile certain, ni moyen de subsistance, et qui n'exercent habituellement ni métier ni profession’).


Artikel 271 geeft een strafbepaling: een gevangenisstraf tussen drie en zes maanden. In de Republiek werden aanvankelijk veelal lijfstraffen en/of ballingschap uitgevaardigd voor uiteenlopende vergrijpen, ook voor landloperij (waaronder de eerdergenoemde geseling en verbanning). Maar gevangenzetting werd in de loop van de negentiende eeuw steeds gebruikelijker, dit gold ook voor mensen die werden beschuldigd van landloperij.[5] Na het uitzitten van de gevangenisstraf, kan er gekozen worden dat de persoon in kwestie ‘ter beschikking van de hooge regering’ zal blijven, voor een periode die zij geschikt achten, afhankelijk van het gedrag.
Tot slot de laatste twee artikelen: nummer 272 en 273. Deze waren niet van toepassing bij de zaak van Mechelina van der Nullen en zullen hier los genoemd worden. Artikel 272 betreft: ‘De personen die bij vonnis voor landloopers verklaard worden, zullen, ingevalle zij vreemdelingen zijn, op last van de hooge regeering buiten het Rijksgebied gebragt mogen worden.’ Indien de mensen die hiervoor werden berecht ‘vreemdelingen’ waren en uit het buitenland kwamen, dan mochten ze volgens deze wet over de grenzen worden gezet. Het laatste artikel in deze groep, artikel 273, behandelt het specifieke geval wanneer iemand op deze gronden was opgepakt en in Frankrijk was geboren. De Franse gemeente waar deze persoon was geboren mocht hem of haar ‘terugeisen’.
Artikelen betreffende ‘bedelarij’ (art. 274 t/m art. 276)
De daaropvolgende drie artikelen richten zich specifiek op bedelarij. Indien een persoon werd aangehouden voor bedelarij dan was de strafbepaling afhankelijk van verschillende factoren, waaronder:
- Of er in de plaats waar de persoon was gevonden een openbare inrichting was tot voorkoming van bedelarij;
- Of de persoon in kwestie bij ‘gezonden lijve’ was;
- Of de persoon binnen of buiten het kanton van de oorspronkelijke woonplaats was gearresteerd, waarbij buiten het kanton als ernstiger werd beschouwd;
- Of de persoon dreigementen had gebruikt, kwalen had geveinsd, zonder toestemming een woning of tuin was binnengetreden, of in een groep had gebedeld.
Artikelen: Vorderingen, zoo wel tot de landloopers als bedelaars (art. 277 t/m art. 282)
De laatste groep artikelen (art. 277 t/m art. 282) betreffen vorderingen die betrekking hebben op zowel bedelarij als landloperij. Daarin werden ook enkele voorwaarden besproken die als verzwarende factoren konden meespelen:
- Indien de persoon vermomd was, of in bezit was van een geweer of ijzerwerk dat gebruikt kon worden voor diefstal of om huizen binnen te dringen, dan kon er een gevangenisstraf opgelegd worden van 2 tot 5 jaar.
- Indien de persoon in bezit van spullen met een waarde van meer dan 100 frank zonder te kunnen bewijzen hoe hij eraan was gekomen, waarop een gevangenisstraf stond van 6 maanden tot 2 jaar.
- Indien een persoon geweld had gebruikt, kon deze in het tuchthuis worden geplaatst. De duur was afhankelijk van de omstandigheden.
- Indien de persoon eerder een misdaad had gepleegd, dan werd een straf van dwangarbeid opgelegd en kon de persoon gebrandmerkt worden.
- Indien de persoon in het bezit was van valse getuigschriften, paspoorten of reisorders bij de arrestatie, dan kon de maximale straf worden opgelegd.
- Tot slot zouden de mensen na het uitzitten van hun straf ter beschikking gesteld worden van de ‘Hooge regering’ die het verdere gedrag evalueert en vervolgstappen bepaalt (zie ook 271).
