Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Artikel VI - Het einde?! - Na de rechtspraak

Hoewel een rechtszaak voor de rechtbank een formeel einde kende, betekende dit niet dat ook de gevolgen voor het slachtoffer daarmee waren afgesloten. In dit artikel wordt stilgestaan welke invloed het aanspannen van een rechtszaak had op de reputatie van het slachtoffer.

Leeswaarschuwing: In dit artikel worden citaten over seksueel geweld aangehaald. De beschrijvingen van deze gebeurtenissen door getuigen kunnen expliciete inhoud bevatten.

In mijn onderzoek heb ik 137 rechtszaken met betrekking tot seksueel geweld in de periode 1850-1925 onderzocht. Dat er rechtszaken over seksueel geweld uit het verleden zijn overgeleverd, is op zichzelf al opmerkelijk. Voor slachtoffers van seksueel geweld was het namelijk niet zonder risico om een aanklacht in te dienen. Wanneer er onvoldoende bewijs was om de verdachte te vervolgen, kon dit negatieve gevolgen hebben voor de reputatie van het slachtoffer. Het doen van aangifte bracht daarom een moeilijke afweging met zich mee: moest een slachtoffer het delict openbaar maken in de hoop dat de dader werd veroordeeld, met het risico op reputatieschade, of het gebeurde juist verborgen houden om sociale gevolgen te vermijden?[1]

De reputatie van het slachtoffer voordat het seksueel delict en de aanklacht had plaatsgevonden was tijdens de rechtszaak erg belangrijk. De rechtbank hechtte waarde aan de reputatie van zowel de verdachte als het slachtoffer bij het bepalen van de veroordeling. Stond het slachtoffer bekend als een nette, zedelijke en goed opgevoed meisje of vrouw? De kans van slagen van de rechtszaak voor het slachtoffer was daardoor een stuk groter dan wanneer bekend was dat zij veel contact had met jongens en zich losbandig gedroeg. In de rechtbank verslagen is dan ook meermaals te lezen dat de getuigen de reputatie van het slachtoffer aanhalen:

‘Wilhelmus de Poorter 42 jaar Brigadier der Marechaussee te Etten en zelf de getuige te kennen als een fatsoenlijk meisje dat zich niet met jongens afgeeft, terwijl beklaagde hem bekend is als een jongen die zich meermaals met meisjes heeft afgegeven.’[2]

Strafvonnissen Breda 23.402, rolnummer 1333, Blz 674

De brigadier in Etten, waar het delict had plaatsgevonden, is in het rechtbankverslag opgenomen als getuige. De brigadier spreekt positief over de reputatie van het slachtoffer en noemt haar een ‘fatsoenlijk meisje,’ daarentegen spreekt hij negatief over de verdachte van de dader. Dit soort karakterschetsen, zeker van iemand in een autoriteitspositie, waren erg belangrijk in de rechtbank. Uiteindelijk is de verdachte in deze rechtszaak, schuldig bevonden voor ‘poging tot verkrachting’ en ‘aanranding van de eerbaarheid’ en kreeg hij een celstraf van acht maanden opgelegd.

In de verdediging

Eén manier waarop slachtoffers hun reputatie tijdens de rechtszaak konden verdedigen, was door in hun verklaring aan te geven dat zij de verdachte zo veel mogelijk weerstand hadden geboden. Dit deden zij zowel verbaal, door “nee” te zeggen tegen de seksuele avances van de verdachte, als fysiek, door zich zoveel mogelijk te verzetten. In de verklaring van Maria G., die op de heide werd aangevallen door Petrus Johannes R., staat het volgende beschreven:

‘Dat zij zoolang mogelijk weerstand geboden en beschuldigde geen verlof gegeven heeft.’[3]

In de verklaring is te lezen dat er nadruk wordt gelegd op het feit dat het slachtoffer zoveel mogelijk weerstand bood. Dit was belangrijk om de rechtbank ervan te overtuigen dat het seksueel contact daadwerkelijk ongewild was en om de zedelijkheid van het slachtoffer te onderstrepen. Er waren echter ook situaties waarin het slachtoffer zichzelf niet kon verdedigen. In deze gevallen werd de nadruk gelegd op de angstgevoelens van het slachtoffer. Zo is te lezen in de verklaring van het slachtoffer Maria B.:

‘Dat zij gedurende die bedrijven tracht hulp te roepen, dat aanvankelijk ten gevolgen van den schrik zij bijna geen geluid kon geven, als pas haar ‘een brok in de keel geschoten.'[4]

In de verklaring is te lezen dat Maria zich in eerste instantie niet kon verdedigen omdat zij zo geschrokken was. In bijna alle verslagen is te zien dat in de verklaring van het slachtoffer nadruk wordt gelegd op welke handelingen het slachtoffer heeft verricht om zich tegen de verdachte te verdedigen, en als zij daartoe niet in staat was, waarom dat het geval was. Op die manier probeerden slachtoffers hun eigen zedelijke reputatie tegenover de rechtbank te bewijzen en duidelijk te maken dat zij geen verantwoordelijkheid droegen voor de seksuele handelingen die hadden plaatsgevonden.

