Cornelis Martinus (Kees) Koningstein en echtgenote Catharina Maria (Cato) Assmann (afbeelding 1) wonen tijdens de oorlog samen met hun zes kinderen (geboren tussen 1920 en 1932) op nummer 9 van de Lagelandstraat in ’s Hertogenbosch. Op het middaguur van 22 oktober 1944 staat Kees samen met vader Thijs en diens zoon Frans Assmann te praten in de buurt van wasserij Eureka aan de Graafseweg.

Zij zien geallieerde Typhoon-bommenwerpers met veel geraas op de huizen van de Abeelenstraat afkomen en zien hun bommen vallen. Als het geëxplodeerde derde vliegtuig vlak bij hen op straat neerstort vluchten zij de wasserij in. Voor Kees is dat te laat: hij wordt getroffen door vermoedelijk een bomscherf en komt zwaar gewond terecht in het Groot Ziekengasthuis. Hij overlijdt daar in de loop van de volgende dag.
Kees werd op 13 juli 1893 geboren in ’s-Hertogenbosch. Hij was een van de eerste Bosschenaren met een rijbewijs. Hij trad in dienst als particulier chauffeur bij huisarts Jacobus Freericks (opent in een nieuw tabblad) in de Peperstraat (Huizinghe De Loet). In juli 1915 verhuist hij uit de ouderlijke woning (Noordwal 43) en wordt ingeschreven in Tilburg (Lochtstraat 19). Hij is daar in dienst gekomen als particulier chauffeur van wolfabrikant Thomas de Beer (opent in een nieuw tabblad).
Hij trouwde op 6 november 1919 in ’s-Hertogenbosch met Cato Assmann (geboren 18 oktober 1894). Op 10 november 1919 worden zij als gehuwd stel ingeschreven in Tilburg op adres Hasseltstraat 307. In het gezin worden vanaf 1920 tot 1932 zeven kinderen geboren. Het derde kind overlijdt kort na de geboorte. Er is nog een gezinsfoto uit ongeveer 1942: vader Kees, moeder Cato en hun zes kinderen.

Na het overlijden van Thomas de Beer keert het gezin terug naar ’s-Hertogenbosch en komt in april 1933 te wonen in Lagelandstraat 9. Kees neemt daar dienst bij een taxibedrijf. Vlak voor de start van de Tweede Wereldoorlog neemt zijn arbeidzaam leven een wending en krijgt hij een administratieve functie bij een sigarenfabriek in de stad.
Na zijn overlijden door oorlogsgeweld op 23 oktober 1944 komt zijn stoffelijk overschot, vermoedelijk door de massaliteit van het aantal omgekomenen in die dagen, terecht in een massagraf op het ziekenhuisterrein. Zijn overlijden werd op 18 november 1944 door zijn oudste dochter Maria (oud 24 jaar) bij de gemeente gemeld. Een ongedateerd bidprentje duidt erop dat een kerkelijk afscheid van Kees heeft plaatsgevonden maar details daarvan ontbreken.


Pas op 6 juli 1946 werden zijn stoffelijke resten op Orthen begraven, tegelijkertijd met die van een verder aantal andere omgekomenen van 22 oktober 1944. Onduidelijk is in hoeverre nabestaanden van deze begrafenissen op de hoogte zijn gesteld.

De stoffelijke resten van Kees werden op 10 januari 1961 bijgezet in het graf van zijn op 8 januari 1961 overleden echtgenote Cato. Dat graf is op een onbekend later tijdstip geruimd.