Een groot aantal mensen werd op basis van deze wetsartikelen berecht. Deze werden vervolgens (deels) geciteerd in de vonnissen. In 'Landloperij in de Rechtbank van Eerste Aanleg in 's-Hertogenbosch' wordt besproken hoe wetten terugkeerden in de Brabantse strafrechtspraktijk.
Wie spreekt recht?
Dan resteert de vraag: wie sprak het vonnis uit op basis van deze wetsartikelen? Net zoals het nationaal strafwetboek waren ook de Brabantse rechterlijke instituties aanvankelijk grotendeels ingericht volgens het Franse systeem (in de periode 1811-1813). Deze instituties bleven ook na het vertrek van de Fransen - weliswaar in een licht aangepaste vorm - gehandhaafd tot 1838.[6]
Deze rechterlijke organisatie was geografisch verdeeld over kantons, arrondissementen en departementen, waarbij over het algemeen ieder kanton beschikte over een vrederechter, elk arrondissement over een Rechtbank van Eerste Aanleg en ieder departement over een Hof van Assisen.[7]
De vrederechters in het kanton richtten zich met name op de burgerlijke rechtspleging. Denk bijvoorbeeld aan vergoedingen van schade aan land, het stelen van appels, conflicten over perceelsgrenzen, arbeidsovereenkomsten, maar ook het bekrachtigen van getuigschriften. De vrederechter had vooral een belangrijke rol in de zogenoemde ‘preliminaire conciliatie’ (i.e. voorkomen dat een zaak voor de Rechtbank van Eerste Aanleg kwam). Hij moest tevens processen verbaal opmaken van alle misdaden en wanbedrijven die in het kanton gepleegd waren.
Elk arrondissement had een Rechtbank van Eerste Aanleg. Zij namen onder andere zaken in behandeling waarbij iemand in hoger beroep ging tegen de uitspraak van de vrederechter. De Rechtbank van Eerste Aanleg had twee kamers, een voor civiele zaken en een voor correctionele zaken. De correctionele kamer oordeelde over wanbedrijven waarop een maximale straf van 5 jaar was geëist.
De hoogste rechtbank van Brabant was het Hof van Assisen gevestigd in ‘s-Hertogenbosch. Hier stonden mensen terecht die werden beschuldigd van misdaden waar een lijf- of onterende straffen op stonden, denk aan roof, moord of diefstal. [8]
De verschillende rechterlijke instanties in Brabant hadden verschillende bevoegdheden, wat ten dele samenhing met de eerder besproken verdeling van misdaden in de drie categorieën. Hierbij gold in veel gevallen voor de periode van 1811-1838 dat het Hof van Assisen de misdaden in behandeling nam, de Rechtbanken van Eerste Aanleg de wanbedrijven en de vrederechter overtredingen. Dat houdt in dat we voor de periode 1811-1838 met name bij de vonnissen van de Rechtbanken van Eerste Aanleg zouden moeten kijken naar de berechting van landloperij – wat in de Code Pénal was bestempeld als wanbedrijf. Toch blijkt in de praktijk dat waarschijnlijk niet alle zaken daadwerkelijk voorkwamen. Dit komt verder aan bod in 'Landloperij in de Rechtbank van Eerste Aanleg in 's-Hertogenbosch'.
En daarna?
