Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

THEMA V - Tijdens en na de oorlog: Geslachtsziekten

‘Gaarne vernam ik, of wij gemachtigd kunnen worden op de huizen, bewoond door vrouwen die vroeger met Duitse militairen omgang hadden en waarvan aangenomen kan worden, dat zij besmet zijn, papieren te plakken, waarop in het Pools, Engels en Nederlands gedrukt staat: “VERBODEN VOOR MILITAIREN VAN ALLIED COMMAND”.’[1] Het is een kort maar veelzeggend schrijven, deze brief die op 16 november 1944 door iemand van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) aan het Militair Gezag te Breda wordt gestuurd. Na de bevrijding maakten de Nederlandse en geallieerde autoriteiten zich zorgen over één specifiek probleem: geslachtsziekten. Dit was tijdens de oorlog voor de Duitse autoriteiten niet anders geweest. Die zorgen waren niet onterecht, want er was daadwerkelijk een sterke toename van het aantal besmettingen waarneembaar. Welke maatregelen namen de autoriteiten om de verspreiding van geslachtsziektes te beperken? En hoe gingen zij om met vrouwen en meisjes die besmet waren geraakt?

Geslachtsziektebestrijding tijdens de bezetting

De Duitse autoriteiten beseften dat geslachtsverkeer ook in oorlogstijd een onvermijdelijk gegeven was – met als bijkomend risico onder andere geslachtsziekten. Om de verspreiding hiervan te voorkomen, nam het Duitse leger op eigen initiatief diverse preventieve maatregelen. Zo werden er onder soldaten voorbehoedsmiddelen uitgedeeld. Daarnaast moesten voorlichtingssessies en lezingen militairen herinneren aan het belang van veilig seksueel verkeer. In haar onderzoek naar alledaagse seksualiteit onder Weermachtssoldaten in Nederland benoemt historica Laura Fahnenbruck dat de kwestie onder de in Nederland gestationeerde soldaten echter niet consequent serieus genomen werd.[2]

Geallieerd rapport over geslachtsziekten, gedateerd 24 januari 1945.
(Bron: BHIC, 127 Militair Gezag, inv.nr. 368) Klik om te vergroten (opent in een nieuw tabblad)

Dat er aan de gegeven adviezen in de praktijk inderdaad niet altijd veel aandacht werd geschonken, blijkt wel uit het dossier van de jonge Bredase vrouw (geboren in 1924) die na het sneuvelen van de Duitse militair waar zij omgang mee had zwanger raakte van een andere soldaat. In een verklaring die zij in oktober 1945 aflegde, geeft zij het volgende aan over de seksuele omgang met beide mannen: ‘Ik heb met [naam] enige keren geslachtelijke omgang gehad. (…) Hij gebruikte geen voorbehoedsmiddelen. Nadelige gevolgen heb ik hiervan nooit gehad. (…) Ook met [naam] heb ik verschillende keer geslachtelijke omgang gehad. Hij gebruikte ook nooit voorbehoedsmiddelen. Ik ben van hem dan ook in verwachting geraakt.’[3] Of deze twee militairen geen condooms hadden ontvangen, of er bewust voor hadden gekozen deze niet te gebruiken kan uit de bron niet worden afgelezen.

Hoewel ieder persoon, ongeacht de sekse, een geslachtsziekte kan overbrengen, werd in de jaren veertig vooral de vrouw gezien als de besmettingshaard. Een andere methode die de Duitse autoriteiten aanwendden om (verdere) verspreiding te voorkomen, was dan ook het opsporen, arresteren en behandelen van de meisjes en vrouwen die drager waren van de ziekte. Nadat een Duitse militair een diagnose had ontvangen, werd via de Duitse autoriteiten aan de plaatselijke politie de opdracht gegeven de zogenaamde ‘Ansteckungsquelle’ (letterlijk: bron van infectie) op te sporen en te arresteren. De vrouw werd daarna overgebracht naar een ziekenhuis, waar ze moest blijven totdat ze weer gezond verklaard was.[4]

