THEMA IV - Naoorlogse bestraffing: Onderzoek en uitspraak
‘Ik, rapporteur, voeg hieraan toe dat het van algemeene bekendheid is dat zij gedurende de bezetting steeds met Duitsche militairen is uitgeweest. (…) Zij staat bekend als een Duitsche hoer. Zij heeft zoveel mogelijk van de Duitschers geprofiteerd.’[1] Met deze niet mis te verstane bewoordingen beëindigd een politierechercheur het proces-verbaal over een vrouwelijke stadsgenoot (geboren in 1919). In de naoorlogse periode werden meisjes en vrouwen die omgang hadden gehad met Duitse militairen uitgebreid onderzocht. Welke patronen zijn er precies te herkennen in deze onderzoeken? En tot welke uitspraken leidden deze?
Onderzoek
Het onderzoek naar een meisje of vrouw begon op het moment dat er het vermoeden bestond dat de persoon in kwestie schuldig was aan collaboratie. Velen werden gearresteerd op basis van al tijdens de oorlog door het verzet opgestelde lijsten. Na arrestatie werd de verdachte verhoord door de lokale politie, waar dan een proces-verbaal van werd opgemaakt. In 1945 werden voor het onderzoek naar collaborateurs uiteindelijk speciale politiediensten geformeerd, de Politieke Opsporingsdiensten (POD’s). In de loop van 1946 werden de POD’s vervangen door de Politieke Recherche Afdelingen (PRA’s) en de Politieke Recherche Afdelingen Collaboratie (PRAC’s).[2]
Niet enkel een plaats op een arrestatielijst kon echter de oorzaak zijn voor een verdachtmaking. Soms vormde een door een stadsgenoot gemaakte melding hiervoor de aanleiding. In de maanden na de bevrijding werden er door verschillende Bredanaars klachten ingediend over meisjes en vrouwen. Op 29 november 1944, bijvoorbeeld, uitte een man zijn frustratie over twee jonge vrouwen die bij hem in de straat woonden: ‘Hiermede verklaart ondergetekende (…) dat het hem sinds jaren bekend is dat (…) [zij] altijd met moffen hebben meegegaan en zich nu afgeven aan Poolsche en Engelsche soldaten.’[3] In dit geval werd de zaak geseponeerd, ofwel er vond geen verder onderzoek plaats.
Soms leidden (anonieme) tips echter wel tot nader onderzoek, zo blijkt uit het archief van de Bredase politie. Deze inlichtingen konden zelfs uit andere provincies afkomstig zijn. Zo schreef een man uit Kerkrade in Limburg: ‘Geachte Aanwezige, Wil U even meededeelen dat in de [straatnaam] bij [naam persoon] nog een juffr. zit die uit Breda komt. Ze is daar gau weg gegaan toen ze aan de neus had dat de Amerikanen onze bevrijders kwamen.’[4] De jonge vrouw kreeg huisarrest opgelegd en werd later geïnterneerd. Deze twee voorbeelden illustreren de rol die doorsnee burgers, handelend uit eigen initiatief, speelden binnen de context van de bijzondere rechtspleging.
