THEMA I - Tijdens de oorlog
Al vanaf het begin van de bezetting waren er Nederlandse meisjes en vrouwen die omgang hadden met Duitse militairen. Dit aantal nam toe in de oorlogsjaren die volgden. Het totale aantal vrouwen en meisjes dat gedurende de oorlog het gezelschap van deze soldaten opzocht wordt geschat tussen de 120.000 en 145.000.[1] Wat bewoog vrouwen en meisjes ertoe om juist deze relaties met vijandelijke militairen aan te gaan? En hoe werden zij door hun tijdgenoten beoordeeld?
Beweegredenen
Historica Monika Diederichs, zelf een kind geboren uit een relatie tussen een Nederlandse vrouw en een Duitse militair, nam in het kader van haar promotieonderzoek tientallen interviews af met vrouwen die tijdens de oorlog een relatie aangingen met een Duitse militair. De transcripten van deze interviews zijn beperkt openbaar en enkel na toestemming in te zien bij Atria, het Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis in Amsterdam.[2] Uit de gesprekken die Diederichs voerde ontstaat het beeld dat veel vrouwen simpelweg verliefd werden op een man in het verkeerde uniform. De Duitse soldaten waren onbekend, avontuurlijk en romantisch, en er ging daarom een enorme aantrekkingskracht van uit.[3] Ze ontmoetten elkaar bijvoorbeeld in uitgaansgelegenheden, in het openbaar vervoer, door verplichte inkwartiering of al dan niet gedwongen tewerkstelling bij de Duitse Weermacht.
Eén van de vrouwen die Diederichs interviewde ontmoette ‘haar’ Duitser in een café in Breda. Ze was al voor de oorlog getrouwd met een Nederlandse man, maar het was een verstandshuwelijk. Met de Duitse militair had ze ongeveer twee jaar lang vertrouwelijke omgang, en hoewel ze hem na de oorlog niet meer heeft teruggezien, is ze hem nooit vergeten. ‘Hij zit nog altijd op m’n netvlies,’ zo vertrouwde ze Diederichs toe, ‘niet alle vrouwen die met Duitsers omgegaan zijn (…) [waren] hoeren of lellebellen (…) zoiets overkomt je gewoon.’[4]
Een andere Bredase vrouw (geboren in 1924) had een aantal maanden verkering met een Duitse soldaat. Nadat hij sneuvelde kreeg zij een verhouding met een getrouwde militair, van wie ze rond haar twintigste zwanger raakte. De zwangerschap eindigde na drie maanden in een miskraam. ‘Ik wist dat [hij] getrouwd was,’ gaf ze aan in een verklaring die zij na de oorlog aflegde. ‘Zoals hij mij vertelde kon zijn vrouw geen kinderen krijgen. Als ik nu een kind van hem zou hebben dan kon hij scheiden en zouden wij (…) kunnen trouwen. Na de capitulatie heb ik [hem] nog eenmaal heel toevallig ontmoet (…) maar heb nadien niets meer van hem gehoord. Ik hou nog steeds van hem, hij is altijd heel goed voor me geweest.’[5] Een andere vrouw (geboren in 1919) had vanaf september 1940 omgang met dezelfde militair. ‘Ik heb de verhouding met de Stabsfeldwebel niet willen verbreken’, gaf zij na de oorlog aan, ‘omdat ik ontzettend veel van hem hield en nu nog.’[6]
Naast verliefdheid konden echter ook andere motieven een rol spelen. De omgang bracht simpelweg plezier en gezelligheid, maar kon ook worden aangegrepen als kans om te rebelleren tegen ouderlijk gezag. Zo verklaarde een broer van een meisje (geboren in 1926) dat tijdens de oorlog tegen de wil van haar ouders in met verschillende Duitsers in Breda op stap ging, dat ‘wanneer haar ouders straften of dit van plan waren, dreigde zij, het aan te brengen bij de moffen.’[7] Het meisje vervalste zelfs haar vaders handtekening zodat ze via het Arbeidsbureau bij de Duitse Weermacht kon gaan werken.
