Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Inleiding op het dossier

'…Hij op of omstreeks 13 mei 1924 gepoogd heeft vleeselijke gemeenschap te hebben met Cornelia Johanna Schmidts, oud ongeveer negen jaar.’[1] Dit citaat is afkomstig uit één van de 137 onderzochte rechtszaken over seksueel geweld uit de periode 1850-1925, behandeld door de rechtbanken in Breda en ’s-Hertogenbosch en het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Dit online dossier is het resultaat van vijf maanden onderzoek naar deze rechtszaken, met als doel om meer inzicht te krijgen in de vaak verborgen geschiedenis van seksueel geweld tegen vrouwen.

In de volgende artikelen worden verschillende aspecten van deze rechtszaken thematisch uitgewerkt. Hoe werd er omgegaan met dit soort delicten? Hoe handelden omstanders en de rechtbank? En welke consequenties had dit voor de slachtoffers? Het onderzoeken van de geschiedenis van seksueel geweld is relevant omdat het onderwerp ook vandaag de dag nog actueel is. Door naar het verleden te kijken kunnen we patronen herkennen en beter begrijpen waar hedendaagse opvattingen en stigma’s rondom seksueel geweld hun oorsprong vinden en hoe deze in de toekomst mogelijk kunnen worden doorbroken.

Bronnen

Het uitgangspunt van mijn bronnenonderzoek zijn de ‘criminele vonnissen’ van de rechtbanken en gerechtshoven in ’s-Hertogenbosch en Breda.[2] In de periode 1850-1925 heb ik 137 rechtszaken bestudeerd betreffende verkrachting of poging tot verkrachting. Deze periode is gekozen omdat er toen verschillende ontwikkelingen plaatsvonden die invloed hadden op de positie van vrouwen in de samenleving. In deze periode kregen vrouwenemancipatiebewegingen steeds meer aandacht, met als gevolg dat vrouwen kiesrecht verkregen.[3] Aan het einde van de negentiende eeuw besteedden kranten ook meer aandacht aan rechtszaken betreffende seksueel geweld en berichtten zij op een sympathiserende manier over de vrouwelijke slachtoffers.[4] De positie van vrouwen in de samenleving was in deze periode in ontwikkeling, daarom is dit een relevante periode om te onderzoeken hoe in rechtszaken seksueel geweld tegen vrouwen werd behandeld. Bovendien is de gekozen periode nog relatief weinig onderzocht. 

Rechtsgang

Tijdens de onderzoeksperiode van 1850 tot en met 1925 vonden er verschillende strafrechtelijke veranderingen plaats. In 1811 werd onder Napoleon de Code Pénal ingevoerd. Volgens de Code Pénal was verkrachting strafbaar, omschreven als ‘verkrachting of feitelijkheid tegen de eerbaarheid met gewelddadigheid uitgevoerd of ondernomen.’ Echter in veel rechtszaken ontstond discussie als een gevolg van deze omschrijving, namelijk over de vraag welke van de genoemde criteria tot een veroordeling moest leiden. Moest sprake zijn geweest van zowel geweld als penetratie én ejaculatie, of was één van deze gepleegde feiten al genoeg voor een veroordeling? Het criterium dat een verkrachting alleen vervolgd kon worden wanneer sprake was van geweld, was problematisch. Vooral voor jonge slachtoffers vormde dit criterium een groot probleem. Deze jonge slachtoffers konden zich zowel fysiek als mentaal moeilijker verzetten, waardoor het aantonen van het gebruik van geweld in deze rechtszaken lastig was. Opvallend is dat in de Code Pénal wel nadrukkelijk was opgenomen dat wanneer iemand in een gezagspositie een minderjarig slachtoffer misbruikte, hier een zwaardere straf op stond.[5]

In 1886 werd de Code Pénal vervangen door het Wetboek van Strafrecht. In dit nieuwe wetboek werden enkele wijzigingen en toevoegingen doorgevoerd. Zo was 'geweld' niet langer een criterium voor de veroordeling van verkrachting, wanneer het een jong, bewusteloos of mentaal beperkt persoon betrof. Ook werd een nieuw artikel toegevoegd, waarin gesteld werd dat bij slachtoffers onder de twaalf jaar oud het ontbreken van instemming niet bewezen hoefde te worden. Voorts hoefden verkrachting en geweld niet langer nadrukkelijk met elkaar verbonden te zijn voor een veroordeling. De omschrijving ‘door geweld of bedreiging dwingt met hem buiten echt vleeschelijke gemeenschap te hebben’ laat ruimte voor situaties waarin het slachtoffer niet (alleen) door fysiek geweld, maar door het gebruik van woorden onder druk is gezet.

