Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Artikel IV - Wat zegt gij?

'Ik weet dit zeker.'[1] Voor een veroordeling voor seksueel geweld was er altijd een mondelinge verklaring nodig van het slachtoffer. Deze werd vaak al genoteerd bij de eerste aangifte van het misdrijf, maar was in ieder geval nodig tijdens de rechtszaak. Wanneer het een jong slachtoffer betrof, werd deze meestal buiten ede gehoord. Wat kunnen we leren van deze slachtofferverklaringen?

Leeswaarschuwing: In dit artikel worden citaten over seksueel geweld aangehaald. De beschrijvingen van deze gebeurtenissen door getuigen kunnen expliciete inhoud bevatten.

Gerechtsgebouw Breda aan de Catharinastraat 21-23, ca. 1885-1892 (bron: collectie Stadsarchief Breda, nr. 19600246 (opent in een nieuw tabblad))

De mondelinge verklaring van het slachtoffer was essentieel. Hoewel bewijs zoals sporen van geweld op het lichaam, gescheurde kleding en aanwijzingen van een worsteling op de plaats delict belangrijk waren, werden deze bewijzen op zichzelf niet als voldoende bewijs gezien. Aangezien het bij rechtszaken aangaande seksueel geweld lang niet altijd vanzelfsprekend was dat er getuigen aanwezig zijn, waren de verklaring van zowel het slachtoffer als de verdachte het belangrijkste uitgangspunt voor de rechtbank.

Doordat de mondelinge verklaring van het slachtoffer zo’n belangrijke rol speelde bij de veroordeling, vormt dit een relevant onderwerp voor nader onderzoek. In mijn onderzoek heb ik geanalyseerd hoe slachtoffers het delict omschreven. Dit biedt inzicht in hun kennis van seksualiteit, hun gevoel van schaamte en de invloed van hun opvoeding in het katholieke Brabant tussen 1850 en 1925.

Het onderzoeken van het taalgebruik van de slachtoffers in deze rechtszaken is niet onproblematisch. Vaak noteerde de griffier de verklaring in de derde persoon en schreef hij een samenvatting van de daadwerkelijke verklaring van het slachtoffer op. Een voorbeeld hiervan is de verklaring van Maria. B in 1874, waarin haar verklaring in de derde persoon is opgeschreven.

'Met zijn lichaam tegen en zij voelde dat hij iets tuschen hare beenen stak,’[2]

Het is belangrijk om er rekening mee te houden dat de exacte woorden en gevoelens van het slachtoffer niet te achterhalen zijn aan de hand van de rechtbankverslagen. De verslagen zijn subjectief en vormen een representatie van hoe de griffier de verklaring van het slachtoffer heeft geïnterpreteerd. Zeker wanneer de griffier de verklaring van het slachtoffer in de derde persoon opschrijft, creëert het verslag nog meer afstand tot het slachtoffer. Dit betekent echter niet dat de verslagen onbruikbaar zijn voor het onderzoeken van het taalgebruik en de woordkeuze van het slachtoffer.

In het hierboven aangehaald citaat valt op dat er geschreven staat ‘iets tuschen hare beenen.’ Uit de context valt op te maken dat de dader zijn mannelijk geslachtorgaan tussen de benen van het slachtoffer stak. Dit wordt in het citaat echter niet bij naam genoemd, maar omschreven als ‘iets.’ Deze omschrijving lijkt een bewuste keuze te zijn geweest. In de bestudeerde rechtbankverslagen wordt het woord ‘mannelijkheid’ doorgaans gebruikt om het mannelijk geslachtsorgaan te beschrijven, behalve wanneer het om geciteerde teksten van getuigen gaat. Hieruit kan worden geconcludeerd dat dit waarschijnlijk de verwoording van Marie was, die de griffier heeft overgenomen. In sommige verklaringen lopen citaten in de eerste en derde persoon door elkaar. Dat is ook het geval in de rechtszaak met het elfjarige slachtoffer Johanna S:

'Het ding waaruit hij watert, uit zijn broek bracht en daar mede tegen haar buik duwde.’[3]

De eerste helft van de zin is vanuit het perspectief van het slachtoffer geschreven; ‘het ding waaruit hij watert’ is duidelijk een citaat van het slachtoffer. De tweede helft is daarentegen in de derde persoon geformuleerd, wat blijkt uit het gebruik van ‘haar’. In mijn onderzoek let ik daarom goed op vanuit welk perspectief de verklaring is opgeschreven.