De consensus in de literatuur is dat politieke of ideologische overwegingen bij deze relaties over het algemeen geen rol speelden.[8] Dit komt ook naar voren in de voor dit project bestuurde dossiers van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Zo schreef een jonge vrouw uit Breda (geboren in 1922) die tijdens de oorlog omgang had met een Duitse militair en na de bevrijding met een Amerikaanse soldaat een wanhopig aandoende brief naar laatstgenoemde: ‘I will tell you that last year August I met a German boy. (…) That’s all (…), but it is so bad while he was a German. (…) But I hope (…) that you can understand me, for you can see it has nothing to do with politic or so. I love you so as you are, if you are German or American you see?’[9]
Een aantal vrouwen benadrukten expliciet dat zij ondanks hun relatie met een militair niet pro-Duits of nationaalsocialistisch waren.[10] Slechts enkelen waren wel lid van een nationaalsocialistische organisatie, zoals de Jeugdstorm, Nationaal Socialistische Beweging (NSB) of de Nationaal Socialistische Vrouwen Organisatie (NSVO), maar ook deze keuzes werden niet hoofdzakelijk gemaakt vanuit een politieke overtuiging. Over een vrouw (geboren in 1916) die sinds 1943 lid was van zowel de NSB als de NSVO werd bijvoorbeeld genoteerd: ‘Zij is sympathiseerend lid van de N.S.B. geworden, om beter werk te kunnen krijgen.’[11]
Daarnaast werden de contacten met Duitse militairen door sommige vrouwen aangegaan vanuit geheel praktische, economische overwegingen. Een getrouwde vrouw uit Breda (geboren in 1908) ging vaak met Duitse soldaten uit en had tegen betaling seks met hen in haar eigen woning. ‘Ik liet mij voor elke keer, als zij mij gebruikten minstens fl. 5,- betalen. (…) Mijn man wist dat ik het met de Duitschers hield en mij ervoor liet betalen, hetgeen hij goed vond.’[12] Een andere vrouw (geboren in 1917) werkte tijdens de oorlog als sekswerkster in verschillende door de Duitsers opgerichte bordelen langs de kuststrook.[13] Zij woonde in Den Haag, maar werd omdat zij na de oorlog in Breda verbleef door de politie aldaar uitgebreid over haar gedrag ondervraagd. ‘Gedurende twee maanden in totaal verbleef ik in dergelijke huizen’, vertelde zij, ‘alwaar ik per dag in den regel van 20 tot 35 soldaten ontving, met wie ik vleeschelijke gemeenschap had. Ik ontving van elken soldaat van fl. 1.25 tot 1.40 per keer. (…) Ik had de intieme relaties met Duitschers alleen omwille van het geld.’[14]
Perceptie
Uit bovenstaande blijkt dat de beweegredenen van deze meisjes en vrouwen erg uiteenliepen, variërend van oprechte liefde tot financieel gewin. Er is hierdoor eigenlijk ook geen standaardprofiel van hen te schetsen. Toch werden ze door tijdgenoten over één kam geschoren. Dit begon al aan het begin van de bezetting. De Roomsch-Katholieke Vereeniging ter Bescherming van Meisjes (RKVBM) wees er in 1940 bijvoorbeeld op dat ‘het vooral een bepaald soort meisjes was dat zich schuldig maakte aan de omgang met Duitse militairen.’[15] Naarmate de oorlog voortduurde raakte de veronderstelling dat deze meisjes en vrouwen onwenselijk gedrag vertoonden verankerd in de publieke beeldvorming.
In haar scriptieonderzoek, gefocust op Bergen op Zoom, toont Annelieke Wiegeraad aan dat de negatieve perceptie van deze meisjes en vrouwen kan worden verklaard doordat zij zich volgens tijdsgenoten niet conformeerden aan eigentijdse gedragsregels. Allereerst weken zij in hun ogen af van de heersende gender- en seksualiteitsnormen, die in belangrijke mate waren gevormd door christelijke opvattingen. Door uit te gaan met militairen, seks te hebben buiten het huwelijk om en soms wisselende seksuele contacten te onderhouden, voldeden ze simpelweg niet aan het ideaalbeeld van de vrouw als moederlijke en kuise huisvrouw.[16]
Daarnaast werden ze door contact te zoeken met mannen buiten de eigen lokale en nationale gemeenschap als onvaderlands bestempeld.[17] Tijdens de oorlog was het voortbestaan van de natie namelijk in grote mate afhankelijk van de vrouw: zij bracht immers de nieuwe generatie voort. ‘Het lichaam van de vrouw [was] een extra strijdtoneel’, in de woorden van historica Rianne Oosterom, ‘een aanraakbare, zelfs streelbare gevechtszone die het echte strijdtoneel, dat tussen het Duitse en Nederlandse volk, weerspiegelde.’[18] Deze gedachtegang maakte ook de afkeuring van het gedrag van meisjes en vrouwen die een serieuze relatie met een Duitse militair aangingen mogelijk, zelfs als zij persoonlijk ook waarde hechtten aan traditionele seksuele normen.