De definitie van 'verkrachting' in het Wetboek van Strafrecht werd ook uitgebreid met de omschrijving ‘buiten echt vleeschelijke gemeenschap’. Met als gevolg dat expliciet in de wet kwam te staan, dat verkrachting alleen buiten het huwelijk kon plaatsvinden. Ook werd in het wetboek een apart artikel geïntroduceerd, dat onzedelijke handelingen door een persoon in een autoritaire positie tegenover het slachtoffer strafbaar stelde. Dit artikel bevatte een lange lijst met personen en beroepen die hieronder vielen, zoals leraren en werkplaatsopzichters.[6]

In de komende zes artikelen zal het Wetboek van Strafrecht nog vaak worden aangehaald. Deze passage dient als een korte inleiding op de artikelen over verkrachting en de wettelijke veranderingen in deze regelgeving.

Marinka van Dijk, maart 2026

Bronnen

Archieven

Literatuur

  • Bleijenbergh, Inge, en Jet Bussemaker. “The Women’s Vote in the Netherlands: From the Houseman’s Vote to Full Citizenship.” In The Struggle for Female Suffrage in Europe, bewerkt door Blanca Rodriguez Ruiz and Ruth Rubio Marin, 175–194. Leiden: Brill, 2012.
  • Ruberg, Willemijn. “Onzekere kennis: De rol van forensische geneeskunde en psychiatrie in Nederlandse verkrachtingszaken (1811–1920).” TSEG – The Low Countries Journal of Social and Economic History 9, no. 1 (2012): 87–110. https://doi.org/10.18352/tseg.252.
  • Wilkinson, Clare. Drama in the Dailies: Violence and Gender in Dutch Newspapers, 1880–1930. Leiden: Universiteit Leiden, 2020.
  • Wilkinson, E. Clare. “‘Real Rape’ and the Coverage of Sexual Violence in Dutch Newspapers, 1880 to 1930.” Women’s History Review (2022): 1–22. https://doi.org/10.1080/09612025.2022.2088086.

Noten

[1] ‘Gerardus Rokven: Verkrachting van minderjarigen, poging, 1924,’ Arrondissementsrechtbank, Breda, 685, https://proxy.archieven.nl/235/71296C0F7AE24110BBB1BE9922544B8A.
[2] BHIC, ‘Criminele Vonnissen,’ Verkrachting, 1850-1925
[3] Inge Bleijenbergh en Jet Bussemaker, ‘The Women’s Vote in The Netherlands: From the Houseman’s Vote to Full Citizenship,’ in The Struggle for Femal Suffrage in Europe, bewerkt door Blanca Rodriguez Ruiz en Ruth Rubio Marin ( Leiden: Brill, 2012), 177.
[4] Clare Wilkinson, Drama in the Dailies: Violence and Gender in Dutch Newspaper, 1880-1930 (Leiden: Universiteit Leiden, 2020), 195.
[5] Willemijn Ruberg, “Onzekere kennis: De rol van forensische geneeskunde en psychiatrie in Nederlandse verkrachtingszaken (1811–1920),” TSEG – The Low Countries Journal of Social and Economic History 9, nr. 1 (2012): 92, https://doi.org/10.18352/tseg.252.
[6] Wetboek van strafrecht (zooals het is vastgesteld bij de wet van 3 maart 1881 (Staatsblad no. 35) en gewijzigd bij de wet van 15 januari 1886 (Staatsblad no. 6), en bepalingen tot uitvoering van de artikelen 38 en 39 van dat wetboek (wet van 15 januari 1886, Staatsblad no. 7), vol. 1 (’s-Gravenhage: Van Weelden en Mingelen, 1886), 64.

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.