In mijn analyse maak ik gebruik van de methode reading against the grain. Dit is een kritisch-analytische leesstrategie waarbij een bron niet uitsluitend wordt gelezen op basis van de expliciete boodschap van de schrijver, maar waarbij juist aandacht wordt besteed aan de onderliggende motivaties en aannames in de tekst. Deze methode pas ik toe door kritisch na te denken over de keuzes van de schrijver: wat was de motivatie achter de tekst? Wat wordt expliciet verteld en wat blijft onbenoemd? Zijn er tegenstrijdigheden te vinden, of juist terugkerende patronen? Dit is van belang, omdat in rechtbankverslagen slechts een fractie van wat zich daadwerkelijk heeft afgespeeld wordt vastgelegd. Uiteindelijk was het de griffier die bepaalde wat wel en niet werd opgeschreven, en op welke wijze dit gebeurde. Kritisch nadenken over de intenties en keuzes van de griffier is daarom essentieel. Door kritisch te kijken naar de intentie achter het woordgebruik van de griffier kan worden gesteld dat het hierboven aangehaalde citaat de bewoordingen van Maria B. weerspiegelt, ook al is het in de derde persoon opgeschreven.

Onzedelijke kennis

Een duidelijke en consistente verklaring van het slachtoffer was essentieel om de aanklacht te kunnen vervolgen. Wanneer de verklaring die in de rechtbank werd afgelegd afweek van een eerdere verklaring die bij de eerste melding van het delict was opgenomen, maakte dit de verklaring in de ogen van de rechtbank onbetrouwbaar. Er lijkt weinig ruimte te zijn geweest voor de overweging dat een slachtoffer bij een eerste verklaring nog in een staat van paniek verkeerde of uit schaamte niet alles durfde te vertellen. Het werd in de periode 1850-1925 als onzedelijk beschouwd wanneer een vrouw zaken op het gebied van seksuele gemeenschap besprak met een man met wie zij niet gehuwd was. Deze onderwerpen waren normaal gesproken niet bespreekbaar, maar moesten dat ineens wel worden als het slachtoffer een aanklacht wilde indienen. In het verslag over het seksueel geweldsdelict tegen Maria B. is te lezen dat de buurman degene was die Maria als eerste vond na het delict.

'Van Berkel schreiende vond, die hem zeide: hulp hulp ik ben voor eeuwig ongelukkig; dat hij begreep dat er met den beschuldigde iets gebeurd was wat hij, ongehuwd, niet moest hooren de naaste buren heeft geroepen.’[4]

De buurman vindt de aangedane Maria en zij deelt hem slechts mee dat zij voor eeuwig ongelukkig zal zijn. Uit de context maakt de buurman op wat er met Maria is gebeurd en hij oordeelt dat het moreel niet gepast is dat hij als ongehuwde man hier meer over zou weten. Daarop besluit hij de buurvrouw erbij te halen, aan wie Maria vervolgens vertelt wat haar is overkomen.

'En deze haar zeide: dat de beschuldigde haar had aangerand.’[5]

Ondanks de persoonlijke en maatschappelijke morele drempels die het bespreekbaar maken van seksueel geweld bemoeilijkten, werd in de rechtbank van het slachtoffer verwacht dat zij openlijk en gedetailleerd het delict kon beschrijven. Naast het overwinnen van de schaamte rondom dit onderwerp, vereiste dit een zekere kennis van zowel de vrouwelijke als de mannelijke anatomie en de woordenschat om dit verbaal uit te drukken. Bovendien had het slachtoffer enige kennis nodig van seksuele gemeenschap, zodat zij kon herkennen wat haar was overkomen en dit ook kon verwoorden. Maar beschikten de jonge slachtoffers daadwerkelijk over deze kennis? Veel van hen waren opgegroeid in een agrarische en katholieke samenleving, waarin onderwijs, zeker voor meisjes, niet vanzelfsprekend was.

