Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

THEMA II - Naoorlogse bestraffing: Kaalknippen

Grave, 19 september 1944. Op de plek waar de Hamstraat, Brugstraat en Klinkerstraat zich kruisen zit een vrouw in het midden van een menselijke cirkel op een stoel. In de aanwezigheid van plaatsgenoten worden haar haren afgeknipt. Daarna wordt haar gezicht vastgehouden, doelbewust gekanteld door de man achter haar om het witte hakenkruis dat op haar kruin is geschilderd te laten vastleggen door Martien Hermsen, de man achter de camera. Het is een indringend beeld, maar zeker niet uniek – soortgelijke foto’s zijn verspreid over heel Nederland terug te vinden. Het kaalknippen van meisjes en vrouwen was een structureel verschijnsel in de periode vlak na de bevrijding. Waar vond deze straf zijn oorsprong en wat is de betekenis hiervan? Op welke plaatsen in Noord-Brabant werd deze toegepast? En zijn er op lokaal niveau in de uitvoering hiervan verschillen te ontdekken?

Geknipte vrouw in Grave (foto: Martien Hermsen. Bron: BHIC, nr. 1931-000117)

Een eeuwenoude, symbolische straf

Eerdere historische studies hebben uitgebreid aandacht besteed aan de origine en betekenis van het fenomeen van het kaalknippen zoals dat na de bevrijding zijn uiting vond.[1] In deze literatuur wordt het getypeerd als een ‘eeuwenoude straf’ die door de menselijke geschiedenis heen in verschillende contexten werd toegepast. Het meest bepalend voor de betekenis die hier halverwege de jaren veertig aan werd toegekend was echter de oorlog die een aantal decennia eerder had plaatsgevonden: de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Na dit conflict kwam het kaalknippen van vrouwen die openlijk met de vijand waren omgegaan namelijk op grote schaal voor in België en Frankrijk. In Nederlandse kranten werd hier destijds verslag over gedaan.[2]

Ook gedurende andere conflicten in die periode werd het afknippen van haren ingezet als strafmiddel. Tijdens de Ierse Revolutie, in het bijzonder de jaren van de Ierse Onafhankelijkheidsoorlog (1919-1921) en de Ierse Burgeroorlog (1922-1923), kwam het bijvoorbeeld herhaaldelijk voor. Vrouwen die zich non-conformistisch gedroegen door zich met mannen van de tegenpartij in te laten werden zo op de vingers getikt. Op lokaal niveau diende het met name als waarschuwing voor andere vrouwen: pas op, anders valt jou hetzelfde lot ten deel.[3]

Een gelijksoortige tactiek van afschrikking is waarneembaar tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al voor de bevrijding werden meisjes en vrouwen die omgang hadden met de Duitse militairen gewaarschuwd voor hetgeen hen te wachten stond. Bekend is een briefkaart die in de zomer van 1944 werd rondgezonden, waarop het volgende rijmpje te lezen valt: ‘Juffrouw, De mof waar je mee vrijt, gaat spoedig aan den haal. Als Neerland is bevrijd, draag jij je kopje KAAL!’[4] Of, en zo ja waar, in Noord-Brabant deze of soortelijke kaarten precies zijn verspreid is uit de voor dit onderzoek gebruikte bronnen niet te herleiden.

Ansichtkaart (bron: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, nr. 182255 (opent in een nieuw tabblad))

De bestudeerde dossiers uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging tonen wel aan dat meisjes en vrouwen in Noord-Brabant al voor de bevrijding op de hoogte waren van het verschijnsel en dat zij hiervoor vreesden. Een meisje uit Breda (geboren in 1927) geeft bijvoorbeeld aan dat ze vlak voor de komst van de geallieerden de stad ontvluchtte, ‘omdat ik bang was, dat ze mijn hoofd kaal zouden scheren.’[5] Van een andere vrouw (geboren in 1922) werd ook genoteerd dat zij ‘verklaarde bang te zijn voor afknippen der haren.’[6] Zij schreef na de bevrijding een brief aan een vriendin, wie zij op het hart drukte: ‘Denk er om, blijf voorzichtig, blijf binnen, en hou je weg.’[7]

Hoewel het knippen werd gebruikt om vrouwen te straffen, was de betekenis die aan deze maatregel werd toegekend hoofdzakelijk symbolisch van aard. Traditioneel wordt het hoofdhaar namelijk gezien als een symbool van vrouwelijke schoonheid - het kaalknippen nam dit sieraad weg. Daarnaast maakte deze straf het landverraad van de meisjes en vrouwen zichtbaar - het kaalknippen diende als opvallend, vernederend brandmerk. Het feit dat het knippen vrijwel altijd in het openbaar en in de aanwezigheid van veel publiek gebeurde, droeg hier in belangrijke mate aan bij. In de literatuur wordt het hierom veelal getypeerd als een informele bestraffing die plaatsvond buitenom de gerechtelijke procedures, oftewel een volksgericht.[8]