Daarnaast stoelden de tegen de meisjes en vrouwen aangespannen zaken ook in belangrijke mate op verklaringen van burgers. Om de juistheid van de aanklacht te onderzoeken verhoorde de politie bijvoorbeeld collega’s, kennissen, buurtbewoners of andere plaatsgenoten. Velen van hen waren bereid belastende verklaringen af te leggen. Dit gold in enkele gevallen zelfs voor familieleden, die vaak ook werden ondervraagd. De stiefmoeder van een vrouw (geboren in 1919) getuigde bijvoorbeeld het volgende: ‘Gedurende dien tijd had mijn stiefdochter voornoemd veel omgang met Duitse militairen. Ik kan zelfs verklaren, dat zij bijna elke dag met een andere Duitser liep. Mijn stiefdochter was werkelijk een grote dweil…’[5]
Tegelijkertijd weigerde de zus van dezelfde vrouw iets negatiefs over haar te zeggen. ‘Onder geen enkele voorwaarde wens ik omtrent mijn broers of zusters iets te verklaren, want dat zou laf zijn’, beargumenteerde zij. ‘Ik zelf moet mijn eigen boontjes doppen en dat moeten zij allen ook maar doen.’[6] En waar veel buurtbewoners zich negatief uitlieten over de meisjes en vrouwen, waren er soms ook personen die eigenlijk wel begrip voor hun situatie konden opbrengen. ‘Als overbuur ken ik het gezin waaruit het meisje is al sedert 20 jaar,’ verhaalt een buurman over een geïnterneerde vrouw (geboren in 1912), ‘en ik kan niet anders zeggen, dat zij een allerellendigst treurig leven heeft meegemaakt (…) Ik kan mij best begrijpen dat zij zich onderhield met een Duitsch Militair.’[7] De man voelde zozeer met de vrouw mee, dat hij aanbood haar in zijn gezin op te nemen als zij in vrijheid kon worden gesteld.
Daarnaast speelde de politie zelf ook een rol die zich verder uitstrekte dan het slechts opnemen van verklaringen van anderen. Sommigen van hen voegden namelijk aan het einde van het door hen opgestelde proces-verbaal een persoonlijke reflectie toe. In het geval van een jonge vrouw (geboren in 1924), bijvoorbeeld: ‘Het is van algemeen bekendheid dat [ze] tijdens de bezetting regelmatig omgang had met verschillende Duitsche militairen. Werd geregeld na bezetten tijd op straat door politie aangetroffen in het gezelschap van Duitsche militairen.’[8] De agenten die al tijdens de oorlog in dienst waren liepen hun rondes, namen dingen waar en vormden hun eigen oordeel over wat zij zagen. Dit konden zij na de oorlog verwerken in de proces-verbalen.
Dit oordeel was overigens niet per definitie negatief. In het geval van een jonge vrouw (geboren in 1924) die tijdens de oorlog een tijdje omgang had met een Hongaarse soldaat en van hem zwanger raakte, oordeelden de politieagenten zeer mild:
Volgens ons reletanten is dit een geval waar een onschuldig jong meisje het slachtoffer is geworden van een Duitse soldaat. Het zag er in huis keurig netjes uit, en het is een zeer nette familie waar niets op aan valt te merken. Ook betreffende vrouwspersoon scheen ons een zeer net meisje toe. (…) Het meisje wordt thuis zeer kort gehouden en past zeer goed op. Over het geheel genomen is dit een geval wat een zeer gunstige indruk maakt.[9]
De agenten kwamen tot deze conclusie op basis van hun eigen bezoek aan het gezin. Het proces-verbaal bevat verder geen andere getuigenverhoren. In dit specifieke geval was het dus de opvatting van deze agenten die bepalend was voor wat er verder met deze jonge vrouw gebeurde. Ze werd niet vervolgd, met als motivatie voor dit besluit: ‘Betrokkene staat zeer gunstig bekend. Evenals haar familie. Deponeren.’[10]
Uit bovenstaande blijkt dat de onderzoeken naar meisjes en vrouwen die omgang hadden gehad met de Duitse bezetter op verschillende manieren werden gevormd door lokale dynamieken. De houding van burgers die zich wel of niet geroepen voelden om personen aan te geven, de opstelling van bijvoorbeeld familieleden en buurtbewoners die wel of geen belastende verklaringen wilden afleggen, maar ook het oordeel van de politieagenten die de leiding hadden in het onderzoek waren van invloed. De plaatselijke context speelde dus niet alleen bij het knippen (informele bestraffing), maar ook binnen de bijzondere rechtspleging (formele bestraffing) een noemenswaardige rol.
