Artikel III - Wat zou jij doen? Handelen van omstanders
Wat zou jij doen als je ziet of vermoedt dat er sprake is van seksueel geweld? In 2025 laaide deze discussie opnieuw op na Koningsdag, toen het nieuws naar buiten kwam over de verkrachting van een vrouw in Amsterdam tijdens het feestgedruis. Een man verkrachtte een vrouw aan de Keizersgracht, tussen geparkeerde auto’s. De vrouw was dronken en niet in staat zich te verzetten. Via verschillende sociale mediaplatforms, waaronder Snapchat, circuleerden beelden van de verkrachting. Hoewel er veel omstanders aanwezig waren, werd er niet meteen gereageerd. Uiteindelijk was het een groep vrouwen die ingreep. Zij schreeuwden dat de man van haar af moest gaan, maakten schoppende bewegingen in zijn richting en spoorden andere omstanders aan de politie te bellen.[1]

Leeswaarschuwing: In dit artikel worden citaten over seksueel geweld aangehaald. De beschrijvingen van deze gebeurtenissen door getuigen kunnen expliciete inhoud bevatten.
Uit onderzoek van Ipsos naar ongewenst seksueel gedrag in de publieke ruimte blijkt dat de helft van de mannen tussen de 16 en 25 jaar in 2024 getuige was van een vorm van ongewenst seksueel gedrag op straat, zoals het naroepen van vrouwen met seksuele of anderszins beledigende opmerkingen, of het betasten, achternalopen, nafluiten, in het nauw drijven of filmen van vrouwen. De meeste van deze jonge mannen (77%) grepen in zulke situaties niet in. De meerderheid gaf aan dat zij de situatie niet ernstig of belangrijk genoeg vonden om in te grijpen. Een kwart wist naar eigen zeggen niet wat zij moesten doen, terwijl ongeveer twintig procent aangaf bang te zijn om zelf negatief benaderd te worden. Hoewel dit onderzoek geen inzicht biedt in hoe deze groep zou handelen bij een verkrachting, schetst het wel een duidelijk beeld van hoe wordt omgegaan met andere vormen van ongewenst seksueel gedrag, die potentieel kunnen escaleren.[2]
Het onderzoeken van de reactie van omstanders op seksueel geweld en intimidatie zegt veel over de bredere maatschappelijke houding ten opzichte van deze problematiek. Vanuit de constatering dat ook vandaag de dag veel mensen niet weten hoe zij seksueel geweld moeten signaleren of hoe zij adequaat kunnen handelen, rijst de vraag hoe mensen vroeger reageerden. Aan de hand van mijn casestudy van 137 rechtszaken die zich tussen 1850 en 1925 in Brabant hebben afgespeeld, onderzoek ik deze vraag.
Vragen die hierbij naar voren komen, zijn: wordt seksueel geweld of intimidatie überhaupt als een maatschappelijk probleem erkend? En wordt het gezien als een verantwoordelijkheid van de samenleving als geheel, of vooral als een individuele kwestie van het slachtoffer? Hoewel dit onderzoek geen representatief beeld kan bieden van de houding van de gehele Brabantse samenleving, biedt deze casestudy wel inzicht in het handelen van mensen bij seksuele delicten in de periode 1850–1925, een aspect dat nog niet eerder is onderzocht. Een breder onderzoek op basis van deze broncasus is bovendien slechts beperkt mogelijk, aangezien in lang niet alle rechtszaken directe getuigen aanwezig waren bij het delict. In een nog kleiner aantal zaken bevatten de verslagen informatie over hun overwegingen om al dan niet in te grijpen.
