Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

THEMA III - Naoorlogse bestraffing: Internering in kampen

Breda, 19 september 1945. De stad is inmiddels al bijna een jaar bevrijd. Voor sommige inwoners betekende de komst van de geallieerden echter het einde van hun vrijheid. Dit geldt ook voor meisjes en vrouwen die omgang hadden gehad met Duitse militairen. Sommigen van hen worden namelijk maatregelen als huisarrest en maandenlange internering opgelegd. Een vader van een jonge vrouw (geboren in 1922) schrijft in deze septembermaand een brief naar de autoriteiten waarin hij verzoekt om zijn dochter zo snel mogelijk vrij te laten, omdat ‘haar geval toch zeker onder de lichte gevallen gerangschikt kan worden, terwijl negen maanden interneering m.i. al een straf van eenige betekenis is.’[1] Welke richtlijnen bestonden er precies voor het interneren van meisjes en vrouwen die omgang hadden gehad met Duitse militairen? In welke interneringskampen kwamen zij terecht? En hoe waren de omstandigheden daar?

Richtlijnen voor huisarrest en internering

Al tijdens de Duitse bezetting werd er door de Nederlandse regering in ballingschap nagedacht over wat er na de oorlog moest gebeuren met collaborateurs. Om deze personen na de bevrijding gerechtelijk te kunnen vervolgen werd de bijzondere rechtspleging in het leven geroepen.[2] Ook meisjes en vrouwen die nauwe contacten met de bezetter hadden onderhouden konden via deze wetgeving bestraft worden. Na hun arrestatie kregen sommigen van hen, in afwachting van gerechtelijk onderzoek, huisarrest opgelegd. Dit betekende dat zij hun woning niet mochten verlaten, met uitzondering van bijvoorbeeld kerkbezoek of het doen van boodschappen.[3] Anderen werden voor onbepaalde tijd geïnterneerd. Deze maatregel werd soms ook opgelegd als de voorwaarden van het huisarrest niet werden nageleefd.[4]

Een belangrijke factor bij het bepalen van de straf lag in de specifieke aard van de omgang met de militair. Een politieblad uit 1945 verwoorde dit als volgt:

Ten aanzien van vrouwen, die alleen in aparte gevallen sexueele relaties hebben gehad met leden van de “Wehrmacht” behoeft vaak niet tot interneering besloten te worden, daar zij geestelijk geen nauwe relaties met deze lieden behoeven te hebben onderhouden. Daarentegen zullen echter verloofden van Duitschers, op wie moreel wellicht niets valt aan te merken, in vele gevallen wel voor interneering in aanmerking komen, daar zij een reëel militair gevaar kunnen opleveren, o.a. met het oog op spionnage of hulp aan op vrije voeten zijnde Duitschers[5]

In de ogen van de autoriteiten vormden meisjes en vrouwen die serieuze relaties hadden onderhouden met Duitse militairen een groter veiligheidsrisico dan degenen met enkel (wisselende) contacten. Deze overweging woog met name zwaar in Noord-Brabant, een bevrijde regio binnen een verder grotendeels nog bezet land.

Aanvankelijk was het de bedoeling om de zogenaamde ‘lichte gevallen’, waaronder de meeste meisjes en vrouwen die omgang hadden met Duitse militairen werden gerekend, afzonderlijk van andere collaborateurs te interneren. In de praktijk gebeurde dit echter niet, met overvolle kampen als gevolg.[6] Al in december 1944 besproken militaire autoriteiten daarom de mogelijkheid om ‘vrouwen die zich met Duitschers hebben afgegeven’ ofwel in vrijheid te stellen, ofwel onder huisarrest te plaatsen.[7] Uiteindelijk werd pas in het najaar van 1945 officieel besloten om in de interneringskampen een duidelijk onderscheid te maken tussen ‘lichte’ en ‘zware’ gevallen. Veel meisjes en vrouwen die met de Duitsers omgingen werden in de daaropvolgende maanden onder voorwaarden uit de kampen ontslagen.[8]  

