Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Artikel V - Visum repertum: Arts als getuige

In rechtszaken over seksueel geweld is bewijs altijd een lastige kwestie. Daarom werden, naast de verklaringen van het slachtoffer, de verdachte en omstanders, in sommige rechtszaken ook artsen gevraagd een getuigenis af te leggen. In veel rechtszaken met een jong slachtoffer waren het de ouders die naar een plaatselijke dokter stapten om bevestiging te krijgen van wat er met hun kind was gebeurd. Ook vanuit het gerechtelijk onderzoek werd soms een medisch onderzoek van het slachtoffer door een arts opgedragen. Het doel hiervan was ‘feitelijk’ bewijs te verzamelen van wat er tussen de verdachte en het slachtoffer had plaatsgevonden. In dit artikel ga ik in op welk bewijs werd verzameld en hoe belangrijk de getuigenis van een deskundige was voor de Brabantse rechtbank.

Leeswaarschuwing: In dit artikel worden citaten over seksueel geweld aangehaald. De beschrijvingen van deze gebeurtenissen door getuigen kunnen expliciete inhoud bevatten.

Arts (familie Klep) in spreekkamer. Arts zit op stoel en heeft boek in zijn handen. (Glasnegatief, ca. 1905-1920; Vervaardiger: Frans Klep. Bron: collectie Stedelijk Museum Breda, nr. GT03494 (opent in een nieuw tabblad))

In de 137 bestudeerde rechtszaken die in de periode 1850–1925 hebben plaatsgevonden, wordt in 19 rechtbankverslagen expliciet een arts, geneesheer, hoogleraar of apotheker genoemd als getuige. Dit relatief lage aantal zal in werkelijkheid waarschijnlijk hoger zijn geweest, maar van een groot deel van de dossiers is niet het gehele proces-verbaal bewaard gebleven. In de helft van de bestudeerde rechtszaken zijn in het verslag geen getuigen vermeld, of alleen de verklaringen van de verdachte en het slachtoffer opgenomen.                              

Forensische geneeskunde was in de negentiende eeuw nog geen specialisme. Meestal was het daarom de plaatselijke arts die het onderzoek uitvoerde. Wat een forensisch onderzoek inhield, was daardoor niet gestandaardiseerd. De uitkomsten van het onderzoek noteerde de arts in een ‘visum repertum’.[1] In de bestudeerde rechtszaken blijkt dat de bevindingen van de arts vaak als ‘deskundige’ getuigenis in het rechtbankverslag werden opgenomen. Het ‘visum repertum’ ontbreekt bij de meeste verslagen.

Om een verkrachting te kunnen veroordelen, was het in veel gevallen essentieel om aan te tonen dat er sprake was geweest van geweld. De taak van de arts was dus niet primair het aantonen van verkrachting zelf, maar eerder het zoeken naar sporen van geweld op het lichaam. Daar komt bij dat het aantonen van verkrachting een complexe kwestie was, aangezien de meningen verschilden over welke handelingen precies onder verkrachting vielen en welk bewijs daarvoor nodig was om verkrachting aan te tonen.

De wetgeving biedt hier weinig handvatten. Artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht uit 1886, dat betrekking heeft op verkrachting, luidt: ‘Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vrouw dwingt met hem buiten echt vleeschelijke gemeenschap te hebben, wordt als schuldig aan verkrachting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.’[2]

De focus ligt hierbij op geweld; een omschrijving welke handelingen precies moeten hebben plaatsgevonden, wordt hierin niet gegeven. Daarnaast waren uitspraken als ‘poging tot verkrachting’ en ‘feitelijke aanranding der eerbaarheid’ ook regelmatig voorkomend in de rechtbank. De precieze voorwaarden voor zo’n veroordeling stonden echter niet vast. Daarom werden artsen zowel gevraagd om algemene sporen van geweld te noteren als om indicaties op het lichaam vast te leggen die iets konden zeggen over de seksuele aard van het misdrijf. Een voorbeeld van hoe een verklaring van een arts is beschreven, is te lezen in het onderstaande citaat:

‘(...) Dat hij den 12 Juli des avonds de 3de getuige heeft onderzocht en bevonden dat zij rond haar hals en hare vrouwelijkheid roode plekken en nagel indrukken had, die hij beschouwde als afkomstig van gepleegd geweld, dat haar hymen intact was, maar dat zoowel uitwendig aan haar schaamdeel als inwendig tuschen de labia majora emminora zich bevond een op sperma gelijkend en door hem voor sperma gehouden vocht.’[3]

Dit is een getuigenverklaring van een arts die als deskundige was beëdigd in een rechtszaak bij de Arrondissementsrechtbank van ’s-Hertogenbosch in 1896. De dader werd veroordeeld omdat hij het slachtoffer met geweld of bedreiging had gedwongen ontuchtige handelingen te dulden. De getuigenis van de arts diende als bewijsmateriaal in de rechtszaak. In zijn verklaring gaat de arts eerst in op de sporen van geweld die op het lichaam van het slachtoffer zichtbaar waren. Vervolgens bespreekt hij zijn bevindingen met betrekking tot de seksuele aard van het delict.