Ook in Breda kwam dit voor. Dit blijkt uit het proces-verbaal van de vrouw (geboren in 1906) die zich door Duitse militairen liet betalen voor het verlenen van seksuele diensten. ‘Ik verbalisant, voeg hieraan toe,’ zo besloot de politieagent, ‘dat het mij bekend is, dat [zij] eenmaal door de Duitschers die toen razzia hielden op vrouwen, die geslachtsziek waren, is gearresteerd voor haar geslachtsziekte.’[5] Deze vrouw werd vervolgens behandeld in het St. Ignatiusziekenhuis. Soms werden echter ook vrouwen uit andere provincies naar ziekenhuizen in Noord-Brabant gestuurd. Een vrouw uit Goes (geboren 1900) werd op last van de plaatselijke Duitse autoriteiten naar het gemeenteziekenhuis in Bergen op Zoom getransporteerd voor een behandeling. Later bleek echter, tegen de verwachtingen van de Duitse autoriteiten in, dat niet zij, maar de Duitse militair de bron van de besmetting was geweest.[6]

‘Onzedelijkheid’ en geslachtsziektebestrijding na de bevrijding

Na de bevrijding in de herfst van 1944 zochten veel Noord-Brabantse meisjes en vrouwen het gezelschap op van geallieerde soldaten. Er werd volop gefeest en gedanst met de militairen en het leek alsof steeds minder vrouwen zich hielden aan de traditionele, vooroorlogse normen en waarden. Vanuit verschillende hoeken van de samenleving klonk hier dan ook kritiek op. Vooral de Rooms-Katholieke kerk uitte haar zorgen over het vermeende morele verval en identificeerde met name de moderne films en dansstijlen als bedreigingen voor de maatschappelijke zedelijkheid. [7] Religieuze leiders waren echter niet de enigen die zich stoorden aan de danspartijen. Zo sprak de burgemeester van Chaam in februari 1945 zijn afkeuring uit over het feit dat vrouwen uit onder andere Breda en Tilburg naar zijn gemeente kwamen om te dansen met geallieerde soldaten.[8] Ook Nederlandse militaire autoriteiten dachten na over manieren om het contact tussen jonge vrouwen en geallieerde militairen te beperken.[9]

De zorgen over deze zogenaamd wijdverspreide ‘onzedelijkheid’ waren niet ongegrond. Statistische gegevens tonen een sterke toename van het aantal geregistreerde gevallen van geslachtsziekten in Noord-Brabant: van 93 in 1939 tot 2.324 in de eerste tien maanden van 1945. Zelfs voorheen ‘fatsoenlijk bekend staande vrouwen en meisjes’ kwamen er mee in aanraking.[10] Dit vormde een wezenlijk probleem voor de geallieerde autoriteiten, die geslachtsziekten in hun wekelijkse rapporten dan ook herhaaldelijk benoemen. Al kort na de bevrijding probeerden zij grip op dit probleem te krijgen.

Uit een rapport van eind november 1944 blijkt dat geallieerden in de regio Breda nauw samenwerkten met de lokale politie om de verspreiding van geslachtsziekten tegen te gaan. Het doel was om ten minste 110 meisjes en vrouwen, van wie vermoed werd dat zij ziektedragers waren, in hechtenis te nemen en aan een medisch onderzoek te onderwerpen. In de loop van enkele maanden veranderde de aanpak echter.[11] Een verslag uit januari 1945 toont aan dat de geallieerden inmiddels een interne procedure hadden ontwikkeld, waarin de rol van de politie was teruggeschroefd en vertrouwelijkheid vooropstond.

Wanneer bij een geallieerde militair een geslachtsziekte werd vastgesteld, onderging hij medische behandeling en werd hij gevraagd de persoon te noemen van wie hij de infectie had opgelopen. Vervolgens benaderde een vertrouwensverpleegkundige deze contactpersoon op discrete wijze, met het verzoek om ook diens bron van besmetting prijs te geven. Gedwongen behandeling werd zoveel mogelijk vermeden en pas ingezet wanneer iemand weigerde zich te laten behandelen, actief de ziekte bleef verspreiden of zich op andere wijze misdroeg. Om deze aanpak mogelijk te maken, werden in Noord-Brabant – naast het bestaande personeel in klinieken en ziekenhuizen – in totaal twintig extra verpleegkundigen aangesteld die gespecialiseerd waren in de behandeling van geslachtsziekten.[12]