Omstandigheden in de interneringskampen

In Noord-Brabant waren verspreid door de provincie ten minste vijftien interneringskampen, waarvan in ten minste acht vrouwen verbleven.[9] De dossiers uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging die voor dit onderzoek zijn geraadpleegd laten echter zien dat Noord-Brabantse meisjes en vrouwen ook in kampen in andere provincies terecht kwamen. Van de zesentwintig bestudeerde Bredase vrouwen werd de helft geïnterneerd, verspreid over in totaal twaalf kampen. Van de dertien vrouwen waren zeven vrouwen in meerdere kampen geïnterneerd.[10]  Van de in totaal twaalf benoemde kampen waren zes kampen in Noord-Brabant, drie in Zuid-Holland, twee in Limburg en één in Zeeland.[11]

Het Militair Gezag, de organisatie die tijdelijk verantwoordelijkheid droeg voor het dagelijks bestuur in de bevrijde gebieden, formuleerde richtlijnen voor de plaatselijke interneringskampen, inclusief instructies voor het bewakingspersoneel. Zo mochten mannelijke en vrouwelijke geïnterneerden niet met elkaar in contact komen en moesten de vrouwenafdelingen door vrouwen bewaakt worden. De voorschriften hadden een duidelijk militaristisch karakter. Geïnterneerden moesten bijvoorbeeld alle bevelen opvolgen, waren verplicht het personeel te groeten en mochten niet luidkeels lachen, zingen of fluiten. Ook kon hen een reeks disciplinaire straffen worden opgelegd, waaronder opsluiting in een volstrekt donkere strafcel, een dieet van water en brood en het verrichten van lichaamsoefeningen. Mishandelingen waren echter niet toegestaan. ‘Getracht moet worden’, zo eindigde het document, ‘aan de behandeling deze gedetineerden elk vernederend en onteerend karakter te ontnemen.’[12] 

In de praktijk deden zich echter de nodige misstanden voor, met name in de periode vlak na de bevrijding. Zo bleek het, ook in de jaren daarna, bijzonder lastig om voldoende vrouwelijk personeel te vinden voor het toezicht op vrouwelijke gedetineerden. Als gevolg daarvan kwamen mannen en vrouwen toch regelmatig met elkaar in contact. Van de kampen Avé Maria in Tilburg en Groede in Zeeland, beide kampen waar vrouwen uit Noord-Brabant waren ondergebracht, is zelfs bekend dat mannelijke bewakers verhoudingen aangingen met geïnterneerde vrouwen.[13]

Daarnaast vonden er ook mishandelingen plaats. De Bredase vrouw die historica Monika Diederichs interviewde werd onder andere geïnterneerd in het kamp in Groede. Zij benoemt expliciet de hardhandige behandeling die vrouwen daar ontvingen. Zo moesten ze drie kwartier lang op blote voeten over gebikte stenen lopen. Zwangere vrouwen werden hierbij niet gespaard, zij werden volgens haar gedwongen ‘met de buik over de stenen [te] kruipen’.[14] In Noord-Brabant kwamen in ieder geval in kamp Avé Maria en kamp Vught mishandelingen voor.[15] Met het verstrijken van de maanden verbeterde de toestanden in de interneringskampen. ‘Mishandelingen door bewaarders komen nog wel een enkele maal voor’, zo verhaalde een Zeeuwse krant in mei 1946 naar aanleiding van een verschenen rapport, ‘doch in de meeste kampen zoo sporadisch, dat men wel kan zeggen, dat aan dit euvel, hetwelk in den eersten tijd zich nogal eens voordeed, vrijwel een einde is gemaakt.’[16]

Toch werden er door de commissie die het rapport samenstelde nog verschillende verbeterpunten geïdentificeerd. Eén daarvan was dat er in de kampen onvoldoende onderscheid werd gemaakt tussen de vrouwen en meisjes die omgang hadden gehad met Duitse militairen en andere vrouwelijke collaborateurs: ‘Vooral in de vrouwenkampen geeft het tot allerlei ongewenschte toestanden aanleiding, dat “moffenmeiden” en andere vrouwen, op wie op zedelijk gebied veel aan te merken is, zich bevinden midden tusschen fatsoenlijke vrouwen, die op politiek gebied verkeerd gehandeld hebben, maar toch op een geheel ander peil staan.’[17] Ook hier is terug te zien dat voor tijdgenoten met name de zedelijkheidskwestie en belangrijke rol speelde in het door hen gevelde oordeel over meisjes en vrouwen die met Duitse militairen omgingen.

