Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Artikel II - Veilige haven of woeste zee?

’s Nachts, na het uitgaan, aangevallen worden door een wildvreemde man in een donkere straat: dat is het stereotype beeld van verkrachting. Hoewel we tegenwoordig weten dat verkrachting een veel bredere definitie heeft en dat hierover steeds openlijker wordt gesproken, blijft het beeld van de weerloze vrouw in een donkere straat een hardnekkig en veelgebruikt boegbeeld. Dit beeld is niet willekeurig ontstaan, maar kent een lange geschiedenis.

Binnen het discours rondom verkrachting hebben onderzoekers het concept van de zogenoemde ‘echte verkrachting’ ontwikkeld. Lange tijd werd verkrachting voorgesteld als een gewelddadige daad waarbij een vrouw zich maximaal verzette, maar uiteindelijk fysiek werd overweldigd en tot onderwerping werd gedwongen door de dader. Daarbij werd doorgaans verondersteld dat de verkrachter een onbekende was voor het slachtoffer en dat de verkrachting plaatsvond op een verlaten, maar openbare locatie.[1] In de historiografie wordt verondersteld dat het in de negentiende eeuw voor een veroordeling essentieel was dat een zaak aan deze definitie van ‘echte verkrachting’ voldeed.[2] Door de plaats delict en de relatie tussen dader en slachtoffer te analyseren, wordt onderzocht in hoeverre dit stereotype beeld overeenkomt met de rechtszaken uit de periode 1850–1925, of dat er in Brabant, als gevolg van sociale, culturele of economische factoren, afwijkingen zichtbaar zijn.

Bij het bestuderen van de bronnen valt op dat een groot deel van de delicten overdag plaatsvond. Vaak gebeurde dit terwijl het slachtoffer alleen buiten aan het werk was. Zoals in het diagram te zien is, lag in iets meer dan de helft van de rechtszaken de plaats delict in de openbare ruimte. De meest voorkomende locaties waren bossen, weilanden, akkers en gebieden langs de openbare weg.

Op basis van bestudeerde 137 rechtbankverslagen uit de arrondissementrechtbanken in Breda en 's-Hertogenbosch en het Gerechtshof van 's-Hertogenbosch in de periode 1850-1925. Bekijk alle informatie in de dataset.

In de rechtbankverslagen wordt beschreven dat slachtoffers op het moment van de aanval bezig waren met werkzaamheden zoals het hoeden van dieren of het wieden van onkruid. Vaak leidde een korte woordenwisseling tot een gewelddadige aanval. Sporen op de plaats delict, zoals voetafdrukken, beschadigde struiken of andere tekenen van een worsteling in het gras, speelden daarbij een belangrijke rol als bewijsmateriaal tijdens de rechtszaak.

In de negentiende eeuw won de industrialisatie in Brabant geleidelijk terrein. Deze processen van industrialisatie en verstedelijking brachten sociale veranderingen met zich mee. In de steden vestigden zich jonge, ongehuwde arbeiders van beide geslachten, wat leidde tot nieuwe sociale verhoudingen. Binnen deze veranderende stedelijke gemeenschappen bestond de vrees dat dit zou leiden tot morele ontwrichting en immoreel gedrag, zoals prostitutie en ander ongereguleerd seksueel gedrag, waaronder seksueel geweld.[3]

Spreiding van delicten

Op basis van bestudeerde 137 rechtbankverslagen uit de arrondissementrechtbanken in Breda en 's-Hertogenbosch en het Gerechtshof van 's-Hertogenbosch in de periode 1850-1925. Bekijk alle informatie in de dataset.

De onderzochte data laten echter een ander beeld zien. Het merendeel van de rechtszaken speelde zich af in agrarische gebieden. Hoewel de grootste concentratie van delicten in Tilburg werd geregistreerd, betrof dit met negen rechtszaken slechts zes procent van het totaal. Bovendien blijkt uit de verslagen dat een aanzienlijk deel van de vrouwen in Brabant op het platteland werkzaam was. Het was gebruikelijk dat zij alleen op pad gingen om landarbeid te verrichten; in meerdere gevallen vond het delict plaats tijdens deze werkzaamheden. Kortom, de delicten waren verspreid over Brabant, waarbij het merendeel zich in niet-stedelijke gebieden afspeelde.

Relatie

Een andere factor die tijdens de rechtszaken een rol speelde, was de vraag of er sprake was van een relatie tussen het slachtoffer en de verdachte. In artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht wordt ontucht gepleegd door personen in een gezagsverhouding uitdrukkelijk strafbaar gesteld. Dit betreft onder meer ouders, voogden, leraren, ambtenaren en bestuurders, evenals andere personen aan wiens autoriteit slachtoffers onderworpen waren. De rechtspraak erkende daarmee het risico op misbruik door personen die een positie van autoriteit over het slachtoffer innamen. Familiale en werkgerelateerde verhoudingen werden op deze wijze op verschillende manieren juridisch beschermd door het wetboek. Maar hoe vaak kwam dit daadwerkelijk voor?