Met name meisjes en vrouwen die tijdens de oorlog veelvuldige seksuele omgang met Duitse militairen hadden gehad lagen in de naoorlogse periode onder een vergrootglas. Bij arrestatie of internering konden zij worden verplicht zich aan medische onderzoeken en behandeling te onderwerpen, waarbij de Nederlandse autoriteiten zich beriepen op wetgeving die door de Duitse bezetter was ingesteld. [13] In het geval van de in 1906 geboren vrouw uit Breda werd het feit dat zij besmet was zelfs aangedragen als reden om haar langer vast te houden, omdat zij zich ‘ondanks haar geslachtsziekte, tusschen de bevrijding en haar arrestatie reeds eenmaal heeft laten gebruiken door een Poolsch militair.’[14]

Uit bovenstaande blijkt dat de bestrijding van geslachtsziekten tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog nauw verweven was met het handhaven van sociale controle en morele oordeelsvorming. Binnen de Nederlandse samenleving werd geslachtsziekte niet uitsluitend als een medisch probleem gezien, maar juist ook als een symptoom van een bredere ‘onzedelijkheid’ die de maatschappelijke stabiliteit dreigde te ondermijnen. In de benadering van Duitse, Nederlandse en geallieerde autoriteiten is daarnaast een zekere continuïteit waarneembaar: met name meisjes en vrouwen werden gezien als een bron van besmetting en waren daardoor het doelwit van repressieve maatregelen. De bestrijding van geslachtsziekten in de jaren veertig kan daarom ook worden geïnterpreteerd als middel om seksualiteit te reguleren en traditionele normen te handhaven in een periode van ingrijpende sociale en politieke verandering.

Bekijk het volgende item:

Thema VI: Zwangerschap en abortus

Bekijk het vorige item:

Thema IV: Onderzoek en uitspraak

Geraadpleegde archieven

  • Brabants Historisch Informatie Centrum, ’s-Hertogenbosch
  • Gemeentearchief Goes
  • Nationaal Archief, Den Haag

Geraadpleegde literatuur

  • Diederichs, Monika. Wie geschoren wordt moet stil zitten. Amsterdam, 2006.
  • Fahnenbruck, Laura. Ein(ver)nehmen. Sexualität und Alltag von Wehrmachtsoldaten in den besetzten Niederlanden. Göttingen 2018.
  • van der Heijden, e.a. ‘Breda na de bevrijding. Euforie, ontreddering en starheid ineen’, in: Jaarboek de Oranjeboom 47 (1994).

Noten

[1] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127 Militair Gezag, inv.nr. 367.
[2] Laura Fahnenbruck, Ein(ver)nehmen. Sexualität und Alltag von Wehrmachtsoldaten in den besetzten Niederlanden (Göttingen 2018), 278.
[3] Nationaal Archief, 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, 87816 (dossier 5332).
[4] Diederichs, 33.
[5] Nationaal Archief, 2.09.09, 87629 (dossier 485).
[6] Gemeentearchief Goes, Archief POD/PRA (on-geïnventariseerd).
[7] van der Heijden e.a., 158-159.
[8] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127 Militair Gezag, inv.nr. 369.
[9] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nr. 24.
[10] van der Heijden e.a., 161. 
[11] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nr. 367.
[12] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nr. 368.
[13] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nr. 369. Zie Politieblad 1945, no. 2: ‘(…) Indien uit het onderzoek blijkt, dat de betrokkene lijdt aan een geslachtsziekte als bedoeld in het tweede lid van artikel 1 van het krachtens de Verordening bestrijding geslachtsziekten gehandhaafde besluit van den bezetter, is de betrokkene verplicht zich aan een geneeskundige behandeling te onderwerpen, op de wijze zooals in het bovengenoemde besluit vanwege den bezetter is voorgeschreven.’
[14] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87629 (dossier 485).

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

THEMA V - Tijdens en na de oorlog: Geslachtsziekten | BHIC