Zo werden deze meisjes en vrouwen zowel tijdens als na de oorlog door de Nederlandse bevolking geschaard onder de noemer collaborateurs, oftewel personen die, op welke manier dan ook, hadden geheuld met de vijand. In hedendaagse onderzoeken wordt waar het deze vrouwen betreft overigens wel een expliciet onderscheid gemaakt tussen twee verschillende vormen van collaboratie. Allereerst is er het begrip horizontale collaboratie. Hierbij staat de seksuele dienstverlening centraal, waarbij de vrouw de man bevrediging gaf in ruil voor geld dan wel materiële of immateriële voordelen. Daarnaast kan gesproken worden van sentimentele collaboratie als het niet economisch gewin, maar een oprechte liefdesrelatie tussen een Duitse militair en een Nederlandse vrouw betrof.[19]
Dat voor tijdsgenoten met name de zedelijkheidskwestie een belangrijke rol speelde in het door hen gevelde oordeel blijkt echter wel uit de benamingen die zij voor deze meisjes en vrouwen gebruikten: ‘moffenmeiden’, ‘moffenhoeren’, ‘hunebedden’, enzovoorts.[20] De frustratie over het gedrag van deze meisjes en vrouwen liep zo hoog op, dat al lang voor de bevrijding werd nagedacht over hoe zij bestraft zouden kunnen worden. Tijdens de oorlog werden hiervoor al namenlijsten opgesteld. In Noord-Brabant circuleerden soortelijke lijsten in ieder geval in Bergen op Zoom, Breda, Eindhoven en Roosendaal en Nispen.[21] De straf die men voor deze meisjes en vrouwen in gedachten had? Het afknippen van hun haren.
Bekijk het volgende item:
Thema II: Naoorlogse bestraffing: Kaalknippen
Geraadpleegde archieven
- Atria, Amsterdam
- Nationaal Archief, Den Haag
- Stadsarchief Breda
Geraadpleegde literatuur
- Diederichs, Monika. Wie geschoren wordt moet stil zitten. Amsterdam, 2006.
- van Klaveren, Margreet. ‘Moffenmeiden: Politiek besmet of zedelijk ontspoord’ (Masterthesis Maatschappijgeschiedenis, Erasmus Universiteit Rotterdam, 2006).
- Oosterom, Rianne. Moffenmeiden. Amsterdam, 2019.
- van de Water, Paul. Foute vrouwen. Handlangsters van de nazi’s in Nederland en Vlaanderen. Utrecht, 2022.
- Wiegeraad, Annelieke. ‘De Keerzijde van de Bevrijding. Omgang met moffenmeiden in Bergen op Zoom (Masterthesis Maatschappijgeschiedenis, Erasmus Universiteit Rotterdam, 2009).
Noten
[1] Diederichs, 34.
[2] Collectie Diederichs, via: https://sprekendegeschiedenis.nl/collectie/collectie-diederichs/.
[3] Diederichs, 44-52.
[4] Atria, Collectie Diederichs, interview code 25.
[5] Nationaal Archief, 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, inv.nr. 87816 (dossier 5332).
[6] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87696 (dossier 1176).
[7] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 111648 (dossier I-27041).
[8] Diederichs, 53-82; Van Klaveren, 77.
[9] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 110722 (dossier I-5401). Nederlandse vertaling: ‘Ik zal je vertellen dat ik in augustus vorig jaar een Duitse jongen heb ontmoet. (…) Dat is alles, Grady, maar het is zo erg omdat hij een Duitser was. (…) Maar ik hoop, Grady, dat je me kunt begrijpen, want je ziet: het heeft niets met politiek te maken of zo. Ik hou van je zoals je bent, of je nu Duitser bent of Amerikaan, snap je?’
[10] Zie bijvoorbeeld: Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nrs. 30915 (dossier 162); 87645 (dossier 3555); 112268 (dossier I-53725).
[11] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 111048 (dossier I-6905).
[12] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87629 (dossier 485).
[13] In 1943 besloten de Duitsers om militaire bordelen te openen in Hoek van Holland, Den Helder, Den Burg, IJmuiden, Zandvoort, Doorn, Stolpen (bij Schagen), Oostvoorne, Middelburg, Veere, Goes en ’s-Hertogenbosch. Een bezoek aan deze bordelen kostte drie gulden, waarvan de helft voor het betrokken meisje en de andere helft voor de bordeelhoudster was. Diederichs, 32. Als de naoorlogse verklaring van het meisje klopt, viel het bedrag dat de vrouwen toekwam in werkelijkheid mogelijk iets lager uit.
[14] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87652 (dossier 3729).
[15] Diederichs, 27.
[16] Wiegeraad, 26-38.
[17] Wiegeraad, 26-38.
[18] Oosterom, 103.
[19] Van de Water, 313.
[20] Diederichs, 28.
[21] Diederichs, 162; Wiegeraad, 56; Stadsarchief Breda, 43.2 Archief van de Gemeentepolitie van Breda (1927) 1937 – 1974 (1978), inv.nr. 851c.