Bovengenoemde wetsartikelen in de Code Pénal zouden uiteindelijk tot 1886 gelden. Aanvankelijk dacht men dat een nieuw eigen ‘Nederlands’ strafwetboek snel zou volgen en het door de Fransen geïnstalleerde wetboek zou vervangen. Maar een nieuw strafwetboek liet nog lang op zich wachten. Er werden tussendoor wel enkele ontwerpen opgeworpen (onder andere in 1815, 1827 en 1842), waarin zowel de strafbaarstelling van landloperij en bedelarij opnieuw werd geformuleerd.[9] Ook zouden er in de loop van de negentiende eeuw tevens nog enkele aanvullingen en aanpassingen volgen op verschillende wetten zoals deze waren geformuleerd in de Code Pénal, waaronder nieuwe bepalingen wat betreft (maximale) straffen.[10]
Pas op 1 september 1886 werd het nieuwe Nederlands Wetboek van Strafrecht van kracht.[11] De oude eerdergenoemde driedeling (in misdrijven, wanbedrijven en overtredingen) verviel en werd vervangen door een nieuwe tweedeling: misdrijven en overtredingen. In het hoofdstuk betreffende overtredingen van de openbare orde werden zowel landloperij als bedelarij omschreven (artikel 432, 433, 434). Landloperij werd omschreven als ‘hij die zonder middelen van bestaan rondzwerft’, waarvoor een hechtenis stond van ‘ten hoogste twaalf dagen’ (art. 432). In het geval er drie of meer personen boven de zestien jaar betrokken waren, kon er een hechtenis opgelegd worden van hoogstens 3 maanden (art. 433). Daarna kon de persoon (indien deze kon werken) naar een Rijkswerkinrichting worden gestuurd (art. 434). Zo’n Rijkswerkinrichting was onder meer gevestigd in Veenhuizen, een oorspronkelijke Kolonie van Weldadigheid, die vanaf 1859 was overgenomen door de staat.[12]
Ook dit nieuwe wetboek was alles behalve onveranderlijk. Sinds de invoering zijn er nieuwe strafbepalingen bijgekomen, sommige zaken geschrapt of anders verwoord, of bepaalde sancties vervallen of juist opgenomen. Op deze manier schetst een wetboek een waardevol historisch overzicht van veranderingen in het denken over strafbare feiten en strafbepalingen. Het wetboek ziet er nu aanzienlijk anders uit dan in 1886.[13] Ook met betrekking tot artikel 432, 433, 434 – wat betreft landloperij en bedelarij - zijn er verschillende aanpassingen in de laatste eeuw doorgevoerd. Zo werd er bijvoorbeeld in 1911 bij artikel 432 toegevoegd dat souteneurs dezelfde straffen zouden ondergaan als landlopers en bedelaars en in 1984 werden geldboetecategorieën toegevoegd. Op 1 oktober 2000 kwamen de artikelen 432, 433 en 434 volledig te vervallen.[14] Deze geleidelijke decriminalisatie was al eerder ingetreden. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw werden er al nauwelijks meer vonnissen uitgevaardigd op basis van deze wetten.
Lees verder
Over plakkaten en ordonnanties in Brabant in de vroegmoderne periode
Broers, E-J (2006), ‘Van plakkaat tot praktijk. Strafrecht in Staats-Brabant in de zeventiende en achttiende eeuw (2e druk, Nijmegen 2006)
Over criminalisering en decriminalisering in historisch onderzoek
J.W. ter Avest & H. Roozenbeek (1990) Stigmatisering en strafrecht. De juridische positie van minderheden in historisch perspectief, Stichting Leidschrift, Leiden.
Over de ontwikkeling van het strafrecht in Nederland
Nieuwbeerta, P., Brood, P. & Martin Berendse, Nederlanders over de schreef. Historische Atlas van Misdaad en Straf. (Wbooks 2022) Faber, S., van Ruller, C. e.a., Criminaliteit in de negentiende eeuw. Hollandse Studiën. 22. (Uitgeverij Verloren, Hilversum).
Onderzoekgids voor regionaal historisch onderzoek met het oog op strafrecht en criminaliteit
H.A. Diederiks, S. Faber, A.H. Huussen jr., Strafrecht en criminaliteit. Cahiers voor lokale en regionale geschiedenis, De Walburg Pers, Zutphen en de aanvullingen hierop in Broncommentaren (dl. 7) van het Instituut voor Nederlandse geschiedenis, ‘Inleiding. De ontwikkeling van het strafrecht: de rechterlijke organisatie, de betrokken partijen en de procesgang vanaf 1811’, pp. 10-27.
