Artikel I - Wie waren de slachtoffers en daders?
‘Een meisje beneden de twaalf jaren.’ In de rechtbankverslagen komt deze omschrijving vaak voor in uitspraken van de rechtbank over zaken aangaande seksueel geweld. Maar waarom is dat zo? Dit artikel gaat in op wie de slachtoffers en de verdachten waren van seksueel geweld in de periode 1850-1925 in Noord-Brabant. Wat was hun leeftijd? En waarom was die zo belangrijk voor een veroordeling? Ook wordt onderzocht uit welke sociale klasse zowel de slachtoffers als de daders kwamen.
Leeftijd
De Nederlandse regelgeving probeerde zich zo min mogelijk te mengen in de seksuele relaties van de bevolking. De veronderstelling was dat alleen degenen die zichzelf niet konden beschermen, door de wet beschermd moesten worden. Binnen deze wetgeving waren kinderen, mensen met een verstandelijke beperking en slachtoffers in een afhankelijke positie het beste beschermd ten opzichte van de dader.[1] Vanuit deze vooronderstelling had ik de hypothese geformuleerd, dat de rechtszaken voornamelijk jonge slachtoffers zouden betreffen, aangezien deze groep het beste door de wet werd beschermd en de kans op een succesvolle vervolging daardoor groter was. Ik heb dit op basis van het onderzoek echter niet kunnen bevestigen.


De gegevens in de grafieken zijn afkomstig uit de 137 onderzochte rechtszaken die in de periode 1850-1925 in Noord-Brabant hebben plaatsgevonden. In 43% van deze rechtszaken werd de leeftijd van het slachtoffer niet genoemd. Dit betekent echter niet dat er niets over deze groep kan worden gezegd. De leeftijd was in rechtszaken met minderjarige slachtoffers van groot belang, aangezien deze de uitspraak kon beïnvloeden, op grond van de artikelen 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht uit 1886.
Artikel 244: ‘Hij die vleeschelijke gemeenschap heeft met een meisje benden den leeftijd van twaalf jaren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.’
Artikel 245: ‘Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw die den leeftijd van twaalf, maar nog niet dien van zestien heeft bereikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.’
Het is dan ook aannemelijk dat, wanneer het in een rechtszaak om een minderjarig slachtoffer gaat, dit expliciet wordt benoemd en dat de zaken waarin dit niet het geval is, vaak betrekking hebben op volwassen slachtoffers. Deze stelling kan verder worden ondersteund door het feit, dat in de verslagen waarin de leeftijd niet expliciet wordt vermeld, soms wel wordt aangegeven dat het slachtoffer een gehuwde vrouw is of was.

Uit de gegevens blijkt dat er geen verband kan worden gelegd tussen de leeftijd van de slachtoffers en het slagingspercentage van de rechtszaken. Wat wel opvalt, is dat het algemene veroordelingspercentage van de bestudeerde rechtszaken relatief hoog ligt.
Verdachten
Om een beter beeld te krijgen van wie de verdachten in deze rechtszaken waren, is ook hun leeftijd in kaart gebracht. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de meerderheid van de verdachten volwassen was. Daarnaast laten de verzamelde gegevens zien dat in de meeste rechtszaken waarin de exacte leeftijd van zowel het slachtoffer als de verdachte bekend was, de verdachte ouder was dan het slachtoffer. Dit leeftijdsverschil wijst op een structureel machtsverschil tussen beide partijen, wat van invloed kan zijn geweest op de aard en het verloop van het gepleegde geweld.

Een klein deel van de verdachten was jonger dan zestien jaar. In de onderzochte periode (1850-1925) is een verschuiving waarneembaar in de wijze waarop de jonge leeftijd van verdachten wordt beoordeeld. Zo werd in 1879, in de rechtszaak tegen de veertienjarige Johannes R., zijn jeugdige leeftijd als een verzachtende omstandigheid aangemerkt. Hierdoor kreeg hij een gevangenisstraf van drie maanden in plaats van zes, ondanks dat de verkrachting bewezen werd bevonden. Ook in de rechtszaak tegen de vijftienjarige Jan V. in 1884 werd zijn leeftijd meegenomen als een belangrijke factor in de uitspraak. Omdat de dader jonger was dan zestien jaar en over werk en inkomen beschikte, werd plaatsing in een beterhuis niet zinvol geacht. In deze zaak, die betrekking had op de aanranding van de zevenjarige Wilhelmina K., volgde uiteindelijk vrijspraak.