In de bestudeerde rechtszaken was in enkele gevallen een getuige aanwezig die het delict heeft waargenomen. Hun getuigenissen bieden verschillende perspectieven op de houding tegenover seksueel geweld tussen 1850 en 1925. In de rechtszaak van Cornelia B. is een buurman getuige van het incident. In 1911, in het dorp Hoeven, wordt Cornelia tijdens het uit de weide halen van de koeien aangesproken door Cornelis H. Hij komt naar haar toe met de vraag: ‘Mag ik eens?’ Cornelia wil weglopen, maar Cornelis gooit haar op de grond. Een buurman krijgt een deel van de gebeurtenissen mee. In het proces-verbaal getuigt hij:
"Ik wist dat Cornelia Buyen omstreeks dien tijd de koeien moest halen en dat wegje moet passeren dat ik, het is zeker een jongen, die met dat meisje vrijen wil en nam er dan ook zo zeer geen notitie van."[3]
In dit citaat komen verschillende interessante aspecten naar voren. Uit de overige delen van het rechtbankverslag blijkt niet dat Cornelia een losbandige reputatie had. Toch maakt de buurman in zijn verklaring geen kanttekening bij het feit dat een jongen vermoedelijk gemeenschap met haar wilde hebben. Zijn houding kan worden omschreven als passief en terughoudend. Dit weerspiegelt een bredere negentiende-eeuwse opvatting waarin, ondanks de strikte normen en waarden rondom seksualiteit, dergelijke kwesties primair als privéaangelegenheden werden beschouwd.[4] Het gedrag kon weliswaar worden afgekeurd, maar men voelde zich niet vanzelfsprekend verantwoordelijk om in te grijpen.
Een ander opvallend aspect van het citaat is het taalgebruik. De vermeende gemeenschap wordt beschreven in actieve bewoordingen vanuit het perspectief van de dader, Cornelis. De handeling wordt gepresenteerd als iets wat Cornelis wilde; de vraag of Cornelia hiermee instemde en dit ook wilde, wordt in de verklaring van de buurman niet van belang geacht. Dit blijkt nog duidelijker uit een daaropvolgende passage uit zijn verklaring.
"Ik hoorde dat zij luide keels zeide: ga weg. Deze gezegden herhaald zij herhaalde malen. Ik had aanvankelijk plan om erna toe te gaan, daar ik nog dacht aan den kortgeleden gepleegde moord te Standdaarbuiten, doch om welke reden ik zulk niet gedaan heb weet ik niet."[5]

Hoewel de buurman de intenties van de jongen vermoedde en Cornelia meerdere malen hoorde roepen dat hij weg moest gaan, kwam hij niet in actie. Aanvankelijk had hij overwogen erheen te gaan, mede omdat kort daarvoor in een nabijgelegen dorp een moord was gepleegd. Hieruit blijkt dat, als hij al zou hebben ingegrepen, dit eerder gemotiveerd zou zijn uit angst voor geweld dan door bezorgdheid over mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag tegenover Cornelia, ondanks dat hij de intenties van Cornelis al vermoedde. Hoewel de buurman tijdens het delict niet ingreep, droeg zijn verklaring uiteindelijk wel bij aan de veroordeling. Cornelis Hoefnagels werd schuldig bevonden aan ‘feitelijke aanranding der eerbaarheid’ en veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf.
In 1886 wordt de achtjarige Adriana V. op de heide bij Schaijk seksueel misbruikt door de vijfendertigjarige Hendrikus B. Twee omstanders die zich eveneens op de heide bevinden, treden in de rechtszaak op als belangrijke getuigen. In het rechtbankverslag staat: ‘Dat zij op een afstand van 60 passen hebben gezien en waargenomen.’ Mede op basis van hun aanwezigheid en de verklaringen die zij hebben afgelegd, wordt Hendrikus veroordeeld wegens ‘feitelijkheden tegen de eerbaarheid’ en krijgt hij een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd. De getuigen verklaren te hebben gezien hoe de dader het slachtoffer benaderde.