Uitspraken
Het onderzoek, waardoor aanklachten wel of niet bewezen konden worden geacht, was namelijk zeer bepalend voor de straffen die uiteindelijk werden opgelegd. In het geval van de meisjes en vrouwen die omgang hadden gehad met Duitse militairen werden de uitspraken gedaan door ofwel procureur-fiscalen die bevoegd waren personen in vrijheid te stellen, ofwel door rechters werkzaam bij Tribunalen. Één van de vijf procureurs-fiscaal was gevestigd in Noord-Brabant, namelijk in Den Bosch. Ook twee van de negentien Tribunalen bevonden zich in deze provincie, namelijk in Breda en in Den Bosch. Deze Tribunalen hadden overigens verschillende lokale kamers waar zaken afgehandeld konden worden.[11]
Historica Monika Diederichs benoemt in haar onderzoek dat de meeste meisjes en vrouwen die met Duitsers waren omgegaan vanaf de herfst van 1945 een zogenaamde voorwaardelijke buitenvervolgingstelling kregen opgelegd.[12] Uit de 26 bestudeerde dossiers van meisjes en vrouwen uit Breda komt de buitenvervolgingstelling onder voorwaarden inderdaad ook het meeste voor. Elf vrouwen kregen deze opgelegd. De maatregelen verschilden wel per persoon. De meest voorkomende waren echter de eis zich voortaan te gedragen als een goed Nederlander, de ontheffing van stemrecht en het gedwongen toezicht door de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (STPD). Deze organisatie werd in 1945 opgericht en had als doel de reclassering en heropvoeding van collaborateurs.[13] In Breda was deze stichting gevestigd aan de Haagweg 26.
Naast de voorwaardelijke buitenvervolgingstelling kwamen ook andere uitspraken voor. Drie vrouwen kregen namelijk een onvoorwaardelijke buitenvervolgingstelling, wat betekent dat zij zonder verdere condities in vrijheid werden gesteld. In één ander geval werd de beschuldiging vervallen verklaard. In de overige elf gevallen werd er helemaal geen gerechtelijke uitspraak gedaan. Dit kwam bijvoorbeeld omdat de verdachte het land was ontvlucht, of omdat de zaak werd geseponeerd. Het is uit de dossiers niet altijd duidelijk op te maken waarom welke straf precies werd opgelegd. Wat zeker van belang was, is of de persoon enkel verdacht werd van omgang met Duitse militairen, of dat er ook andere aanklachten waren - zoals (sympathiserend) lidmaatschap van een nationaalsocialistische organisatie, het werken voor de Duitse Weermacht of het Duitse Rode Kruis, of verraad. Daarnaast werden persoonlijke omstandigheden ook meegewogen.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit het dossier van de Bredase vrouw (geboren in 1908) die zich door Duitse militairen liet betalen voor seksuele diensten. Ze gaf tijdens de oorlog namelijk ook haar man, die haar fysiek mishandelde, aan bij de Duitsers. ‘Mijn man sloeg mij erg en daar ik reeds verschillende malen bij de Politie ben geweest en die er niets aan deden’, verklaarde ze in november 1944, ‘ben ik in Juli 1944 naar de Sicherheitsdienst gegaan en heb daar gezegd dat die mijn man eens onder handen moesten nemen.’[14] Zowel het gegeven dat haar man het goed vond dat zij betaalde seks had, als het feit dat ze inderdaad slachtoffer was geweest van huiselijk geweld, werden door het Tribunaal aangemerkt als verzachtende omstandigheden. Toch oordeelde het Tribunaal dat ‘de daden van beschuldigde zeer laakbaar moeten worden geacht’ en werd de vrouw daarom alsnog zwaar bestraft. [15] Ze zat maandenlang geïnterneerd in verschillende kampen, verloor veel van haar bezittingen en werd pas eind 1948 voorwaardelijk buitenvervolging gesteld.