In de periode 1850–1925 was het onderwijs voor jongeren in ontwikkeling. In 1901 werd de leerplicht voor kinderen van 6 tot 12 jaar ingevoerd. Voor 1901 lag deze verantwoordelijkheid bij de ouders, afhankelijk van of zij belang hechtten aan onderwijs en het zich konden veroorloven hun kinderen naar school te sturen.[6] Het is aannemelijk dat een deel van de jonge slachtoffers voor 1901 geen onderwijs gevolgd heeft.

Vervolgens rijst de vraag in hoeverre jonge slachtoffers kennis hadden van seksualiteit. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond discussie over de vraag of, en zo ja welke, plaats seksuele voorlichting in het onderwijs moest krijgen. Binnen dit debat waren twee duidelijke stromingen te onderscheiden: de ene partij pleitte voor voorlichting om jongeren kennis bij te brengen over hun lichaam en seksualiteit, terwijl de andere partij seksuele voorlichting juist zag als een risico dat mogelijk tot immoreel gedrag zou leiden. Met name vanuit de katholieke kerk werd dit laatste standpunt aangehouden. Binnen het katholieke denken bestond een duidelijke terughoudendheid ten aanzien van seksuele voorlichting. De kerk legde de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de ouders; voorlichting vanuit de kerk beperkte zich doorgaans tot (aanstaande) gehuwden en richtte zich vooral op morele kwesties.[7]

De in ’s-Hertogenbosch geboren Nellie Kol was van 1893 tot 1900
hoofdredactrice van het tijdschrift De Vrouw. Dit was één van de
weinige negentiende-eeuwse tijdschriften die openlijk over seksualiteit,
seksuele opvoeding en geboortebeperking sprak. Hierdoor belandde
het op de Belgische katholieke index van verboden lectuur.[8]

In de periode 1850–1925 was kinderlijke onschuld het ideaalbeeld. Alles wat deze onschuld in gevaar kon brengen, waaronder kennis over seksualiteit, werd afgewezen. Het was aan de ouders om te bepalen in hoeverre hun kind een vorm van seksuele opvoeding kreeg.[9] Kortom, het beschikken over kennis van seksuele gemeenschap was voor meisjes en jonge vrouwen in deze periode geen vanzelfsprekendheid, terwijl deze kennis in een rechtszaak juist van groot belang kon zijn. Hieruit rijst de vraag in hoeverre uit de verklaringen blijkt welke kennis de slachtoffers hadden van seksuele gemeenschap en hoe zij deze onder woorden brachten.

Zedelijke getuigen?

Om te onderzoeken of slachtoffers konden verwoorden wat hen was overkomen, duiken we enkele archieven in. In 1913 getuigde het vijftienjarige slachtoffer Petronella T. tegenover de verdachte Jacobus S. Nadat zij samen de kerk hadden verlaten, sprak de verdachte haar aan en vroeg of ze seksuele gemeenschap met hem wilde hebben. Uit haar verklaring blijkt dat zij niet begreep wat de verdachte van haar vroeg:

‘Hij kuste mij een keer en maakte de banden van mijn gesloten broek los, en bracht zijn hand tussen mijn benen in mijn vrouwelijk en vroeg: Mocht ik je een naaien. Ik zei daarop: Wat is dat, ik weet niet wat het is. Hij zei iets en dat zult ge wel zien het zal je niet tegen vallen. Ik zou dat wel goed uit komen. O ja je bent nog jong genoeg dat geeft niets.’[10]

De verklaring van Petronella

Strafvonnissen Breda 23.418, rolnummer 173, Blz 475.

De verdachte, Jacobus, vraagt aan Petronella of hij gemeenschap met haar mag hebben. Hierop reageert zij dat ze niet weet wat dit is. Ze kan wel beschrijven dat de verdachte haar ‘vrouwelijkheid’, oftewel haar geslachtsdelen, heeft aangeraakt. Wanneer de verdachte verdere actie onderneemt, vraagt Petronella of hij wil stoppen. Dit doet hij niet. Uiteindelijk wordt Jacobus veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, met als uitspraak: ‘Buitenechtelijke vleeselijke gemeenschap gepleegd met iemand die nog niet de leeftijd van zestien jaren bereikt heeft.’