De arts voerde zowel uitwendig als inwendig onderzoek uit. Tijdens het inwendig onderzoek was het hymen (het ‘maagdenvlies’) een belangrijke indicator. Volgens de negentiende-eeuwse forensische geneeskunde werd het hymen beschouwd als het belangrijkste teken van maagdelijkheid. Dit was echter problematisch, omdat het hymen ook door andere fysieke oorzaken beschadigd kon zijn, of juist intact kon blijven na seksuele gemeenschap. Hoewel sommige artsen dit probleem erkenden, is uit de rechtszaken terug te zien dat hun observaties sterk verschilden.[4] Hieruit blijkt opnieuw dat er geen uniforme standaard bestond waaraan de artsen zich moesten houden.

‘Niets abnormaals gevonden. Alleen was aan de binnen zijde van de linkergroote schaamlip een kleine bloeduitstorting onder het slijmvlies zichtbaar. Het hymen was volkomen gaaf. Er is naar mijn oordeel geen enkel teeken, dat Anna. B met eenig persoon vleeschelijke gemeenschap heeft gehad.’[5]

Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.289, rolnummer 176, Blz 1245

In deze verklaring betuigt de arts dat er bij het geslachtsdeel van het slachtoffer wel een kleine bloeduitstorting zichtbaar is, maar dat het hymen intact is. Hij concludeert daarop dat het onmogelijk is dat het slachtoffer seksuele gemeenschap heeft gehad. Deze verklaring springt eruit, omdat de meeste artsen in hun verklaringen proberen zo min mogelijk een oordeel te geven; hun verklaring gaat voornamelijk om het leveren van materieel bewijs op basis van hun observaties en niet om het geven van een oordeel over de rechtszaak. Een voorbeeld van hoe een arts zijn observatie verwoordt:

‘Overwegende dat die arts tevens als deskundige ter terechtzitting onder eede heeft verklaard dat voormelde wonde aan het hymen zeer goed kor te voren kon zijn veroorzaakt, dat voormeld excoriatie binnen de genitalia zeer waarschijnlijk met een stomp voorwerp als een vinger of penis is toegebracht en voormelde roode strepen en krab zeer waarschijnlijk door een nagel zijn veroorzaakt.’[6]

In deze verklaring benoemt de arts wat hij tijdens zijn onderzoek heeft geconstateerd. Hij verbindt deze observaties met de aanklacht, maar doet hier geen definitieve uitspraak. Verder dan het aangeven van ‘waarschijnlijkheden’ gaat de arts niet. Dit is terug te zien in vrijwel alle negentien getuigenverklaringen van artsen en wordt ook onderschreven door Willemijn Ruberg in haar artikel over forensische geneeskunde in Nederlandse verkrachtingszaken in de negentiende eeuw, waarin zij haar onderzoek baseerde op rechtszaken uit Noord-Holland.[7]

Microscopisch onderzoek

Artsen voerden niet alleen lichamelijk onderzoek uit, maar hadden in sommige gevallen ook de taak de kleding van het slachtoffer te onderzoeken. De arts controleerde de kleding op sporen van bloed en sperma. Om vast te stellen of er sperma aanwezig was, werd soms gebruikgemaakt van microscopisch onderzoek.[8] Het inzetten van dit soort onderzoek als bewijslast in een rechtszaak stond in de periode 1850–1925 nog in de kinderschoenen. Soms was het slechts een constatering door de arts zelf, die ook het lichamelijk onderzoek bij het slachtoffer had uitgevoerd.

‘Ik vond in het hemd geen sperma, maar wel in den rok en zulks met zekerheid. De sperma zat op de onderste helft van den rokken wel aan de binnenzijde. Noch in het hemd noch in den rok waren scheuren aanwezig.’[9]

Justitieel expert en criminalist dr. C.J. van Ledden Hulsebosch
in zijn laboratorium, Nieuwendijk 17, Amsterdam, 13 maart 1947
(Foto: Ben van Meerendonk / AHF, collectie IISG, Amsterdam)

Maar soms werd ook een gespecialiseerde onderzoeker bij het onderzoek betrokken. Zo wordt in een rechtszaak uit 1909 Christiaan Jacobus van Ledden Hulsebosch uit Amsterdam gevraagd het hemd van het slachtoffer te onderzoeken. In het rechtbankverslag wordt hij omschreven als scheikundige en apotheker. Tegenwoordig kennen we hem als pionier in het forensisch onderzoek en als stichter van de eerste school voor wetenschappelijk politieonderzoek.[10] Hij vind in het hemd ‘een paar dozijn spermatozoïden.’ [11] Het wetenschappelijk aantonen van de aanwezigheid van sperma op de kleding van de verdachte of het slachtoffer bevestigde dat er seksueel contact had plaatsgevonden. Op basis hiervan kon echter niet worden geconcludeerd welke handelingen precies hebben plaatsgevonden en of deze onder dwang zijn uitgevoerd.

Wat vond de rechtbank?