Bij de veroordelingen werd niet alleen rekening gehouden met de leeftijd van de verdachte, maar ook met diens toekomstperspectief. Op basis hiervan werd in sommige gevallen de straf verminderd of volgde zelfs vrijspraak. Dit wijst erop dat de rechtbank in de loop van de negentiende eeuw steeds nadrukkelijker nadacht over de invloed die een straf zou hebben op het verdere leven van de dader.[2] Of een vergelijkbaar toekomstperspectief ook op de slachtoffers werd toegepast, is minder duidelijk. Hoewel seksuele delicten tegen minderjarigen volgens het Wetboek van Strafrecht zwaarder bestraft dienden te worden, blijkt uit de rechtbankverslagen weinig tot geen expliciete aandacht voor de gevolgen van deze misdrijven voor de toekomst van de slachtoffers. Deze overweging lijkt voornamelijk te zijn voorbehouden aan de verdachte.
Sociale klasse
Tijdens het onderzoek is ook gekeken naar de sociale klasse van de verdachte, om te onderzoeken of deze van invloed was op het verloop en de uitkomst van de rechtszaak. Historisch gezien bestaat er een contrasterend beeld met betrekking tot seksueel geweld en sociale klasse. Gewelddadig seksueel gedrag werd doorgaans geassocieerd met mannen uit de lagere sociale klassen, terwijl bij mannen van hogere stand een dergelijke brute vorm van geweld tegenover vrouwen als ondenkbaar werd beschouwd. Tegelijkertijd werd seksueel grensoverschrijdend gedrag vanuit hogere sociale kringen soms juist gelegitimeerd of gezien als een ‘recht’ dat men meende te hebben.[3]
Voor vrouwelijke slachtoffers was het in de praktijk moeilijk en soms vrijwel onmogelijk, om een dader van een hogere sociale komaf succesvol te vervolgen. In de bestudeerde rechtszaken blijkt dat vrijwel alle verdachten afkomstig waren uit de lagere sociale klassen. Ongeveer 75% van hen was werkzaam als landbouwer of arbeider. De overige verdachten oefenden een ambacht uit, terwijl slechts enkelen tot een economisch hogere klasse behoorden, bijvoorbeeld vanwege hun beroep als ambtenaar.[4]
Bij de slachtoffers is het lastiger om hun sociale stand vast te stellen, aangezien niet standaard wordt vermeld of ze een beroep hadden. Bovendien hadden veel vrouwen geen vast of ‘officieel’ beroep. Desondanks blijkt uit de getuigenissen van de slachtoffers dat veel incidenten plaatsvonden terwijl ze aan het werk waren op het land. Ook zijn zaken aangetroffen waarbij het delict plaatsvond toen het slachtoffer te voet onderweg was. Hieruit kan worden afgeleid dat een groot deel van de vrouwelijke slachtoffers afkomstig was uit de lagere sociale klassen.
In enkele rechtszaken komt naar voren dat de hogere sociaaleconomische positie van de verdachte een rol speelde in de beoordeling van de zaak. Zo stond Dirk K. terecht voor een poging tot verkrachting van Catharina S. in een trein, een misdrijf dat hij pleegde terwijl hij werkzaam was als conducteur.[5] In het rechtbankverslag wordt expliciet belang gehecht aan zijn functie bij de Staatsspoorwegen, waar hij bekendstond als een ijverig en plichtsgetrouw ambtenaar. Daartegenover wordt vermeld dat Catharina in de derde klasse reisde. De goede reputatie van de verdachte en het door hem getoonde berouw leidden in deze zaak tot een strafvermindering van vier maanden, waardoor uiteindelijk een gevangenisstraf van acht maanden werd opgelegd.
Een andere interessante rechtszaak is die van Willem G., die tijdens zijn dienst als gemeenteveldwachter ontucht pleegde met de gedetineerde Maria G. in het arrestenlokaal.[6] Zij was opgepakt voor diefstal en werd vastgehouden in het arrestenlokaal in Oss, waar Willem verantwoordelijk voor haar toezicht was.[7] Nadat hij haar drinken en later boterhammen had gebracht, ging hij opnieuw naar haar cel, maar ditmaal met andere intenties. Zijn collega hoorde wat er gebeurde en kwam naar de cel toe. Uiteindelijk werd Willem veroordeeld voor ‘het plegen van ontucht met een persoon die onder zijn waakzaamheid was toevertrouwd’. Hiervoor kreeg hij één jaar gevangenisstraf en werd hij uit zijn functie ontslagen.