Het kaalknippen in Noord-Brabant

Op onderstaande kaart is in beeld gebracht in welke plaatsen in Noord-Brabant het kaalknippen in ieder geval voorkwam. Het is een voorlopige inventarisatie, gebaseerd op de voor dit onderzoek geraadpleegde bronnen en literatuur.[9] Wat deze kaart ten minste aantoont is dat de straf in de gehele provincie werd toegepast, van kleine dorpjes als Almkerk tot grotere steden als Tilburg. Tegelijkertijd zijn er op lokaal niveau verschillen te ontdekken, in het bijzonder met betrekking tot de schaal waarop de straf werd toegepast en de personen die bij de uitvoering ervan waren betrokken. Om dit te illustreren zal een drietal steden verder worden toegelicht, namelijk Eindhoven, Roosendaal en Breda, waar respectievelijk in meerdere (eerste twee) en in mindere (laatstgenoemde) mate werd geknipt.

Plaatsen in Brabant waar vrouwen kaalgeknipt zijn

Eindhoven

Eindhoven werd op 18 september bevrijd. In de daaropvolgende dagen werden op verschillende plekken in de stad meisjes en vrouwen geknipt, waarbij zowel burgers als leden van het verzet betrokken waren. Een verslag uit het archief van de plaatselijke zusterorde van de Ursulinen vermeldt bijvoorbeeld dat in de Goorstraat werd geknipt door een kapper, ‘die de haren over de straat liet uitstrooien.’[10] De meisjes en vrouwen werden na afloop ‘onder geschreeuw en gejoel van kinderen, opgeschoten jongens en meisjes en zelfs grote mensen’ door de straten gevoerd.[11] In een kerk aan de Koenraadlaan, waar tientallen gearresteerden tijdelijk werden ondergebracht, werd ook geknipt. Journalisten van Het Parool die de bevrijde stad bezochten deden hierover in de editie van 21 september verslag: ‘Meiden die met Duitschers hadden geloopen, werden door een tevens daar verblijf houdende N.S.B.-kapper vakkundig en radicaal gemillimeterd (…) bijna allen hadden een shawltje over hun hoofden geknoopt.’[12] Ook op de Wal en in de Don Boscostraat, beide in het centrum, werd geknipt.[13]

In de Don Boscostraat in Eindhoven worden vrouwen geknipt (bron: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, identificatienummer 64755 (opent in een nieuw tabblad).

De Partizanen Actie Nederland (P.A.N.), een lokale verzetsgroep, speelde een belangrijke rol in het proces, in de eerste plaats omdat deze organisatie beschikte over de al tijdens de oorlog opgestelde namenlijsten en ook de taak op zich nam om de hierop genoemde personen te arresteren. De leiding van de P.A.N. stond echter afkeurend tegenover de praktijk van het knippen en wilde niet dat burgers, laat staan de eigen leden, hierin participeerden. Niet iedere lokale afdeling van de organisatie deelde echter deze mening. Waar het Rayon Veldhoven het kaalknippen ‘onwaardig’ vond en zich ertegen verzette – wat overigens aangeeft dat er door anderen, wellicht buurtbewoners, wel werd geknipt -, was het Rayon Tongelre er wel zelf actief bij betrokken.[14] Beeldmateriaal suggereert dat dit in ieder geval ook voor het Rayon Centrum gold.[15]

Dat het knippen op meerdere plekken in Eindhoven plaatsvond, hing onder meer samen met het machtsvacuüm dat ontstond rond de bevrijding. Gezag en orde waren lastig te handhaven. Het politieapparaat functioneerde slechts gebrekkig, aangezien het merendeel van de Eindhovense agenten waren ondergedoken. Daar komt bij dat voormalige ondergrondse organisaties juist in de periode na de bevrijding een toestroom zagen van nieuwe leden die zich niet noodzakelijkerwijs uit overtuiging, maar vaak juist uit eigenbelang en avontuur aanmeldden.[16] Het is in deze chaotische tijd dat, in de woorden van een politie-inspecteur, ‘enkele excessen’, zoals het knippen, daarom toch op verschillende locaties in de stad plaatsvonden.[17]

Roosendaal

In Roosendaal deed zich een heel andere situatie voor dan in Eindhoven. Op de laatste dag van oktober, de dag nadat de stad was bevrijd, werd er tijdens een vergadering op het gemeentehuis door leden van de ondergrondse beweging, enkele wethouders, een militaire commissaris en de burgemeester besloten dat alle vrouwelijke personen die zich tijdens de bezetting ernstig misdragen hadden, opgepakt, medisch onderzocht en kaalgeschoren moesten worden.[18] Waar het knippen in Eindhoven onwenselijk werd geacht, werd het in Roosendaal dus juist expliciet van hogerhand als strafmaatregel opgelegd. Niet doorsnee burgers, maar gezagsdragers namen hier het initiatief. Om deze reden verliep het proces ook relatief gestructureerd.