Artsen konden geen definitief uitsluitsel geven over wat er precies had plaatsgevonden. Hoe ging de rechtbank vervolgens om met hun verklaring? De rechtbank beschouwde de verklaringen van artsen als een ‘feitelijk’ en ‘wetenschappelijk’ verslag van de gebeurtenissen:

'Overwegende dat daar het boven omschrevene door redenen van wetenschap en kunst gestaagde oordeel van eden deskundige door de rechtbank wordt overgenomen en tot hare gemaakt, door beklaagden gerechtelijke bekentenis bevestigd.'[12]

Zoals uit het rechtbankverslag blijkt, ziet de rechtbank de verklaring van de arts als een wetenschappelijke beschouwing. Dit betekende echter niet dat de verklaring van de arts het oordeel van de rechtbank kon overstijgen. De artsen waren er om vanuit hun expertise een observatie van de situatie te geven, maar het was aan de rechters om te bepalen in hoeverre zij hier belang aan hechtten bij de beoordeling van de zaak. Ook waren de verklaringen van de artsen niet per se belangrijker dan andere bewijsstukken en getuigenverklaringen.[13]

Concluderend kon de verklaring van artsen een belangrijk ondersteunend bewijsstuk zijn, zeker in rechtszaken waarin andere getuigen ontbraken. Eén punt dat ik tot slot graag wil benadrukken, is het perspectief van het slachtoffer. Dit ontbreekt in de verklaringen van de artsen volledig. Hoe het met het slachtoffer ging en of er nazorg werd geboden, wordt niet genoemd in de verslagen. Wel is terug te lezen dat het slachtoffer tijdens de inwendige onderzoeken die de artsen afnamen, geregeld aangaf pijn te ervaren.

‘Bij inwendige schouwing, dat de opening van de schede zeer pijnlijk en verwijd was, dat de wijsvinger daarin, hoewel niet zonder pijn, kan worden gebracht, de kleine vinger gemakkelijker, hetgeen als boven beschreven toestand.’[14]

Dit citaat is afkomstig uit een verklaring van een arts die een veertienjarig slachtoffer onderzocht. Eerder in het verslag schrijft hij dat de geslachtsdelen van het slachtoffer nog in ‘kinderlijke toestand’ waren; dit hield hem echter niet tegen om een uitgebreid inwendig onderzoek uit te voeren. Dat slachtoffers van seksueel geweld na hun waarschijnlijk traumatische ervaring dit moesten doorstaan, is vanuit hedendaags perspectief schokkend. Tegelijkertijd weerspiegelt het de stereotiepe, klinische blik van zowel de negentiende-eeuwse artsen als de rechtbank op seksueel geweld.

Marinka van Dijk, maart 2026

Bronnen

Archieven

Literatuur

  • Ruberg, Willemijn. “Onzekere Kennis. De Rol van Forensische Geneeskunde en Psychiatrie in Nederlandse Verkrachtingszaken (1811–1920).” TSEG - The Low Countries Journal of Social and Economic History 9, no. 1 (2012): 87–110. https://doi.org/10.18352/tseg.252
  • Ruberg, Willemijn. "The Tactics of Menstruation in Dutch Cases of Sexual Assault and Infanticide, 1750-1920." Journal of Women's History 25, no. 3 (2013): 14-37. https://dx.doi.org/10.1353/jowh.2013.0032.
  • Snelders, H.A.M. “Ledden Hulsebosch, Christiaan Jacobus.” Biografisch Woordenboek van Nederland 1880–2000. Huygens Instituut. https://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn2/ledden.

Noten

[1] Willemijn Ruberg, “Onzekere Kennis. De Rol van Forensische Geneeskunde en Psychiatrie in Nederlandse Verkrachtingszaken (1811–1920),” TSEG - The Low Countries Journal of Social and Economic History 9, no. 1 (2012): 90, https://doi.org/10.18352/tseg.252.
[2] Wetboek van Strafrecht, 1886, Nederland, Blz 64.
[3] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.310, rolnummer 142,  Blz 730.
[4] Ruberg, ‘Onzekere Kennis,’ 94-95.
[5] Strafvonnissen Breda 23.270, rolnummer 681, Blz 524.
[6] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.289, rolnummer 176, Blz 1245 .
[7] Ruberg,  ‘Onzekere Kennis,’ 100.
[8] Bijvoorbeeld in deze rechtszaak: Strafvonnissen Breda 23.270, rolnummer 681, Blz 524.
[9] Strafvonnissen Breda 23.270, rolnummer 681, Blz 524.
[10] H.A.M. Snelders, “Ledden Hulsebosch, Christiaan Jacobus,” Biografisch Woordenboek van Nederland 1880–2000, Huygens Instituut, https://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn2/ledden.
[11] Arrestsen Gerechtshof 22.159, rolnummer 6904, Blz 198.
[12] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.289, rolnummer 176, Blz 1245
[13] Ruberg, “Onzekere Kennis, ‘100.
[14] Strafvonnissen 's- Hertogenbosch 24.163, rolnummer 155, Blz 824.

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Artikel V - Visum repertum: Arts als getuige | BHIC