Dat deze vervolging mogelijk was, is voor die tijd eigenlijk bijzonder. Maria had vanwege de door haar gepleegde diefstal geen goede reputatie in de ogen van de rechtbank, terwijl Willem een ambtenaar was en daardoor automatisch een hogere sociale positie had. Dat deze zaak, die zich afspeelde in 1890, toch tot een veroordeling leidde, kwam door een toevoeging in de wetgeving van het nieuwe Wetboek van Strafrecht van 1886. Hierin werden onzedelijke handelingen, uitgevoerd door een persoon in een autoritaire positie ten opzichte van het slachtoffer, strafbaar gesteld (artikel 249). In de Code Pénal was een vergelijkbaar artikel opgenomen (artikel 333), dat gezaghebbenden over het slachtoffer bij verkrachting strafbaar stelde. Volgens de Code Pénal moest verkrachting echter met geweld zijn gepleegd. Dit zou vervolging in de zaak van Willem en Maria niet mogelijk hebben gemaakt, aangezien daarvan niet nadrukkelijk sprake was.
Kortom, uit de 137 onderzochte rechtszaken blijkt dat het niet alleen draaide om de vraag wát er gebeurd was, maar vooral om wie erbij betrokken waren. De leeftijd van de slachtoffers vormde een belangrijk juridisch criterium, maar was in de praktijk niet doorslaggevend voor de kans op een veroordeling. Wel was er vaak sprake van een duidelijk leeftijds- en machtsverschil tussen slachtoffer en verdachte. Sociale verhoudingen speelden eveneens een belangrijke rol; de wijze waarop reputatie doorwerkt in de rechtszaken wordt in een later artikel besproken.
Bronnen
Archieven
- BHIC, Database ‘Criminele Vonnissen (opent in een nieuw tabblad),’ Delict: verkrachting+aanverwante delicten, periode: 1850-1925.
- Wetboek van Strafrecht, 1886, Nederland.
Literatuur
- D’Cruze, Shania. “Approaching the History of Rape and Sexual Violence: Notes Towards Research.” Women’s History Review 1, no. 3 (1992): 377-397.
- Goldson, Barry, and J. Muncie, eds. Youth Crime and Justice: Critical Issues. London: Routledge, 2006.
- Lindenberg, Kai. “The Netherlands.” In Consent and Sexual Offences: Comparative Perspectives, edited by E. Hoven and T. Weigend, 211–230. Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft mbH & Co. KG, 2022. https://doi.org/10.5771/9783748930242-211.
- Toulalan, Sarah. “Child Victims of Rape and Sexual Assault: Compromised Chastity, Marginalized Lives?” In The Place of the Social Margins 1350–1750, edited by Andrew Spicer and Jane L. Stevens Crawshaw, 182. New York: Routledge, 2016. https://doi-org.eur.idm.oclc.org/10.4324/9781315756462.
- Pipkin, Amanda. Rape in the Republic, 1609–1725: Formulating Dutch Identity. Leiden: Brill Academic Publishers, 2013.
- Ruberg, Willemijn. “Onzekere Kennis: De Rol van Forensische Geneeskunde en Psychiatrie in Nederlandse Verkrachtingszaken (1811–1920).” Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 9, no. 1 (2012): 87–110.
Noten
[1] Kai Lindenberg, “The Netherlands,” in Consent and Sexual Offences: Comparative Perspectives, ed. E. Hoven and T. Weigend (Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft mbH & Co. KG, 2022), 214, https://doi.org/10.5771/9783748930242-211.
[2] Barry Goldson and J. Muncie, eds., Youth Crime and Justice: Critical Issues (London: Routledge, 2006), 4.
[3] Shania D’Cruze, “Approaching the History of Rape and Sexual Violence: Notes Towards Research,” Women’s History Review 1, no. 3 (1992): 384–85.
[4] Een volledig overzicht is terug te vinden in het dataset ‘Rechtbankverslagen seksueel geweld 1850-1925’
[5] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 22.113, rolnummer 28 Blz 333
[6] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.244, rolnummer 160, Blz 1153
[7] Strafvonnissen ’s-Hertogenbosch 24.244, rolnummer 156, Blz 1133