Allereerst werd er een plaatselijke onderzoekscommissie gevormd, bestaande uit onder andere een ambtenaar, enkele verzetsleden en een geestelijke. De gearresteerde meisjes en vrouwen werden vervolgens naar de leegstaande fabriek Lagero gebracht en een daartoe opgestelde lijst gaf aan wie van hen geknipt moest worden. De commandant van het tijdelijke kamp deed over de gebeurtenis verslag. Deze gaf aan dat het knippen eerst werd gedaan door kappers, ‘het leken wel slagers’, maar nadat deze niet meer kwamen opdagen een in het kamp verblijvende mannelijke NSB’er werd gedwongen de taak over te nemen. ‘Er waren echter verschillende dubieuze gevallen, over wie men het niet eens kon worden,’ gaf hij toe. ‘Toch maar knippen.’[19]

Historica Rianne Oosterom deed onderzoek naar het lot van deze meisjes en vrouwen in Roosendaal, maar in het bijzonder naar de opinie van inwoners over het verschijnsel. Zij analyseerde hiervoor honderden ingevulde enquêtes van het Vraag en Antwoord Instituut (VIA) en merkte op dat veel respondenten vonden dat er bij het uitvoeren van de straf sprake was van willekeur of zogenaamde ‘klassenjustitie’.[20] Een andere bron bevestigd dit.[21] Het knippen van met name meisjes en vrouwen uit de lagere sociaaleconomische klasse kwam niet enkel in Roosendaal voor. Historica Monika Diederichs bemerkt hetzelfde in andere plaatsen.[22] De betrokkenheid en werkwijze van lokale autoriteiten bij het knippen in Roosendaal diende een expliciet doel, zo oordeelt Oosterom. Deze meisjes en vrouwen werden geofferd op het altaar van de openbare orde, om erger te voorkomen.[23]

Breda

Breda hervond op 29 oktober, ruim een maand na Eindhoven en één dag vóór Roosendaal, haar vrijheid. Ook daar begon onmiddellijk de afrekening met ‘onvaderlandse’ burgers, waaronder de meisjes en vrouwen die omgang hadden gehad met Duitse militairen. Een aantal beelden die het knippen in Breda hebben vastgelegd wekken de indruk dat zowel doorsnee burgers als leden van het verzet (te herkennen aan de witte banden om de armen) hierbij betrokken waren.[24]

Ondanks dat in Breda dus enkele meisjes en vrouwen werden geknipt, suggereert het overgebleven bronmateriaal dat het slechts beperkt voorkwam. Volgens een politierapport gedroeg de bevolking zich namelijk ‘ordelijk’ en vonden arrestaties ‘practisch zonder mishandelingen’ plaats. ‘Eenige vrouwen werd het haar afgeknipt, doch hieraan werd een einde gemaakt.’[25] Eerder onderzoek naar het naoorlogse Breda vermeldt verder expliciet dat het knippen werd verboden nadat een drietal geallieerden, een Canadees en twee Polen, slaags raakten over een vrouw die op het punt stond slachtoffer te worden van de volkswoede.[26]

Dat meisjes en vrouwen die omgang hadden gehad met Duitsers er zonder straf af leken te komen stuitte sommige Bredanaars tegen de borst. Een inwoonster klom in de pen en uitte haar frustratie over een haar bekend geval als volgt:

Deze dame heeft zich steeds met Duitschers opgehouden (…) Nu zijn wij God. dank weer bevrijd en deze dame gaat nu weer met de Poolen mee, en nu valt ze mij weer lastig en steeds met de woorden, Nu heb ik lekker met de Duitschers meegegaan, en nu heb ik lekker nog geen kale kop, ik heb (…) maar steeds gehoopt als dat de tijd nog wel eens komen zou, als dat deze dame onderhanden genomen zou worden. Maar ja het is nog steeds niets en deze dame gaat maar steeds door.[27]

Hoewel de vrouw in kwestie inderdaad niet gestraft lijkt te zijn – haar zaak werd zonder verder onderzoek geseponeerd – gold dit zeker niet voor alle Bredase meisjes en vrouwen die tijdens de oorlog omgang hadden gehad met Duitse militairen. In afwachting van nader onderzoek en een gerechtelijk proces kregen zij bijvoorbeeld huisarrest opgelegd of werden geïnterneerd in kampen.

