THEMA VI - Tijdens en na de oorlog: Zwangerschap en abortus
‘Ik heb sedert ongeveer een jaar verkeering met [Duitse militair]. Ongeveer 2 en een halve maand geleden bleef de menstruatie bij mij weg, en ik vermoedde, dat ik zwanger was. (…) In zijn aan mij gerichte brieven dringt hij er echter voortdurend op aan om te trouwen, waarna ik dan in Duitschland zou moeten gaan wonen. Ik zie daar erg tegen op, omdat ik nog zoo jong ben en ik blijf liever thuis.’[1] Met medeweten van haar moeder besluit deze jonge vrouw uit Breda (geboren in 1922) daarom om een abortus uit te laten voeren. Hoe dacht de Nederlandse maatschappij over de buitenechtelijke zwangerschappen die voortkwamen uit relaties tussen meisjes of vrouwen en buitenlandse militairen? Wat gebeurde er wanneer deze vrouwen besloten de zwangerschap af te breken? En in hoeverre speelde de nationaliteit van de vader een rol bij deze beslissing?
Buitenechtelijke zwangerschappen tijdens en na oorlogstijd
Het exacte aantal kinderen dat Duitse en geallieerde militairen respectievelijk tijdens en na de oorlog bij Nederlandse meisjes en vrouwen hebben verwekt is onbekend. Naar schatting betreft het aantal bij eerstgenoemde groep tussen ongeveer 13.000 en 15.000.[2] Het geschatte aantal zogenaamde ‘bevrijdingskinderen’ ligt daar iets onder, tussen de 7.000 en 8.000.[3] In de jaren veertig rustte er nog steeds een taboe op deze veelal buitenechtelijke zwangerschappen. Een zwangerschap buiten de grenzen van het huwelijk ging daardoor met veel schaamte en sociale stigmatisering gepaard.
Ten aanzien van de meisjes en vrouwen die ongehuwd zwanger raakten van Duitse militairen wordt er in de literatuur zelfs gesproken van een dubbele stigmatisering. Zij overtraden met hun zwangerschap niet enkel de seksuele moraal, maar het ontbrak hen ook aan vaderlandslievendheid doordat het kind verwekt was door de vijand.[4] Het meisje uit Breda (geboren in 1924) dat in 1942 ongehuwd zwanger raakte van een Hongaarse militair was zelfs zo bang voor het oordeel van anderen dat zij, nadat zij haar zwangerschap bemerkte, ‘nooit meer op straat [is] geweest daar ik mij schaamde voor een ieder.’[5]


Waar dit meisje met haar jonge zoontje bij haar ouders bleef wonen, maakte het taboe op ongehuwde zwangerschappen dat sommige meisjes en vrouwen besloten afstand te willen doen van hun pasgeboren kinderen. Tijdens de oorlog was er zelfs een toename van het aantal advertenties in Nederlandse kranten waarin pleegkinderen aangeboden werden.[6] Daarnaast kozen sommige meisjes en vrouwen ervoor de zwangerschap niet te voldragen, maar deze in plaats daarvan te laten afbreken. Van de 56 vrouwen die een relatie hadden gehad met een Duitse militair en die werden geïnterviewd door historica Monika Diederichs, ondergingen vier vrouwen - allen afkomstig uit betere milieus - een abortus uitgevoerd door een arts.[7] Afgezien van de beknopte vermelding in het onderzoek van Diederichs, is er nauwelijks aandacht besteed aan dit onderwerp. Daardoor is de kennis over het afbreken van buitenechtelijke zwangerschappen die zijn voortgekomen uit relaties tussen Nederlandse meisjes of vrouwen en buitenlandse militairen nog altijd beperkt.[8]
Illegale abortussen
Onderzoek doen naar abortus in de jaren veertig is namelijk erg lastig. In die tijd was de ingreep illegaal, wat betekent dat het buiten de reguliere gezondheidszorg om clandestien werd uitgevoerd. Er is dus weinig tot geen officiële registratie of documentatie over bewaard gebleven. In het archief van de Gemeentepolitie van Breda, beperkt openbaar en enkel na toestemming in te zien, zijn echter proces-verbalen terug te vinden die tegen illegale aborteurs werden opgemaakt. Het was namelijk degene die de ingreep uitvoerde, niet degene die de abortus onderging, die volgens de wet strafbaar was.[9] De politie kwam deze personen op het spoor door aangiftes, anonieme tips of eigen onderzoek.