"Dat de beklaagde naast haar ging zitten en haar onderlijf en zijne mannelijkheid ontblootte, dat het kind herhaaldelijk wilde weggaan."[6]
De getuigen omschrijven dat het om een seksuele benadering vanuit de verdachte gaat, dat het slachtoffer een kind is en dat zij meerdere malen probeert weg te komen. De getuigenis gaat verder:
"Dat beklaagde alstoen met zijn ontblootte mannelijkheid op het bloote onderlijf van gemeld kind is gaan liggen en vrij lang, zeker 3 a 4 minuten, daar op gelegen heeft."[7]
De getuigen beschrijven het verloop van het delict. Hoewel zij constateren dat de dader gedurende ongeveer drie à vier minuten op het slachtoffer ligt, valt in het verslag niet terug te lezen dat één van hen aanstalten maakte om in te grijpen. Het is wel van belang te vermelden dat in het bewaarde rechtbankverslag niet is opgenomen wie deze getuigen precies waren; zij worden enkel aangeduid als ‘getuige 1’ en ‘getuige 2’. Het uitgebreide proces-verbaal waarin deze informatie mogelijk was opgenomen, is niet bewaard gebleven. Op basis van deze gebeurtenis zou verondersteld kunnen worden dat de getuigen minderjarigen of vrouwen waren, en om die reden niet durfden in te grijpen. De aanname dat het om minderjarigen ging, lijkt echter minder aannemelijk, aangezien de getuigen onder ede zijn gehoord (minderjarige getuigen werden over het algemeen buiten eed gehoord door de rechtbank). Uit het volgende extract blijkt bovendien dat zij uiteindelijk wel tot ingrijpen zijn overgegaan.:
"Toen het kindje eenigzins op zijde lag zelfs getracht heeft zijn mannelijkheid langs achteren tuschen hare beentjes in te dringen, dat zij daar op naar beklaagde zijn gegaan, waarop hij opstond."[8]
Uit deze passage blijkt dat de getuigen uiteindelijk wel hebben ingegrepen, ook al was dit pas enige tijd nadat de dader het slachtoffer voor het eerst had aangegrepen. In tegenstelling tot de eerder besproken rechtszaak bevat dit rechtbankverslag geen nadere toelichting op hun overwegingen om al dan niet in te grijpen. Wel valt uit de beschrijving af te leiden dat het handelen van de dader op een bepaald moment aanleiding gaf om alsnog in actie te komen. Wat precies de doorslaggevende factor was, blijft echter onduidelijk en kan slechts worden gespeculeerd. Deze casus bevestigt daarmee opnieuw dat onmiddellijk ingrijpen kennelijk niet vanzelfsprekend was.
In de rechtszaak van Lamberdina D. in 1925 was er een getuige aanwezig bij het delict, waarvan de gedachten wel in het proces-verbaal zijn opgenomen. Lamberdina werd in haar eigen woning in het dorp Best aangevallen door haar zwager, Theodorus E. Theodorus greep Lamberdina gewelddadig en dreigde: ‘Ik moet je neuken, of je het graag hebt of niet, anders gaat het met geweld.’[9] Lamberdina verzette zich hevig en er ontstond een worsteling. De politie kwam ter plaatse en betrapte de dader op heterdaad. Over het delict en de bevindingen van de politieambtenaar is terug te lezen in het rechtbankverslag:
"Blijf maar even stil staan, dan zal ik het wel staande doen, waarna hij haar met geweld eerst tegen den muur en daarna tegen de tafel zette, terwijl hij zijn geslachtsdeel uit zijn broek had en probeerde om haar van voren of van achteren te gebruiken, maar dat zij schreiende weerstand bleef bieden; dat hij, relatant, daarna tevoorschijn is gekomen, omdat de vrouw er uitzag als uitgeput en zich niet meer te kunnen verdedigen."[10]
Uit het verslag wordt niet duidelijk op welke wijze de politieambtenaar precies ter plaatse is gekomen. Het is onbekend of hij was ingelicht of dat hij toevallig langs liep en op het geschreeuw afkwam. Uit zijn verklaring valt echter af te leiden dat hij de situatie eerst observeerde voordat hij ingreep. Hij trad pas op toen hij oordeelde dat de vrouw te uitgeput was om zichzelf nog te verdedigen. Deze formulering in het verslag is opvallend: zijn rechtvaardiging voor het ingrijpen was niet dat hij getuige was van een seksueel geweldsdelict dat onmiddellijk moest worden beëindigd, maar dat hij inschatte dat de vrouw niet langer in staat was zichzelf te verdedigen.