Relatie tussen de verdachte en het slachtoffer

Relatie

Aantal

Familiale band

7

Kennis

10

Werk gerelateerde relatie

8

Geen

112

Totaal

137

Op basis van bestudeerde 137 rechtbankverslagen uit de arrondissementrechtbanken in Breda en 's-Hertogenbosch en het Gerechtshof van 's-Hertogenbosch in de periode 1850-1925. Bekijk alle informatie in de dataset.

Uit de bestudeerde rechtszaken blijkt dat in de overgrote meerderheid van de gevallen de verdachte een onbekende was voor het slachtoffer. In zeven zaken was er sprake van een familierelatie: de verdachte was bijvoorbeeld een vader, voogd, (half)broer of zwager van het slachtoffer. In alle zaken met een familiaire band werd de verdachte veroordeeld.

In acht rechtszaken bestond er een werkgerelateerde relatie tussen slachtoffer en verdachte: zij waren collega’s, of de verdachte werkte voor het slachtoffer of haar familie. Daarnaast waren in tien rechtszaken slachtoffer en verdachte bekenden van elkaar, bijvoorbeeld als buurtgenoten of vrienden. Wanneer de beklaagde geen formele gezagspositie over het slachtoffer had, maar slechts een kennis was, werd de zaak soms anders beoordeeld. Vooral in situaties waarin sprake was van een ogenschijnlijk vriendschappelijke relatie, kon het delict gezien worden als verleiding in plaats van dwang. Dit bemoeilijkte het aantonen van verkrachting aanzienlijk. Een voorbeeld hiervan is de rechtszaak tegen de drieëndertig jarige Leendert H. en het zestienjarige slachtoffer Adriana B. die elkaar hadden leren kennen op de kermis. Doordat tussen beiden een vriendschappelijke verstandhouding bestond en Adriana verklaarde alcohol te hebben gedronken, achtte de rechtbank haar verklaring onvoldoende overtuigend om tot een veroordeling te komen.[4] Dit waren echter uitzonderingen; in de meeste zaken kenden verdachte en slachtoffer elkaar niet, waardoor dit soort complicaties geen rol speelden.

Echte verkrachting?

Uit de rechtbankverslagen blijkt dat het negentiende-eeuwse stereotype van de ‘echte verkrachting’ ook in de onderzochte zaken zichtbaar is. In de overgrote meerderheid van de gevallen was de verdachte geen bekende van het slachtoffer en vond het delict plaats wanneer het slachtoffer alleen in het openbaar was. Hiermee bevestigen de rechtszaken het beeld van verkrachting als een gewelddadige daad door een onbekende op een afgelegen of openbare locatie. Het feit dat zoveel zaken aan deze definitie voldoen, versterkt het beeld dat het concept van de ‘echte verkrachting’ door vele in de negentiende eeuw ook daadwerkelijk werd aangehouden.

Marinka van Dijk, maart 2026

Bronnen

Archieven

Literatuur

  • Van den Eerenbeemt, H., ed. Geschiedenis van Noord-Brabant, deel 1: Traditie en modernisering 1796–1890. Amsterdam/Meppel: Boom, 1996.
  • Gartner, Rosemary, and Bill McCarthy, eds. The Oxford Handbook of Gender, Sex, and Crime. Oxford: Oxford University Press, 2014.
  • Laqueur, Thomas. “Sex and Desire in the Industrial Revolution.” Chapter. In The Industrial Revolution and British Society, edited by Patrick O’Brien and Roland Quinault, 100–123. Cambridge: Cambridge University Press, 1993.
  • Wilkinson, E. Clare. “‘Real Rape’ and the Coverage of Sexual Violence in Dutch Newspapers, 1880 to 1930.” Women’s History Review (2022): 1190–1211. https://doi.org/10.1080/09612025.2022.2088086.

Noten

[1] E. Clare Wilkinson, “‘Real Rape’ and the Coverage of Sexual Violence in Dutch Newspapers, 1880 to 1930,” Women’s History Review (2022): 1190, https://doi.org/10.1080/09612025.2022.2088086.
[2] Rosemary Gartner and Bill McCarthy, eds., The Oxford Handbook of Gender, Sex, and Crime (Oxford: Oxford University Press, 2014), 213.
[3] Thomas Laqueur, “Sex and Desire in the Industrial Revolution,” in The Industrial Revolution and British Society, ed. Patrick O’Brien and Roland Quinault (Cambridge: Cambridge University Press, 1993), 102-103.
[4] Strafvonnissen Breda 23.215, rolnummer 932, Blz 866.

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.