In de jaren 1940 tot en met mei 1947 maakte de politie in Breda twintig proces-verbalen op betreffende illegale abortussen.[10] Van deze gevallen hadden er vijf betrekking op een zwangerschap die was ontstaan uit de omgang tussen een Nederlandse meisje of vrouw en een Duitse militair. Vier betroffen er een zwangerschap na seksueel contact met een geallieerde militair. Één jonge vrouw raakte van zowel een Duitser als een Pool in verwachting. Opvallend is dat in de motieven om tot abortus over te gaan vooral het stigma rond buitenechtelijke zwangerschap centraal lijkt te staan, en in mindere mate de nationaliteit van de verwekker. Of de vrouwen nu zwanger waren van een Duitse of geallieerde militair, het doorslaggevende element was dat de zwangerschap buiten het huwelijk was ontstaan.

(Bron: Delpher, Dagblad van het Zuiden voor Eindhoven, 28 januari 1943)
Zo gaf een jonge vrouw (geboren in 1924) die in april 1943 dacht zwanger te zijn van een Duitse militair aan: ‘Ik wilde met dien militair niet trouwen en besloot mijn zwangerschap te laten verstoren.’[11] Net als het voorbeeld van de vrouw in de inleiding, die ook op zag tegen een huwelijk, was het buitenechtelijk krijgen van een kind simpelweg geen alternatief. Een andere vrouw (geboren in 1920) koos in het geheim voor een abortus omdat ze ‘zulks voor thuis niet [wilde] weten.’[12] Dit meisje hield haar zwangerschap angstvallig geheim voor haar familie. Ook een jong meisje (geboren in 1926) dat na de bevrijding zwanger raakte van een Fransman handelde vanuit een vergelijkbare redenering: ‘Ongeveer drie weken geleden kwam bij mij de gedachte op om mijn zwangerschap te laten verstoren, omdat ik het zoo erg vond voor mijn moeder.’[13]
Sommige vrouwen lichtten hun moeders overigens wel in, die hen vervolgens actief hielpen in de zoektocht naar een aborteur. Zo raakte een meisje (geboren in 1928) zwanger van de Poolse soldaat met wie zij een relatie had. Haar moeder wist een vrouw te vinden die bereid was de abortus uit te voeren. Toen het meisje enkele maanden later opnieuw zwanger raakte, besloot haar moeder de ingreep zelf ter hand te nemen. Zij motiveerde dit als volgt: ‘Ik vond het vervelend wanneer mijn dochter zwanger werd, daar zij nog niet kon trouwen.’[14] De moeder van het minderjarige meisje achtte de schande van een buitenechtelijke zwangerschap kennelijk zo groot, dat zij de ingreep de daaropvolgende maand voor de zekerheid maar herhaalde. ‘Ik zeide wel tegen moeder dat mijn vrijer niet met verlof was geweest en dat ik geen vleeschelijke gemeenschap had gehad,’ vertelde het meisje, ‘doch zij zeide dat zij toch maar weer wilde.’[15]
In dit geval was het de moeder die het meisje bij de eerste zwangerschap hielp om een aborteur te vinden. Andere meisjes en vrouwen gingen echter zelf op zoek. Gezien de illegale aard van de behandeling, werd dit uiterst voorzichtig gedaan. Ze kwamen de adressen dan ook veelal op het spoor via informele netwerken. ‘Via andere meisjes in Breda – van wie herinner ik mij niet – had ik weleens vernomen dat [naam] weleens meisjes, die zwanger waren, van haar zwangerschap afhielp,’ verklaarde de in 1920 geboren vrouw.[16] Voor het meisje dat zwanger raakte van de Fransman was het een hele zoektocht: ‘Ik heb er met meerdere meisjes over gesproken om aan een adres te komen van iemand, die mijn zwangerschap kon verstoren.’[17]
De manieren waarop illegale abortussen in de jaren veertig werden uitgevoerd, waren doorgaans provisorisch en risicovol van aard. Gangbare methoden, zoals het inbrengen van breinaalden of het injecteren van zeepsop, brachten vaak aanzienlijke gezondheidsrisico’s met zich mee. Het gebruik van onhygiënische instrumenten of een onjuiste toediening van vloeistoffen leidde regelmatig tot ernstige buikwandinfecties.[18] In de onderzochte gevallen uit het archief van de Bredase gemeentepolitie kwam het injecteren van zeepsop het vaakst voor. Er wordt echter geen melding gemaakt van ernstige, nadelige gevolgen voor de gezondheid van de betrokken meisjes en vrouwen.[19] Het in 1922 geboren meisje omschreef haar persoonlijke ervaring als volgt:
Op haar verzoek heb ik toen mijn onderlichaam ontbloot en ben op een bed in een bedstee in de woonkamer gaan liggen. Bedoelde vrow [sic] kwam toen met een teiltje met vocht, dat wel op zeepsop geleek, en een glycerinespuit. Zij vulde die spuit met dat vocht en spoot dit vervolgens in mijn vrouwelijkheid. Deze behandeling herhaalde zij eenige malen, hoevaak zij zulks deed, weet ik niet meer.[20]
De bedragen die voor dit soort behandelingen aan de aborteurs werden betaald liepen zeer uiteen, van geen enkele vergoeding tot 100 gulden. In één geval vroeg de aborteur zelfs 1250 gulden voor de behandeling, maar ging ze omdat het meisje niet over zoveel geld beschikte akkoord met een betaling van 100 gulden in combinatie met blikken vlees. Ook in een ander geval werd het geldbedrag aangevuld met een betaling in natura, namelijk een pakje margarine. In een tijd waarop het voedsel op de bon was, waren dit soort levensmiddelen veel waard. Het kostte de veelal jonge vrouwen vaak de nodige moeite om het geld bij elkaar te verzamelen. Ze gebruikten hun eigen spaargeld, leenden van anderen, of ontvingen een bijdrage van de verwekker.[21]
Bovenstaande verhalen beiden een uniek inzicht in een nauwelijks onderzocht aspect van de relaties tussen Nederlandse meisjes en vrouwen en buitenlandse militairen. Opvallend is dat in de bestudeerde zaken het ongehuwd zwanger raken, los van de nationaliteit van de verwekker, steeds centraal staat. Dit onderstreept hoe diepgeworteld de maatschappelijke opvattingen over seksualiteit en zedelijkheid destijds waren. In deze gevallen lijkt de identiteit van de vader als Duitse militair ondergeschikt aan het bredere stigma dat rustte op buitenechtelijke zwangerschappen. Het ligt voor de hand dat de bestudeerde meisjes en vrouwen slechts een klein deel vormen van het totale aantal vrouwen dat bewust hun zwangerschap beëindigde. Deze gevallen zijn immers enkel bekend omdat de politie de aborteur wist te traceren. Om een vollediger beeld te krijgen van de omvang en motieven van zwangerschapsafbreking in deze periode, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Bekijk het vorige item:
Geraadpleegde archieven
- Brabants Historisch Informatie Centrum, ’s-Hertogenbosch
- Nationaal Archief, Den Haag
- Stadsarchief Breda
Geraadpleegde literatuur
- Diederichs, Monika. Wie geschoren wordt moet stil zitten. Amsterdam, 2006.
- van der Heijden, e.a. ‘Breda na de bevrijding. Euforie, ontreddering en starheid ineen’, in: Jaarboek de Oranjeboom 47 (1994).
- Wiegeraad, Annelieke. ‘De omgang met “moffenmeiden” in Bergen op Zoom, 1944-1948’, in: Historica (Februari 2011).
Geraadpleegde websites
- Atria
- Brabants Historisch Informatie Centrum
- Oorlogsbronnen
Noten
[1] Stadsarchief Breda, 43.2 Archief Gemeentepolitie (1927) 1937 – 1974 (1978), inv.nr. 929.
[2] Diederichs, 124.
[3] ‘Bevrijdingskinderen’, via: https://www.oorlogsbronnen.nl/thema/Bevrijdingskinderen#.
[4] Diederichs, 85.
[5] Nationaal Archief, 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, inv.nr. 87691.
[6] Diederichs, 99.
[7] Diederichs, 103-106.
[8] Historica Sterre Schlink deed eerder onderzoek naar illegale abortussen in Tilburg ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, zie: ‘Aflevering 6 Vrouwen en abortus’, via: https://bhic.nl/podcast/vrouwenbuitenzicht. Historica Annelieke Wiegeraad benoemt ook een geval van abortus in het kader van haar onderzoek in Bergen op Zoom, zie: Annelieke Wiegeraad, ‘De omgang met “moffenmeiden” in Bergen op Zoom, 1944-1948’, in: Historica (Februari 2011).
[9] ‘Abortus in Nederland’, via: https://atria.nl/nieuws-publicaties/feminisme/zelfbeschikkingsrecht/abortus-in-nederland/.
[10] Niet meegenomen als ‘zaak’ zijn anonieme tips die zijn binnengekomen, maar waar geen proces-verbaal van werd opgemaakt.
[11] Stadsarchief Breda, 43.2, inv.nr. 929.
[12] Ibidem.
[13] Ibidem.
[14] Ibidem.
[15] Ibidem.
[16] Ibidem.
[17] Ibidem.
[18] ‘Abortus in Nederland’, via: https://atria.nl/nieuws-publicaties/feminisme/zelfbeschikkingsrecht/abortus-in-nederland/.
[19] In het andere geval werd een metalen buisje in de vagina ingebracht.
[20] Ibidem.
[21] Ibidem.