Bij alle drie de delicten blijkt een zekere afstandelijkheid van de omstanders. Van het slachtoffer werd verwacht dat zij zichzelf zou verdedigen en haar grenzen zou stellen. De verantwoordelijkheid werd dus in eerste instantie bij het slachtoffer gelegd. Dit betekent niet dat in geen enkele zaak direct werd ingegrepen. In een van de rechtbankverslagen over het twaalfjarige slachtoffer Petronella K. blijkt dat haar moeder onmiddellijk in actie kwam, nadat zij door een buurvrouw was gewaarschuwd over het delict en de dader op heterdaad betrapte. Tegelijkertijd laat dit verslag zien dat de buurvrouw, hoewel zij als eerste getuige van het voorval optrad, zelf niet direct ingreep. Zij koos ervoor de moeder te waarschuwen, die vervolgens wel onmiddellijk handelde.[11]
Concluderend, de algemene tendens uit de geanalyseerde rechtbankverslagen is dat de delicten veelal als privékwesties werden beschouwd, waarbij omstanders zich zo min mogelijk mengden. Uit de rechtszaken blijkt dat van slachtoffers werd verwacht dat zij zichzelf moesten verdedigen; pas wanneer het echt noodzakelijk was, voelden buitenstaanders de noodzaak om in te grijpen. In gevallen waarin de omstanders een directere relatie tot het slachtoffer hadden, lag dit anders en ondernamen zij eerder actie.
Marinka van Dijk, maart 2026
Bronnen
Archieve
- BHIC, Database ‘Criminele Vonnissen (opent in een nieuw tabblad),’ Delict: verkrachting+aanverwante delicten, periode: 1850-1925.
Literatuur
- But, Roxanne. “‘He Said He Was Going on the Scamp’: Thieves’ Cant, Enregisterment and the Representation of the Social Margins in the Old Bailey Sessions Papers.” Journal of Historical Sociolinguistics 3, no. 2 (2017): 151–172. https://doi.org/10.1515/jhsl-2017-1001.
- D’Cruze, Shani. “Approaching the History of Rape and Sexual Violence: Notes towards Research.” Women’s History Review 1, no. 3 (1993): 377–389. https://doi.org/10.1080/09612029300200016.
- Ipsos I&O. Definitieve rapportage: Ongewenst seksueel gedrag in de publieke ruimte. Rapportnr. 2024/070. In opdracht van Plan International. April 2024. https://206.wpcdnnode.com/ipsos-publiek.nl/wp-content/uploads/2024/04/definitieve-rapportage-ongewenst-seksueel-gedrag-in-de-publieke-ruimte-ipsos-io.pdf.
- Lindenberg, Kai. “The Netherlands.” In Consent and Sexual Offences: Comparative Perspectives, edited by E. Hoven and T. Weigend, 211–230. Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft mbH & Co. KG, 2022. https://doi.org/10.5771/9783748930242-211.
- NOS. “Jaar cel voor verkrachting op Koningsdag in Amsterdam.” NOS Nieuws, October 23, 2025. https://nos.nl/artikel/2587518-jaar-cel-voor-verkrachting-op-koningsdag-in-amsterdam.
- Wilkinson, E. Clare. “‘Real Rape’ and the Coverage of Sexual Violence in Dutch Newspapers, 1880 to 1930.” Women’s History Review (2022): 1–22. https://doi.org/10.1080/09612025.2022.2088086.
Noten
[1] ‘Jaar cel voor verkrachting op Koningsdag in Amsterdam,’ NOS Nieuws, 23 oktober 2025, https://nos.nl/artikel/2587518-jaar-cel-voor-verkrachting-op-koningsdag-in-amsterdam.
[2] Ipsos I&O, Definitieve rapportage: Ongewenst seksueel gedrag in de publieke ruimte, rapportnummer 2024/070, april 2024, in opdracht van Plan International, https://206.wpcdnnode.com/ipsos-publiek.nl/wp-content/uploads/2024/04/definitieve-rapportage-ongewenst-seksueel-gedrag-in-de-publieke-ruimte-ipsos-io.pdf.
[3] Strafvonnissen Breda 23.404, rolnummer 1606, Blz 662.
[4] Kai Lindenberg, “The Netherlands,” in Consent and Sexual Offences: Comparative Perspectives, ed. E. Hoven and T. Weigend (Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft mbH & Co. KG, 2022), 214, https://doi.org/10.5771/9783748930242-211.
[5] Strafvonnissen Breda 23.404, rolnummer 1606, Blz 662.
[6] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.196, rolnummer 57, Blz 470.
[7] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.196, rolnummer 57, Blz 471.
[8] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.196, rolnummer 57, Blz 471.
[9] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.646, rolnummer, Blz 388.
[10] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.646, rolnummer, Blz 389.
[11] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 22.125, rolnummer 24, Blz 210.