Een overzicht van relevante (rechterlijke) instituties en gevangenissen in Brabant
Van der Heijden, W.G.M. & Sanders, J.G.M. (1993) Noord-Brabant in de negentiende eeuw: een institutionele handleiding. ’s-Hertogenbosch, Uitgeverij verloren. Deels online (opent in een nieuw tabblad).
In de bijlage van het onderzoek van de Haan vind je een overzicht van strafbepalingen, ontwerpen en aanpassingen in wetten met het oog op landloperij en bedelarij in de negentiende eeuw
Haan, de J.B. (1895), De Nederlandsche strafbepalingen tegen bedelarij en landlooperij: een historisch, statistisch en kritisch onderzoek. J. de Kruyff, Utrecht. Online (opent in een nieuw tabblad).
Bijlage. Relevante wetten m.b.t. bedelarij en landloperij (vertaling Bilderdijk)

Eindnoten
[1] Je leest meer over de in de vroegmoderne periode uitgevaardigde ordonnanties en de doorwerking ervan in de Brabantse (strafrechts)praktijk in o.a. Erik-Jan Broers (2006) Van plakkaat tot praktijk. Strafrecht in Staats-Brabant in de zeventiende en achttiende eeuw, Ars Aequi Libri, 2e druk, Nijmegen & Erik Jan Broers (2020) ‘Criminele vagebonden voor de rechter in Staats-Brabant en zijn grensgebieden’, Jaarboek De Achttiende Eeuw (1), pp. 71-83. Meer informatie over criminaliteit in deze periode (ca. 1400-1800), vind je o.a. Ferdinand Vanhemelryck (1984) Ellendelingen voor Galg en Rad 1400-1800, Uitgeverij de Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam & Florike Egmond (1994) Op het verkeerde pad. Georganiseerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden 1650-1800, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam.
[2] Criminalisering was ook het thema tijdens een reeks colleges sociale geschiedenis in Leiden in 1988/89. In deze reeks stond het historische strafrecht en de strafrechtspraktijk centraal met het oog op criminalisering en stigmatisering van specifieke groepen. Deze colleges zijn gepubliceerd in: J.W. ter Avest & H. Roozenbeek (1990) Stigmatisering en strafrecht. De juridische positie van minderheden in historisch perspectief, Stichting Leidschrift, Leiden.
[3] Zie voor de ontwikkelingen in het negentiende-eeuwse strafrecht o.a.: S. Faber, C. van Ruller, e.a., Criminaliteit in de negentiende eeuw, Hollandse Studiën 22, Uitgeverij Verloren, Hilversum.
[4] Dit dossier (BHIC. 1249.0509.6 (opent in een nieuw tabblad)) bevat de processtukken (inclusief vonnissen, verhoren en getuigenissen van het hele gezelschap: Margariet Le Clercq (ca. 55 jaar), Joseph Le Roi (56 jaar), Marie le Jeune (33 jaar) en Louise Le Mon (19 jaar), Marie Le Clercq (27), allen beschuldigd zonder pas, reden, verblijfplaats of middelen ‘het land herom gezworven’ te hebben. Margariet en Joseph werden tevens beschuldigd van diefstal. Het grootste gedeelte van het gezelschap werd verbannen. Margariet Le Clercq en Joseph Le Roi kregen een respectievelijk 1 en 2 jaar tuchthuisstraf opgelegd, alvorens ook te worden verbannen.
[5] Voor meer informatie over de organisatie van het Brabantse gevangenissysteem zie ook de zoekwijzer van het BHIC: Gevangenisarchieven tot 1940.
[6] Vanaf 1838 maakten de vrederechters, de Rechtbanken van Eerste Aanleg en het Hof van Assisen plaats voor kantongerechten, arrondissementsrechtbanken en provinciale gerechtshoven. Zie voor een overzicht van de Brabantse rechtbanken in latere periodes ook: Van der Heijden, W.G.M. & Sanders, J.G.M. (1993) Noord-Brabant in de negentiende eeuw: een institutionele handleiding. ’s-Hertogenbosch, Uitgeverij verloren.