Gaten in de kennis van slachtoffers, waardoor zij niet goed begrijpen wat er gebeurt, komen in de bronnen vaker voor. In de zaak van Gerardus H., die Petronella V. seksueel misbruikte, is een uitgebreide verklaring van Petronella opgenomen. Het misbruik had zich voorgedaan over een periode tussen haar veertiende en vijftiende levensjaar. Toen zij de verklaring aflegde, was zij zeventien jaar oud. Petronella werd onder ede gehoord:

‘Terwijl beklaagde op haar lag vocht tusfchen de beenen te hebben voelen vloeijen, maar niet kan zeggen of beklaagde toen zijn broek open had, die oneerbare betastingen soms vier of vijf maal in de maand plaats grepen.’[11]

Petronella kan het incident duidelijk beschrijven, maar zij kan niet aangeven of de verdachte daadwerkelijk zijn broek had geopend, terwijl zij waarschijnlijk een zaadlozing beschrijft. Dit suggereert dat zij niet volledig begreep wat er precies had plaatsgevonden. Een soortgelijke situatie doet zich voor in de rechtszaak waarin de twintigjarige Maria O. het slachtoffer was. Zij beschrijft het delict vrij expliciet:

‘Zoodat ik zijn mannelijkheid zag (of die stijf was weet ik niet)… doordat ik mijn beenen zoo dicht mogelijk bij elkaar hield, gelukte het hem niet zoo spoedig, om zijn mannelijkheid in mijn schaamdeel te duwen.’[12]

Maria weet de geslachtsorganen te benoemen en uit haar beschrijving blijkt dat zij een idee had wat van seksuele gemeenschap is. Ze begreep de intentie van de dader en wist ook dat ze dit niet wilde. Echter, blijkt uit de volgende zin: ‘En iets wits slijmerig was, wat dat was weet ik niet’ dat Maria niet weet wat een zaaduitstorting is.[13] Het is opvallend dat beide slachtoffers, respectievelijk zeventien en twintig jaar oud, enige kennis lijken te hebben van de werking van seksuele gemeenschap, maar geen duidelijk beeld hadden van een zaaduitstorting. In de verklaringen van de slachtoffers zijn vaker dit soort ‘gaten’ of ‘tegenstrijdigheden’ in kennis te vinden.

In dezelfde rechtszaak tegen Gerardus H. is ook de zeventienjarige Hendrika E. één van de slachtoffers. Toen het misbruik plaatsvond, was zij veertien jaar oud. Ook haar verklaring is opgenomen in het rechtbankverslag:

‘En op haar ging liggen, dat hij zijn mannelijklid in hare schaamdeelen stak en zij verschillende keeren heeft gevoeld dat er nat uitkwam, dat zij getuige hem wel heeft te kennen gegeven, dit niet te willen hebben, maar destijd zelve zo bepaald niet weist welk kwaad daarin stak vooral omdat beklaagde haar had beduisd dat zij het niet behoefde te biechten.’[14]

In het verslag is te lezen dat Hendrika duidelijk kon navertellen wat er was gebeurd. Zij begreep destijds echter niet wat de consequenties waren en dat wat gebeurde verkeerd was. De dader had haar ervan overtuigd dat zij niet hoefde te biechten wat er was voorgevallen. Op basis van deze verslagen kan niet worden geconcludeerd dat alle jonge slachtoffers een gebrekkige kennis van seksualiteit hadden, aangezien er ook verslagen zijn die juist laten zien dat het slachtoffer wel over dergelijke kennis beschikte, zoals bij de zestienjarige Adriana B:

‘En stak zijne mannelijkheid in mijne vrouwelijkheid, waarbij hij zaad uitstortte in mijn lichaam dat geschiedde niet tegenstaande mijn verzet.’[15]

Zoals dit korte citaat al schetst, blijkt uit de verklaring van Adriana dat zij een duidelijk beeld heeft van wat seksuele gemeenschap inhoudt en wat zij wel en niet toestaat.