Bekijk het volgende item:

Thema III: Internering in kampen

Bekijk het vorige item:

Thema I: Tijdens de oorlog

Geraadpleegde archieven

  • Brabants Historisch Informatie Centrum, ’s-Hertogenbosch
  • Nationaal Archief, Den Haag
  • Regionaal Historisch Centrum Eindhoven
  • Stadsarchief Breda

Geraadpleegde literatuur

  • Byrne, Susan. ‘“Keeping company with the enemy”: gender and sexual violence against women during the Irish War of Independence and Civil War, 1919-1923’, in: Women’s history review 30, nr. 1 (2021).
  • Diederichs, Monika. Wie geschoren wordt moet stil zitten. Amsterdam, 2006.
  • van der Heijden, e.a. ‘Breda na de bevrijding. Euforie, ontreddering en starheid ineen’, in: Jaarboek de Oranjeboom 47 (1994).
  • Oosterom, Rianne. Moffenmeiden. Amsterdam, 2019.
  • Warring, Annette. ‘Intimate relations’, in: Robert Gildea e.a., Surviving Hitler & Mussolini. Daily life in occupied Europe (New York 2006).
  • van de Water, Paul. Foute vrouwen. Handlangsters van de nazi’s in Nederland en Vlaanderen. Utrecht, 2022.

Geraadpleegde websites

  • Delpher
  • Eindhoven4044

Noten

[1] Zie bijvoorbeeld: Diederichs, Oosterom, Warring.
[2] Oosterom, 99.
[3] Byrne, 114.
[4] Diederichs, fotopagina’s tussen 96-97.
[5] Nationaal Archief, 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, inv.nr. 87652 (dossier 3700).
[6] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87569 (dossier 229).
[7] Nationaal Archief, 2.09.09, 112393 (dossier I-57480).
[8] Diederichs, 171-176; Oosterom, 95-104; Van de Water, 314-315.
[9] Dit onderzoek pretendeert niet een volledige inventarisatie te hebben gemaakt, aangezien niet al het relevante archiefmateriaal over de Tweede Wereldoorlog in Noord-Brabant binnen het tijdsbestek van dit onderzoek kon worden geraadpleegd.
[10] Erfgoedcentrum Kloosterleven Cuijk, archief Ursulinen, ‘De laatste oorlogsmaanden in Eindhoven. Dagboekverslag periode: september 1944-1945’, scan origineel geraadpleegd via: https://eindhoven4044.nl/8/Ursulinen.html.
[11] Ibidem. 
[12] Het Parool, 21-09-1944, scan origineel geraadpleegd via: https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?coll=ddd&identifier=MMNIOD05:000107571:mpeg21:p002.
[13] ‘Eindhoven bezet 1940-1944’, via: https://eindhoven4044.nl/4/bezetting_eindhoven_1944.html; Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Beeldmateriaal, identificatienummer 20096.
[14] ‘P.A.N. in de Zeels & Veldhoven en Wintelre’, via: https://eindhoven4044.nl/4/zeelst.html: ‘P.A.N. Tongelre’, via: https://eindhoven4044.nl/6/oorlogsverzet_tongelre.html.
[15] Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, 20096, identificatienummers 64754, 64755.
[16] ‘Partizanen Actie Nederland tot 18 september 1944’, via: https://eindhoven4044.nl/3/pan.html.
[17] Verslag van inspecteur C. Verhagen, zoals geciteerd in ‘Eindhovense politie in de oorlogsjaren 1940-1944’, via: https://eindhoven4044.nl/8/politie-eindhoven-oorlogsjaren.html.
[18] Oosterom, 84.
[19] Oosterom, 84-85. Citaat van kampcommandant op pagina 85.
[20] Oosterom, 74-78.
[21] Oosterom, 156.
[22] Diederichs, 162-163.
[23] Oosterom, 153.
[24] Zie ook: Stadsarchief Breda, foto’s en films, identificatienummers 20223568, 20223571.
[25] Brabants Historisch Informatie Centrum, 127 Militair Gezag, inv.nr. 367.
[26] Van der Heijden, 145.
[27] Nationaal Archief, 2.09.09, inv.nr. 87696.

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

THEMA II - Naoorlogse bestraffing: Kaalknippen | BHIC