[7] Voor een overzicht van de ontwikkelingen in het strafrechtsysteem vanaf 1811, zie o.a. de onderzoekgids van H.A. Diederiks, S. Faber, A.H. Huussen jr., Strafrecht en criminaliteit. Cahiers voor lokale en regionale geschiedenis, De Walburg Pers, Zutphen en de aanvullingen hierop in Broncommentaren (dl. 7) van het Instituut voor Nederlandse geschiedenis, ‘Inleiding. De ontwikkeling van het strafrecht: de rechterlijke organisatie, de betrokken partijen en de procesgang vanaf 1811’, pp. 10-27.
[8] Van der Heijden omschrijft overzichtelijk de werking van deze rechterlijke instanties in Brabant: Van der Heijden, W.G.M. & Sanders, J.G.M. (1993) Noord-Brabant in de negentiende eeuw: een institutionele handleiding. ’s-Hertogenbosch, Uitgeverij verloren.
[9] In de bijlage van de dissertatie van J. Bierens de Haan vind je een overzicht van deze ontwerpen. J. Bierens de Haan (1895), De Nederlandsche strafbepalingen tegen bedelarij en landlooperij : een historisch, statistisch en kritisch onderzoek. dissertatie. Online (opent in een nieuw tabblad).
[10] Zo werd bij een wet van 1854 van 29 juni onder meer toegevoegd dat de rechter kon bepalen om ‘landloopers en bedelaars na het uiteinde der gevangenisstraf naar een bedelaarsgesticht of werkhuis’ over te brengen maar dat dit verplicht was als de persoon in kwestie ooit eerder was veroordeeld. Zie: Wet van den 29 Junij 1854 (opent in een nieuw tabblad).
[11] Het nieuwe Wetboek van Strafrecht (opent in een nieuw tabblad) werd vastgesteld in maart 1881 (Staatsblad, no. 35) en trad op 1 september 1886 in werking met de invoeringswet. In de besprekingen voorafgaand aan de invoering werd ook het een en ander besproken wat betreft ‘landlooperij’. Het nieuwe wetboek gold samen met het Wetboek van strafvordering (opent in een nieuw tabblad) dat al eerder in werking was getreden.
[12] Zo zijn er van het einde van de negentiende eeuw (1869-1901) ook veel signalementskaarten (opent in een nieuw tabblad)beschikbaar en online doorzoekbaar gemaakt in het Drents Archief van mensen die naar de rijkswerkinrichting in Veenhuizen werden gestuurd. Je kunt tevens in de registers van alle Koloniën van Weldadigheid zoeken naar personen via: www.allekolonisten.nl (opent in een nieuw tabblad).
[13] De veranderingen in een wetboek bieden een interessant historisch verslag in het denken over strafbare feiten en strafbepalingen. Verschillende (rechts)historici zijn bezig deze veranderingen in het wetboek in kaart te brengen, zie o.a. Meesters, Nieuwbeerta & ten Voorde (2019), ‘De veranderingen en groei van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Een historische analyse van zijn externe structuur in de periode 1886-2017’, Proces (98) 5, pp. 364-379; Nieuwbeerta, P., & Meesters, M. (2021). ‘De ontwikkelingen van sanctienormen in het Wetboek van Strafrecht, 1886 – 2017’, In J. Altena, J. Cnossen, J. Crijns, P. Schuyt, & J. ten Voorde (Eds.), In onderlinge samenhang: Liber Amicorum Tineke Cleiren, pp. 237-252). Er wordt een bestand opgebouwd: het Historisch wetboek van Strafrecht (HWvSr).
[14] Zie voor overzicht van de verschillende versies (opent in een nieuw tabblad) (zie o.a. Staatsblad 1911, 130; Stb-1984-91; stb-1999-464 (opent in een nieuw tabblad)).
Naar het thema Landloperij in 19e eeuws Brabant
Ianthe van Beuningen