Bekijk het volgende item:

Thema IV: Onderzoek en uitspraak

Bekijk het vorige item:

Thema II: Kaalknippen

Geraadpleegde archieven

  • Atria, Amsterdam
  • Brabants Historisch Informatie Centrum, ’s-Hertogenbosch
  • Nationaal Archief, Den Haag
  • Stadsarchief Breda

Geraadpleegde literatuur

  • A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, 2006.
  • Diederichs, Monika. Wie geschoren wordt moet stil zitten. Amsterdam, 2006.
  • van de Water, Paul. Foute vrouwen. Handlangsters van de nazi’s in Nederland en Vlaanderen. Utrecht, 2022.

Geraadpleegde websites

  • Krantenbank Zeeland
  • Stichting Werkgroep Herkenning

Noten

[1] Nationaal Archief, 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, inv.nr. 87821 (dossier 1485).
[2] Voor meer inhoudelijke informatie over de Bijzondere Rechtspleging, zie: A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2006). Voor de dossiers die in het kader van de Bijzondere Rechtspleging zijn gevormd, zie Nationaal Archief, 2.09.09.
[3] Zie bijvoorbeeld: Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nrs. 87629 (dossier 485) en 87645 (dossier 3555).
[4] Diederichs, 143-147.
[5] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127 Militair Gezag, inv.nr. 369, Politieblad 1945, no. 2.
[6] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nrs. 23, 368. In de overvolle kampen konden besmettelijke ziektes zich snel verspreiden. Zie bijvoorbeeld: Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nr. 17 (gedigitaliseerd, scan 53).
[7] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nr. 15 (gedigitaliseerd, scan 36 en 37).
[8] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127, inv.nr. 369, Politieblad 1945, no. 2.
[9] ‘Lijst van interneringskampen voor collaborateurs in Nederland’, via: https://www.werkgroepherkenning.nl/zoektocht/lijst-van-interneringskampen-voor-collaborateurs-in-nederland/. Hier kunnen in ieder geval de volgende kampen nog aan worden toegevoegd: kamp Lagero in Roosendaal en het Huis van Bewaring in Breda. Van de volgende kampen in ieder geval bekend dat er vrouwen verbleven: Ave Maria in Tilburg, Grave in Grave, Huis van Bewaring in Breda, Lagero in Roosendaal, Meilust in Bergen op Zoom, Reusel in Reusel, St. Joostje in Breda, Vught in Vught.
[10] Dit kon verschillende oorzaken hebben. Vrouwen die met de naderende bevrijding de stad ontvluchtten kwamen bijvoorbeeld eerst in interneringskampen elders terecht, voordat zij naar de eigen provincie teruggebracht werden. Anderen werden wel in eigen stad geïnterneerd, maar later naar interneringskampen in andere provincies overgeplaatst. Waarom dit gebeurde wordt in de dossiers meestal niet toegelicht.
[11] Kampen in Noord-Brabant: Avé Maria en Huize Mariënhof te Tilburg; Huis van Bewaring en St. Joost(je) te Breda; Lagero te Roosendaal; Vught te Vught. Kampen in Zuid-Holland: Hoefslag te Rotterdam, Doelenkazerne te Leiden, kamp te Noordwijkerhout. Kampen in Limburg: Valkenburg, Maastricht. Kamp in Zeeland: Groede te Sluis. 
[12] Stadsarchief Breda, 43.2 Archief Gemeentepolitie (1927) 1937 – 1974 (1978), inv.nr. 1096a.
[13] Belinfante, 224.
[14] Atria, Collectie Diederichs, interview code 25.
[15] Belinfante, 161-246; Paul van de Water, Foute vrouwen. Handlangsters van de nazi’s in Nederland en Vlaanderen (Utrecht 2022) 318-319.
[16] ‘Rapport over de toestanden in de interneeringskampen. VERBETERING OP TAL VAN PUNTEN NOG ZEER GEWENSCHT’, Provinciale Zeeuwsche Courant, 10 mei 1946, scan origineel geraadpleegd via: https://krantenbankzeeland.nl/issue/pzc/1946-05-10/edition/0/page/1?query=moffenmeiden&period=1946&sort=relevance&f_periodicalcode%5B0%5D=pzc.
[17] Ibidem.

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.