Concluderend kan worden gesteld dat de kennis over seksuele gemeenschap onder de slachtoffers sterk varieerde, maar dat de overgrote meerderheid weinig kennis had over seksualiteit. Uit de verslagen blijkt bovendien dat het onderwerp omringd werd door schaamte en onwetendheid, versterkt door het gebrek aan seksuele opvoeding in het onderwijs en de terughoudendheid van de katholieke kerk om hierover te spreken. Het verschil in kennis kan vaak worden toegeschreven aan de directe sociale kring van het slachtoffer: in hoeverre ouders of vrienden hierover informatie deelden, speelde een belangrijke rol. Seksuele opvoeding vond in deze periode voornamelijk plaats binnen het gezin en had daarbuiten nauwelijks een plek. Wat uit de verslagen duidelijk wordt, is dat kennis macht betekende: een consistente en gedetailleerde verklaring van het slachtoffer was essentieel voor een veroordeling.

Marinka van Dijk, maart 2026

Bronnen

Archieven

Literatuur

  • Duijmelink, Linsey. De maatschappelijke waarde van meisjesonderwijs: Onderzoeksverslag. ’s-Hertogenbosch: Brabants Historisch Informatie Centrum, 2025. https://www.bhic.nl/media/document/file/duijmelink-de-maatschappelijke-waarde-van-meisjesonderwijs-onderzoeksverslag-versie-20251208.pdf (opent in een nieuw tabblad).
  • Exalto, John. 2019. “Sexual Hygiene: Dutch Reflections on the Adolescent Body in the Early Twentieth Century.” History of Education 48 (4): 516–28. doi:10.1080/0046760X.2019.1576235.
  • Röling, Hugo. “The Experience of Sex Education in the Netherlands and Flanders: Childhood Memories from the First Half of the Twentieth Century.” In Shaping Sexual Knowledge: A Cultural History of Sex Education in Twentieth Century Europe, edited by L. Sauerteig and R. Davidson, 236–250. New York: Routledge, 2009. https://doi.org/10.4324/9780203891407.
  • Van Tilburg, M. W. A. Hoe hoorde het? Seksualiteit en partnerkeuze in de Nederlandse adviesliteratuur 1780–1890. Amsterdam: Het Spinhuis, 1998.

Noten

[1] Strafvonnissen Breda 23.270, rolnummer 681, Blz 540.
[2] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch, 22.104, rolnummer 104, Blz 194.
[3] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.191, rolnummer 94, Blz 869.
[4] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch, 22, 104, rolnummer 104, Blz 195.
[5] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch, 22, 104, rolnummer 104, Blz 195.
[6] Linsey Duijmelink, De maatschappelijke waarde van meisjesonderwijs: Onderzoeksverslag (’s-Hertogenbosch: Brabants Historisch Informatie Centrum, 2025), 1–2.
[7] M. W. A. van Tilburg, Hoe hoorde het? Seksualiteit en partnerkeuze in de Nederlandse adviesliteratuur 1780–1890 (Amsterdam: Het Spinhuis, 1998), 195.
[8] De Vrouw 7 (1899): 9
[9] Hugo Röling, “The Experience of Sex Education in the Netherlands and Flanders: Childhood Memories from the First Half of the Twentieth Century,” in Shaping Sexual Knowledge: A Cultural History of Sex Education in Twentieth Century Europe, ed. L. Sauerteig and R. Davidson (New York: Routledge, 2009), 236.
[10] Strafvonnissen Breda 23.418, rolnummer 173, Blz 475.
[11] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.106, rolnummer 9, Blz 122.
[12] Strafvonnissen Breda 23.268, rolnummer 469, Blz 530.
[13] Strafvonnissen Breda 23.268, rolnummer 469, Blz 530.
[14] Strafvonnissen 's-Hertogenbosch 24.106, rolnummer 9, Blz 122 en 123.
[15] Strafvonnissen Breda 23.215, rolnummer 932, Blz 869

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Artikel IV - Wat zegt gij? | BHIC