Ook de andere veertien gerechtelijke uitspraken werden niet al in 1945, maar pas in de daaropvolgende jaren gedaan. Dit gegeven benadrukt hoe traag het proces van de bijzondere rechtspleging verliep, ook in Breda en omgeving. Veel vrouwen zaten voor langere periode in huisarrest of in internering voordat hun zaak behandeld werd. Een vrouw (geboren in 1919) deed hierover in juni 1945 beklag: ‘Nu heb ik reeds 4 mnd. In het H.v.B. [Huis van Bewaring] doorgebracht en weet nog steeds niet hoe het er met mijn zaak voorstaat.’[16] Niet enkel het vooronderzoek verliep soms langzaam, maar ook de omstandigheden in het Tribunaal te Breda lieten veel te wensen over en belemmerden de voortgang van de rechtsgang. De situatie was zelfs zo hachelijk, dat de president overwoog af te treden. In april 1945 verklaarde hij hierover het volgende:
De toestand van het Tribunaal te Breda is hopeloos. Het is te gek om er over te spreken. (…) Ik moet dus zelf de opsporings- en onderzoekswerkzaamheden leiden. Op deze wijze is het onmogelijk om tot een behoorlijke en vlotte werkwijze te komen (…) Ik kreeg een secretaris toegewezen, die geen snars verstand had van zijn zaak. Enfin, hij is nu ziek, dus thans heb ik er geen last van. Zoojuist zijn er vier gevangenen vanuit het kamp te Vught hier gebracht om voor het Tribunaal te worden geleid. Mijn Tribunaal kan echter niet werken, omdat het vandaag weer eens bestaat uit zegge één persoon, n.l. de president en dat ben ik zelf. De rest van het Tribunaal is onvindbaar. (…) Zoo’n rommel heb ik in mijn lange loopbaan nog nooit meegemaakt. Dit is voor een normaal mensch om krankzinnig van te worden. Als het niet snel verandert, stop ik er dan ook mee; op deze manier is het uitgesloten om recht te doen geschieden. [17]
Binnen de bijzondere rechtspleging waren er dus verschillende uitkomsten mogelijk betreffende meisjes die omgang hadden gehad met Duitse militairen. In de voor dit onderzoek bestudeerde dossiers duurde het in de meeste zaken echter ten minste meerdere maanden voordat de meisjes en vrouwen wisten waar zij aan toe waren. De bestraffing van meisjes en vrouwen die omgang hadden met Duitse militairen maakt zo deel uit van een complexe geschiedenis, waarop plaatselijke dynamieken, lokale omstandigheden en zelfs praktische uitdagingen hun stempel drukten.
Bekijk het volgende item:
Bekijk het vorige item:
Thema III: Internering in kampen
Geraadpleegde archieven
- Brabants Historisch Informatie Centrum, ’s-Hertogenbosch
- Nationaal Archief, Den Haag
- Stadsarchief Breda
Geraadpleegde literatuur
- Diederichs, Monika. Wie geschoren wordt moet stil zitten. Amsterdam, 2006.
- van Klaveren, Margreet. ‘Moffenmeiden: Politiek besmet of zedelijk ontspoord’ (Masterthesis Maatschappijgeschiedenis, Erasmus Universiteit Rotterdam 2006).
Geraadpleegde websites
- Oorlogvoorderechter
Noten
[1] Nationaal Archief, 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, inv.nr. 30915.
[2] ‘De bijzondere rechtspleging’, via: https://oorlogvoorderechter.nl/de-bijzondere-rechtspleging/.
[3] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87696.
[4] Stadsarchief Breda, 42.3 Archief Gemeentepolitie (1927) 1937 – 1974 (1978), inv.nr. 851e.
[5] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87594.
[6] Ibidem.
[7] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 112393 (dossier I-57480).
[8] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 111396 (dossier I-18219).
[9] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87691.
[10] Ibidem.
[11] ‘De bijzondere rechtspleging’, via: https://oorlogvoorderechter.nl/de-bijzondere-rechtspleging/.
[12] Diederichs, 152-154.
[13] van Klaveren, 6.
[14] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 32332 (dossier 3334).
[15] Ibidem.
[16] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 112268 (I-53725).
[17] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127 Militair Gezag, inv.nr. 24 (scan 166).