Wat nu?

Maria Adriana Oosterbaan (Zundert, 1868) was vroedvrouw van beroep.
Zij werd in 1908 door de gemeenteraad van Tilburg benoemd tot
gemeentevroedvrouw. Gelukkig waren er in de bestudeerde rechtszaken
‘maar’ drie slachtoffers die Maria of de diensten van een andere
vroedvrouw nodig hebben gehad omdat zij zwanger waren geworden.
(Bron: collectie Regionaal Archief Tilburg)

De gevolgen van seksueel geweld voor een slachtoffer waren groot. In de onderzochte periode 1850–1925 moesten slachtoffers na het indienen van een aanklacht bovendien de sociale consequenties dragen van het openbaar maken van het delict in een zeer stigmatiserende samenleving. Slachtoffers zullen daarom ongetwijfeld hebben afgewogen hoe groot de kans was dat zij in de rechtbank daadwerkelijk gerechtigheid zouden krijgen.

Over het algemeen stapten vrouwen eerder naar de rechtbank  wanneer er sprake was van een zwangerschap of een seksueel overdraagbare aandoening na het delict. Door een aanklacht in te dienen probeerden zij aan te tonen dat deze niet door hun eigen toedoen waren ontstaan. Op die manier hoopten zij hun gelijk te halen en de sociale repercussies die zij anders zouden ondervinden zoveel mogelijk te beperken.[5] Uit de bestudeerde rechtbankverslagen blijkt echter niet dat deze motivatie om een aanklacht in te dienen voor veel slachtoffers opging in Brabant. In slechts drie van de 137 onderzochte rechtszaken wordt vermeld dat het slachtoffer zwanger is geworden van het incident. Besmetting met een geslachtsziekte wordt in geen van de rechtbankverslagen genoemd.

Of het slachtoffer nu wel of geen gerechtigheid kreeg in de rechtbank, en ongeacht of zij zwanger was geworden, was haar reputatie in de ogen van de negentiende-eeuwse samenleving beschadigd. Zo is in het rechtbankverslag van de rechtszaak  tegen de verdachte Cornelis H. en het tweeëntwintigjarige slachtoffer Cornelia B. de reactie van de moeder van Cornelia te lezen:

‘Ik vind het een verschrikkelijk iets, daar mijn dochter op een dergelijke wijze wordt bedorven en daar ik zo mijn best heb gedaan om ze braaf en eerlijk op te voeden.’[6]

In dit citaat blijkt dat Cornelia’s moeder het bijna ondenkbaar vindt dat dit, ondanks de goede opvoeding, haar dochter heeft kunnen overkomen. Optimistisch over de toekomst lijkt zij evenmin; met het woord ‘bedorven’ wordt de ernst van de situatie onderstreept.

Concluderend moesten slachtoffers in de rechtbank voortdurend hun handelen tijdens het delict verantwoorden en hun reputatie verdedigen. Het was van belang dat zij een goede reputatie hadden, wat onder meer moest blijken uit getuigenverklaringen. Daarnaast moest uit hun eigen verklaring blijken dat zij zich tijdens het delict zo veel mogelijk hadden verzet. Dit hing samen met het heersende beeld van een ‘echte verkrachting’: alleen wanneer een slachtoffer zich tot het uiterste had verzet, kon er sprake zijn van verkrachting. Tegelijkertijd leefde het idee dat meisjes en jonge vrouwen, zodra zij de puberteit hadden bereikt, zelf verantwoordelijk waren voor het bewaken van hun zedelijkheid.

Marinka van Dijk, maart 2026

Bronnen

Archieven

Literatuur

  • Toulalan, Sarah. “Child Victims of Rape and Sexual Assault: Compromised Chastity, Marginalized Lives?” In Childhood and Child Labour in Industrial England, edited by Katrina Honeyman, 181–202. London: Routledge, 2013.
  • Wils, Kaat, en Jade De Lannoy. “Een vergeten stem: Vrouwelijke slachtoffers van seksueel geweld en het forensisch medisch onderzoek (Antwerpen, 1895–1925).” Historica 46, nr. 3 (2023): 10–16.

Noten

[1] Kaat Wils en Jade De Lannoy, “Een vergeten stem: Vrouwelijke slachtoffers van seksueel geweld en het forensisch medisch onderzoek (Antwerpen, 1895–1925),” Historica 46, nr. 3 (2023): 10.
[2] Strafvonnissen Breda 23.402, rolnummer 1333, Blz 674.
[3] Strafvonnisen s'-Hertogenbosch 22.103, rolnummer 71, Blz 798.
[4] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch, 22, 104, rolnummer 104, Blz 194.
[5] Sarah Toulalan, “Child Victims of Rape and Sexual Assault: Compromised Chastity, Marginalized Lives?” in Childhood and Child Labour in Industrial England, ed. Katrina Honeyman (London: Routledge, 2013), 181.
[6] Strafvonnissen Breda 23.404, rolnummer 1606, Blz 661.

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.